
Jurisprudentie
BF0871
Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.011.653.01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers105.011.653.01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Curatele: verzoek in hoger beroep alsnog afgewezen. Aan psychiatrisch rapport te stellen eisen. Betrokkenen ten onrechte door de rechtbank niet gehoord.
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 3 september 2008
Zaaknummer : 105.011.653/01
Rekestnummer : 1086-H-07
Rekestnr. rechtbank : FA RK 07-1659
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de betrokkene,
advocaat mr. M.Y. van der Bijl.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. [belanghebbendende 1],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vader,
2. [belanghebbendende 2],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de moeder,
3. [belanghebbendende 3],
wonende [woonplaats],
hierna te noemen: de zus,
4. Maria Elisabeth JANSSEN-VAN DEN OEVER,
kantoorhoudende te Zoetermeer,
hierna te noemen: de curatrice,
advocaat mr. M.L. Kleyn,
5. Het Openbaar Ministerie,
het ressortsparket te ’s-Gravenhage,
hierna te noemen: het Openbaar Ministerie.
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
De betrokkene is op 31 juli 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 1 mei 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage.
De belanghebbenden hebben geen verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de betrokkene zijn bij het hof op 19 september 2007 en 15 augustus 2008 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van het Openbaar Ministerie is bij het hof op 25 juni 2008 een brief ingekomen waarin namens de advocaat-generaal wordt meegedeeld dat hij afziet van de mogelijkheid te concluderen en niet ter zitting zal verschijnen omdat de onderhavige zaak slechts in beperkte mate het openbaar belang raakt.
Van de zijde van de curatrice zijn op 13 augustus 2008 bij het hof pleitaantekeningen van haar advocaat ingekomen.
Op 20 augustus 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, de advocaat van de curatrice en de moeder van betrokkene. Verder zijn verschenen namens Parnassia: de heer D.J. Graafland en de heer B.F.H.A. Kroft.
De betrokkene heeft ter terechtzitting medegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben dat de medewerkers van Parnassia de mondelinge behandeling bijwonen.
De aanwezigen hebben het woord gevoerd.
Na de mondelinge behandeling is, zoals toegezegd door de advocaat van de betrokkene, op 20 augustus 2008 het inleidende verzoekschrift met als bijlage een brief van 28 februari 2007 van mw. Mr. D.F.J. Sol-Thoolen, destijds procureur van de belanghebbenden en Parnassia in eerste aanleg, bij het hof ingekomen.
HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is de betrokkene wegens een geestelijke stoornis, waardoor hij, al dan niet met tussenpozen niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen, onder curatele gesteld met benoeming van Maria Elisabeth JANSSEN-VAN DEN OEVER tot zijn curatrice.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de ondercuratelestelling van betrokkene.
2. De betrokkene verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondercuratelestelling alsnog af te wijzen.
3. De belanghebbenden hebben hiertegen ter terechtzitting verweer gevoerd.
4. In zijn appelschrift stelt betrokkene dat hij in eerste aanleg ten onrechte niet is gehoord op het door het Openbaar Ministerie ingediende verzoek tot ondercuratelestelling. Hij maakt bezwaar tegen de ondercuratelestelling omdat daarvoor geen gronden aanwezig zijn.
5. Het hof stelt vast, dat door het verschijnen in hoger beroep aan het verzuim dat hij niet gehoord is, wordt tegemoetgekomen, maar gezien de aard van het verzoek voegt het hof daaraan het navolgende toe.
6. In het inleidende verzoekschrift wordt verwezen naar bovengenoemde brief van 28 februari 2007 van mw. mr. D.F.J. Sol-Thoolen, destijds procureur van de belanghebbenden en Parnassia in eerste aanleg. In deze brief stelt zij dat de betrokkene niet in staat is om naar de rechtbank te komen, zoals uit de medische verklaring blijkt. Uitgelegd wordt dat de betrokkene met een rechterlijke machtiging is opgenomen in Parnassia, dat het door gebrek aan ziekte inzicht onmogelijk is om afspraken met hem te maken, en dat contactopname met de contactpersoon, [naam], dringend gewenst is mocht de rechtbank toch contact wensen.
Bij de stukken bevindt zich eveneens een brief van 17 maart 2007 van mr. Sol-Thoolen, ingekomen blijkens het daarop gestelde stempel van de rechtbank op 19 maart 2007.
In die brief komt de volgende passage voor:
“Naar aanleiding daarvan (hof: het verzoek tot ondercuratelestelling) deel ik u mee, dat [de betrokkene] zich inmiddels telefonisch met mij in verbinding heeft gesteld en mij heeft laten weten: “Ik heb geen curatele nodig. Ik regel mijn zaken zelf. Ik heb daar andere mensen voor.” Zonder verder aan te geven hoe of wat. Met andere woorden, [de betrokkene] is het er niet mee eens.”
Het hof stelt vast dat in de bestreden beschikking geen melding wordt gemaakt van deze brief.
7. Uit het bovenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte zichzelf geen oordeel heeft gevormd over het antwoord op de vraag of betrokkene het eens was met de curatele en is het oordeel van de rechtbank, dat het niet opportuun is betrokkene te horen nu verbale, noch non-verbale communicatie met betrokkene mogelijk is, onbegrijpelijk. Deze overweging is overgenomen uit het rapport van de psychiater, dat zonder enige verklaring twee data vermeldt waarop het zou zijn getekend en dat zich bij de stukken bevindt. Het hof is overigens van oordeel, dat dit rapport niet voldoet aan de redelijkerwijs daaraan te stellen eisen om te gebruiken in een procedure strekkende tot ondercuratelestelling. Het rapport geeft geen inzicht in de gronden waarop de psychiater tot zijn oordeel is gekomen; het bevat dus geen verslag van de aard en het aantal contacten tussen de psychiater en betrokkene en de inhoud daarvan en het oordeel dat het niet opportuun is om betrokkene te horen is op geen enkele wijze gemotiveerd. Ook op die grond had de rechtbank redelijkerwijs gezien de aard van het verzoek niet mogen afzien van het horen van betrokkene.
8. Ter terechtzitting bij het hof is gebleken, dat met betrokkene normaal kan worden gecommuniceerd. Betrokkene heeft voorts verklaard, dat hij gebukt gaat onder de curatele nu de curator het volledig laat afweten, dat hij zelf ervoor heeft gezorgd, dat hij een uitkering ontvangt, dat hij zelfstandig woont en tenslotte dat hij zijn zaken zelf kan regelen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is van het tegendeel niet gebleken. Voorts is ter zitting gebleken, dat betrokkene niet meer onder behandeling is en dat zijn medicatie is beëindigd.
9. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de beschikking van de rechtbank moet worden vernietigd en het verzoek alsnog moet worden afgewezen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking en, in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst het inleidend verzoek af;
bepaalt dat deze uitspraak op de voet van artikel 1: 390 BW dient te worden bekendgemaakt in de Staatscourant, het Algemeen Dagblad Haagsche Courant en De Volkskrant en gelast op grond van het eerste lid van voornoemd artikel het Openbaar Ministerie, als verzoeker in eerste aanleg, om binnen tien dagen nadat de beschikking ten uitvoer gelegd kan worden daarvoor zorg te dragen;
gelast de griffier op de voet van artikel 1: 391 BW gevolg te geven aan het bepaalde in artikel 2 van het Besluit curateleregister (Besluit van 26 november 1969, Stb. 528);
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Dusamos en Husson, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2008.