
Jurisprudentie
BF0858
Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 08/1286 GEMWT
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 08/1286 GEMWT
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing aanvraag ligplaatsvergunning woonboot. Artikel 2.3.1, tweede lid, van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb) bevat een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Het vereiste dat de aanvrager van een ligplaatsvergunning rechthebbende is van het waterperceel waarvoor een aanvraag wordt ingediend alvorens deze kan worden toegewezen volgt niet uit de Vhb, beleid of de jurisprudentie. De belangen van de welstand, de veiligheid, het milieu, de vlotte en veilige doorvaart en de ordening te water zijn niet met de gevraagde ligplaatsvergunning in geding. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, inhoudende dat het primaire besluit wordt herroepen en de aanvraag van eiser wordt ingewilligd.
Uitspraak
Rechtbank Amsterdam
Sector Bestuursrecht
meervoudige kamer
UITSPRAAK
in het geding met reg.nr. AWB 08/1286 GEMWT
tussen:
[eiser], wonende te [woonplaats],
eiser,
en:
het dagelijks bestuur van het stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
vertegenwoordigd door mr. M. Lohman.
1. PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 1 april 2008 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 5 februari 2008, verzonden op 19 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit).
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 2 juli 2008.
2. OVERWEGINGEN
1. De van belang zijnde feiten en omstandigheden
1.1. Bij brief van 18 september 2004 heeft eiser een ligplaatsvergunning aangevraagd voor zijn woonboot [naam woonboot] in de havenkom aan de [adres] te [woonplaats].
1.2. Bij besluit van 6 september 2005 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4. Eiser heeft zich in beroep gemotiveerd tegen het bestreden besluit gekeerd.
2. Wettelijk kader
2.1. Ingevolge artikel 1.2.7 van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: Vhb) kan een vergunning of ontheffing worden geweigerd in geval van strijd met het bestemmingsplan, onverminderd de elders in deze verordening genoemde weigeringsgronden.
2.2. Ingevolge artikel 2.3.1, eerste lid, van de Vhb is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het College met een woonboot ligplaats in te nemen. De vergunning is persoons- en vaartuiggebonden, onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2.
2.3. Ingevolge artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb kan de vergunning worden geweigerd in het belang van de welstand, ordening, de veiligheid, het milieu en de vlotte en veilige doorvaart.
2.4. In het “Woonbotenbeleid stadsdeel Geuzenveld-Slotermeer 2002” (hierna: het Woonbotenbeleid) is – voor zover hier van belang – aangegeven dat de vergoeding van de ligplaats van de woonboot valt onder het precariorecht.
3. Beoordeling
3.1. De rechtbank stelt vast dat op het in geding zijnde waterperceel ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bestemmingsplan Plein ’40-’45 en omgeving” de bestemming “ligplaats voor woonschepen” rust. De omstandigheid dat deze ligplaats in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk komt te vervallen is in dit geding niet relevant, nu het nieuwe bestemmingsplan nog niet in werking is getreden.
3.2. Gelet op de tekst van het bepaalde in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb kan een ligplaatsvergunning slechts worden geweigerd indien tenminste één van de aldaar nader genoemde belangen in het geding zijn. De rechtbank leidt hieruit af dat het een limitatieve opsomming betreft. In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2007, AWB 06/497 GEMWT, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor verweerders standpunt dat de opsomming in artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb niet limitatief zou zijn. De rechtbank passeert dit standpunt dan ook.
3.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de belangen van welstand, veiligheid, milieu en vlotte en veilige doorvaart niet in geding zijn met de gevraagde ligplaatsvergunning.
3.4. Uitgaande van een limitatief stelsel van weigeringsgronden resteert de vraag of verweerder de gevraagde vergunning heeft kunnen afwijzen in het belang van de ordening van het water.
3.5. Voor zover hiervan diende te worden uitgegaan, heeft verweerder subsidiair aangevoerd dat een dergelijk limitatief stelsel vergelijkbaar is met dat van artikel 44 van de Woningwet. Hierbij geldt ook een limitatief stelsel van weigeringsgronden en wordt evenmin als in genoemd artikel van de Vhb expliciet de voorwaarde gesteld dat de vergunningaanvrager daadwerkelijk rechthebbende is van de betreffende grond. Uit de jurisprudentie met betrekking tot artikel 44 van de Woningwet blijkt evenwel dat de aanvrager die niet rechthebbende is van de grond niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn aanvraag. Volgens verweerder is deze jurisprudentie van overeenkomstige toepassing op aanvragen van een ligplaatsvergunning en dient een aanvraag niet-ontvankelijk te worden verklaard indien de aanvrager – zoals eiser – geen rechthebbende is van het betreffende waterperceel.
