
Jurisprudentie
BF0844
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 07 / 1469 t/m AWB 07 / 1477
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
ZaaknummersAWB 07 / 1469 t/m AWB 07 / 1477
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herplaatsingsbudget ex artikel 16 Wet REA (oud).
Tegen eerdere uitspraken in de onderhavige kwestie is geen hoger beroep ingesteld.
De rechtbank dient uit te gaan van haar eerder gegeven oordeel.
Was betrokkene arbeidsgehandicapte op moment van hervatten?
Is betrokkene hervat in andere arbeid?
Uitspraak
RECHTBANK MAASTRICHT
Sector Bestuursrecht
Procedurenummers: AWB 07 / 1469 t/m AWB 07 / 1477
Uitspraak van de enkelvoudige kamer
in het geding tussen
de Politieregio Limburg Zuid,
gevestigd te Maastricht, eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Heerlen),
verweerder.
Datum bestreden besluiten: 1 en 6 augustus 2007
Kenmerken: verschillende kenmerken
1. Ontstaan en loop van het geding
Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluiten van 1 en 6 augustus 2007 heeft verweerder namens eiseres ingediende bezwaarschriften tegen door verweerder genomen besluiten op grond van de Wet op de (re)ïntegratie arbeidsgehandicapten (hierna: Wet REA) ongegrond verklaard.
Bij brieven van 5 september 2007 is tegen eerstgenoemde besluiten namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde H.A.T.M. Slegers, werkzaam als arbeidsdeskundige bij Arbeids Deskundige Integrale Diensten te Helmond.
De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.
Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 30 mei 2008, waar eiseres zich heeft laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde Slegers. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach.
De beroepen zijn gevoegd behandeld en er wordt thans één uitspraak gedaan.
2. Overwegingen
Op 29 november 2006 heeft de rechtbank afzonderlijk uitspraak gedaan in de aan de onder¬havige beroepen voorafgaande procedures. Geen van beide partijen heeft deze uitspraken in hoger beroep betwist, zodat de rechtbank uit dient te gaan van haar oordeel in deze proce¬dures.
In de onderhavige beroepen staat een tweetal rechtsvragen centraal.
1. Heeft verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat de betrokken werknemer geen arbeidsgehandicapte was op het moment van hervatten?
Deze vraag speelt in de volgende vijf beroepen. In de zaken van [betrokkene B] (07 / 1470), [betrokkene C] (07 / 1471), [betrokkene D] (07 / 1472) en [betrokkene E] (07 / 1474) neemt verweer¬der het standpunt in dat er geen sprake is van een gehandicaptenstatus, als bedoeld in artikel 2 van de Wet REA, zoals die van toepassing was voor 1 januari 2002, per datum van her¬vatting van de werkzaamheden in de eigen functie voor minder uren. In de zaak [betrokkene A]
(07 / 1469) neemt verweerder een beslissing over de arbeidsgehandicaptenstatus van betrok¬kene per datum van hervatten, die niet overeenstemt met de datum in de aanvraag.
2. Is verweerder terecht van oordeel dat geen sprake is van werkhervatting door de betrokken werknemer in een wezenlijke andere functie, zodat er geen sprake is van andere arbeid?
Deze vraag speelt in de volgende vier beroepen. In de zaken [betrokkene F] (07 / 1475), [betrokkene G] (07 / 1476) en [betrokkene H] (07 / 1477) neemt verweerder het standpunt in dat er hervat is in de eigen functie voor minder uren en dat er daarbij geen sprake is van andere arbeid. In de zaak [betrokkene I] (07 / 1473) neemt verweerder het standpunt in dat er geen sprake is van andere arbeid en dat de hervatting minder dan een jaar heeft geduurd.
Ten aanzien van de eerste groep beroepen overweegt de rechtbank als volgt.
In de aanvragen (behalve die betreffende [betrokkene A]) heeft eiseres ter zake van de aanvang van de arbeidsgehandicaptenstatus een uitgesproken standpunt ingenomen. Gesteld wordt:
“Betrokkene is sinds deze reïntegratie te beschouwen als arbeidsgehandicapte.”
De rechtbank merkt uitdrukkelijk op dat het in de aanvragen, met uitzondering van de aan¬vraag betreffende [betrokkene A], in beginsel gaat om een ander moment dan de beoordeling per de eerste arbeidsongeschiktheidsdag of de beoordeling per einde wachttijd.
Uit de uitspraken van 29 november 2006 vloeit voort dat het peilmoment van hervatten in andere arbeid door de betrokken werknemer aangesloten dient te worden bij de datum, zoals die in het reïntegratieplan is genoemd. Het peilmoment voor de vraag of er sprake is van een arbeidsgehandicapte werknemer valt daar, gelet op de bewoordingen van artikel 16 Wet REA (oud), mee samen. Naar het oordeel van de rechtbank grijpt verweerder terecht terug op de wettelijke regeling, namelijk artikel 2 Wet REA, zoals van toepassing voor 1 januari 2002, voor de beantwoording van de vraag of er op datum van hervatten sprake was van een arbeidsgehandicapte werknemer.