3.6. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de door verweerder gemaakte vergelijking tussen artikel 2.3.1, tweede lid, van de Vhb en artikel 44 van de Woningwet niet op. Gelet op het bepaalde in de Vhb is het geen vereiste dat de aanvrager van een ligplaatsvergunning rechthebbende is van het waterperceel waarvoor een aanvraag wordt ingediend alvorens deze kan worden toegewezen. Een dergelijk vereiste volgt ook niet uit de jurisprudentie over ligplaatsvergunningen. Bovendien is niet in geschil dat men op dit moment in het onderhavige stadsdeel ook geen rechthebbende kan worden van een waterperceel aangezien verweerder de mogelijkheden hiertoe nog aan het onderzoeken is.
3.7. Verweerder heeft voorst aan de weigering een ligplaatsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat hij beleid wil gaan ontwikkelen om de economische waarde van ligplaatsen ten gunste van de gemeentekas te laten komen. Indien hij thans – voor inwerkingtreding van dat beleid – over zou gaan tot het verlenen van een ligplaatsvergunning, dan zou dit ten koste gaan van de financiering van nieuwe ligplaatsen en daarmee van de gewenste ordening van het water.
Naar het oordeel van de rechtbank snijdt dit betoog geen hout. Een eventueel in de toekomst te voeren beleid kan geen grond vormen voor afwijzing van een ligplaatsvergunning. Gesteld noch gebleken is dat verweerder in afwachting van bedoeld beleid voorlopig het beleid voert dat geen ligplaatsvergunningen worden verleend. Bovendien heeft verweerder op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de ordening van het water enkel en alleen door middel van het vrijlaten van onderhavige ligplaats kan geschieden. De omstandigheid dat de woonboten die thans in de havenkom aan de [adres] liggen in de toekomst mogelijk zullen worden verplaatst kan evenmin een reden vormen om de reeds in september 2004 door eiser aangevraagde ligplaatsvergunning te weigeren.
3.8. Ter zitting heeft verweerder nog aangegeven dat de ordening te water met de gevraagde ligplaatsvergunning ook in geding is omdat ter plaatse geen afmeerverbod voor pleziervaartuigen geldt en de oever niet geschikt is voor het afmeren van een woonboot. Verweerder heeft ter zitting echter eveneens meegedeeld dat het instellen van een afmeerverbod voor pleziervaartuigen eenvoudig is evenals het geschikt maken van de oever, zodat genoemde omstandigheden reeds hierom geen reden kunnen geven voor afwijzing van de ligplaatsvergunning in het belang van de ordening van het water.
3.9. Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de aanvraag om een ligplaatsvergunning ten onrechte heeft afgewezen in het belang van de ordening van het water.
3.10. Verweerder heeft de afwijzing van eisers aanvraag in het bestreden besluit tevens gebaseerd op strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat sinds het begin van de juridische strijd over de laatste beschikbare ligplaats aan andere belangstellenden is medegedeeld dat er in deze situatie geen ligplaatsvergunning kon worden afgegeven. Onder deze omstandigheden doet het verlenen van een ligplaatsvergunning aan eiser afbreuk aan de belangen van potentiële andere kandidaten.
3.11. Niet in geschil is dat eisers aanvraag de enige aanvraag voor de onderhavige ligplaatsvergunning is. Nu er geen andere aanvragen liggen, kan er van gelijke gevallen geen sprake zijn noch van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dat verweerder andere gegadigden heeft afgeraden een ligplaatsvergunning aan te vragen omdat zij daarvoor niet in aanmerking zouden komen, doet hieraan niet af.
3.12. De enkele omstandigheid dat eiser al over andere ligplaatsen elders in de stad beschikt, zoals verweerder stelt, maakt nog niet dat de onderhavige vergunning niet meer persoonsgebonden kan zijn en dat eiser om die reden niet-ontvankelijk in zijn aanvraag moet worden verklaard.
3.13. Ten slotte acht de rechtbank de omstandigheid dat verweerder de economische waarde, die de ligplaatsvergunning zou vertegenwoordigen, zou mislopen door het ontbreken van een passende juridische oplossing dan wel toegesneden beleid, een omstandigheid die voor rekening en risico van verweerder dient te komen.
3.14. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder de gevraagde ligplaatsvergunning dan ook op ondeugdelijke gronden geweigerd.
3.15. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het bestreden besluit zal vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.16. Het voorgaande in aanmerking nemende ziet de rechtbank verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Hiertoe herroept de rechtbank het primaire besluit van 6 september 2005 en zal de rechtbank de aanvraag van eiser van 18 september 2004 om een ligplaatsvergunning voor zijn woonboot inwilligen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit.
3.17. De rechtbank zal bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem dient te vergoeden.
3. BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit van 6 september 2005;
- beslissende op de aanvraag van 18 september 2004: bepaalt dat verweerder aan eiser een ligplaatsvergunning voor zijn woonboot [naam woonboot] verleent;
- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 145,- (zegge: honderd vijfenveertig euro) vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2008 door mr. C.C.W. Lange, voorzitter, en mrs. J.P. Smit en G.M. Beunk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Seijsener, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.
De griffier, De voorzitter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.
Afschrift verzonden op:
DOC: B