Uit de wetsgeschiedenis (TK 1996-1997, 24 478, nr. 3, pag. 30) blijkt dat een werknemer als arbeidsgehandicapte moet worden beschouwd als hij zijn eigen werk niet meer kan ver¬richten, of een dermate verminderde arbeidsprestatie kan leveren dat terugkeer slechts mogelijk is met behulp van een voorziening. De uitvoeringsorganisatie beoordeelt de vraag of iemand arbeidsgehandicapt is. De arbodienst adviseert (cursivering door de rechtbank) over de vraag of dit het geval is. Uit de wetsgeschiedenis (TK 1996-1997, 24 478, nr. 3, pag. 31) blijkt voorts dat een persoon alleen als arbeidsgehandicapte beschouwd wordt als hij dat zelf wil, indien en voor zover het hemzelf goed uitkomt bij het vinden van werk. Een (potentiële) werkgever kan alleen aanspraak maken op bepaalde voorzieningen, die verband houden met de arbeidsgehandicaptenstatus, voor zover de betrokkene zelf een beroep daarop doet. De status mag nooit zonder de toestemming van de betrokkene door de uitvoerings¬organisatie (UWV, gemeente) aan derden worden medegedeeld.
De rechtbank merkt op dat niet is gebleken dat ten tijde van de hervatting door de betrokken werknemer noch door eiseres een verzoek is gericht tot verweerder om te beoordelen of er sprake is van een arbeidshandicap. De wetgeving staat aan een dergelijk verzoek niet in de weg. De rechtbank stelt vast dat thans in wezen een verzoek van eiseres voorligt tot vast¬stelling van de arbeidsgehandicaptenstatus.
De vraag of iemand arbeidsgehandicapt is op een bepaalde datum is een medisch arbeids¬kundige beoordeling.
Verweerder heeft op basis van de beschikbare (medisch/arbeidskundige) gegevens de aan¬vragen door een arbeidsdeskundige, de heer H. Schrijen, laten beoordelen. Hoewel de recht¬bank twijfels heeft bij de indringendheid van dit onderzoek, nu er slechts sprake is van een gespreksverslag d.d. 14 mei 2007 en er geen sprake is van een (andere) onderzoeksrappor¬tage, en op grond van dit gespreksverslag een nauwelijks onderbouwd standpunt is inge¬nomen, is zij van oordeel dat verweerder, gelet op het tijdsverloop tussen de te beoordelen datum, de aanvraag en de uiteindelijke beoordeling en gelet op het feit dat van de kant van eiseres het standpunt niet nader met stukken of anderszins is onderbouwd in de loop van de procedure, voldoende zorgvuldig te werk is gegaan. Het feit dat gemachtigde van eiseres niet bij het onderzoek is betrokken maakt deze conclusie niet anders, nu Schrijen heeft mogen vertrouwen op het feit dat hij met het bevoegd gezag heeft gesproken, nu door zijn gespreks¬partners niet een voorbehoud is gemaakt.
Gelet op de bovenaangehaalde memorie van toelichting in het licht van het bovengeschetste tijdsverloop was verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden ambtshalve nader onderzoek te verrichten. Het niet (meer) of niet volledig beschikbaar zijn van medische en/of arbeidskundige informatie van de arbo-dienst evenals ten tijde van het onderzoek van Schrijen ingenomen standpunten komen derhalve voor risico en rekening van de aanvrager.
Gelet op bovenaangehaalde passages uit de memorie van toelichting, de in het dossier beschikbare gegevens van de arbo-dienst en de inbreng van de zijde van eiseres, is de recht¬bank van oordeel dat verweerder op de aanvragen betreffende [betrokkene B], [betrokkene C], [betrokkene D], en [betrokkene E] terecht heeft geconcludeerd en voldoende heeft gemotiveerd dat er op datum van hervatten geen sprake was van een arbeidsgehandicapte medewerker.
De door eiseres aangevoerde stellingen dat betrokkene – kort samengevat – nooit helemaal is hersteld ([betrokkene B]), betrokkenes arbeidshandicap is geformaliseerd door de toekenning van een WAO-uitkering ([betrokkene C]), dat de inspanningen van eiseres niet worden beloond door een (te) formele uitleg ([betrokkene D]), en de bedrijfsarts betrokkene beperkt acht de eigen functie uit te oefenen ([betrokkene E]), worden ofwel niet met argumenten of documenten onderbouwd of ondersteund, zodat zij verweerder niet nopen tot een ander oordeel, ofwel zij kunnen geen doel (meer) treffen, omdat het eerder door de rechtbank ingenomen standpunt in hoger beroep niet is aangevochten, zodat uitgegaan moet worden van de juistheid van dat oordeel.
Omdat er sprake is van cumulatieve criteria in artikel 16 Wet REA (oud) komt verweerder in deze zaken dan ook niet toe aan een standpunt over de vraag of er sprake is van andere arbeid.
De bovengenoemde beroepen 07 / 1470, 07 / 1471, 07 / 1472 en 07 / 1474 moeten op grond van bovenstaande overwegingen voor ongegrond worden gehouden.
In de zaak over de aanvraag betreffende [betrokkene A] velt verweerder eveneens een oordeel over de arbeidsgehandicaptenstatus van betrokkene per datum hervatten; in casu 18 september 2000. De rechtbank constateert met eiseres dat verweerder hiermee weliswaar uitvoering geeft aan de uitspraak van 29 november 2006, maar voorbijgaat aan de aanvraag waarin uitdrukkelijk 4 november 2001 wordt genoemd, de datum waarop betrokkene wordt aangesteld in de functie van medewerker basispolitiezorg met een arbeidstijd van 12 uren. De rechtbank stelt vast dat op grond van de stukken betrokkene op dat moment de gehandicaptenstatus van rechtswege bezat, omdat er per 2 november 2000 sprake was van gedeeltelijke arbeidsonge¬schiktheid, zodat verweerder zich zal moeten uitlaten over de vraag of op 4 november 2001 aan de voorwaarden is voldaan voor de toekenning van een herplaatsingsbudget.
De rechtbank is van oordeel dat nu verweerder heeft nagelaten een standpunt te bepalen op grond van de aanvraag, het beroep 07 / 1469 voor gegrond moet worden gehouden, omdat de bestreden beslissing van 6 augustus 2007 in strijd is met de artikel 3:2 en 7:11 van de Awb. Het besluit komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.
De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep 07 / 1469 bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.
Ten aanzien van de tweede groep beroepen overweegt de rechtbank als volgt.
In de aanvragen heeft eiseres verwezen naar de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 29 september 2003 waarin een wordt geoordeeld dat een beperkte uitleg aan het begrip andere arbeid als bedoeld in artikel 16 wet REA (oud) zich moeilijk laat verenigen met de doel¬stellingen van de wetgever, zoals geformuleerd in de considerans op de Wet REA, een krachtige impuls te geven aan de integratie en reïntegratie van arbeidsgehandicapten en waarin wordt geoordeeld in het voorliggende geval dat een vermindering van het aantal uren andere arbeid oplevert.
In haar uitspraken van 29 november 2006 heeft de rechtbank geoordeeld dat een urenreductie in bepaalde gevallen onder voorwaarden mogelijk kan worden gekenmerkt als een relevant verschil.
Thans wenst de rechtbank daar nog het volgende aan toe te voegen. Uit de wetgeschiedenis (TK 1996-1997, 25 478, nr. 3, pag. 48-49) blijkt dat voor het toekennen van een her¬plaatsingsbudget de relatie dient te worden gelegd tussen de andere arbeid en de meerkosten en risico’s voor de werkgever, die met een (geslaagd) reïntegratietraject gepaard gaan. In die extra inspanning ligt de ratio van een herplaatsingsbudget. Uit de memorie van toelichting blijkt voorts dat de arbo-dienst van de betrokken werkgever onderbouwt dat de betrokken werknemer alleen in andere arbeid weer bij de werkgever kan hervatten, waarbij aan het uitvoeringsorgaan een marginale toets toekomt.
De vraag of sprake is van andere arbeid is een medisch arbeidskundige beoordeling. Dit vraagstuk dient blijkens de uitspraken van 29 november 2006 naar het oordeel van de rechtbank te worden benaderd vanuit de belasting- en belastbaarheidsoptiek, waarbij de beoordeling mede dient te geschieden aan de hand van de functiebeschrijving dan wel aan de hand van de feitelijke werkzaamheden of anderszins.
Verweerder heeft arbeidsdeskundige Schrijen laten beoordelen of er sprake is van andere arbeid. Gelet op de marginale toets, als beschreven in de memorie van toelichting, in het licht van het reeds eerder geschetst tijdsverloop tussen aanvraag en beoordeling en gelet op de in de dossiers aanwezige stukken van de arbo-dienst is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende zorgvuldig heeft gehandeld door aanvullend te spreken met het bevoegd gezag over de inhoud van de door de betrokken uitgeoefende functies en feitelijke werkzaamheden in het kader van hun reïntegratie.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op de aanvragen betreffende [betrokkene I], [betrokkene F], [betrokkene G] en [betrokkene H] terecht heeft geconcludeerd en voldoende heeft gemotiveerd dat er op datum van hervatten geen sprake was van andere arbeid. De rechtbank constateert dat er van de zijde van eiseres in beroep in wezen niets meer en niets minder wordt gesteld dat de betrokken personen wel andere arbeid zijn gaan verrichtten. De rechtbank is van oordeel dat wel wordt gesteld, maar dat niet met argumenten of documenten wordt onderbouwd waarin de gereduceerde functie beter bij de belasting- en belastbaarheid past.
De rechtbank constateert voorts dat de door eiseres ter zitting aangevoerde stelling dat ten aanzien van de betrokken extra inspanningen zijn verricht in het kader van begeleiding en planning niet met verifieerbare stukken of verklaringen is onderbouwd, zodat zij van oordeel is dat daaraan niet de waarde kan worden gehecht die eiseres daaraan wenst te hechten.
Het niet (meer) of niet volledig beschikbaar zijn van medische en/of arbeidskundige infor¬matie van de arbo-dienst evenals ten tijde van het onderzoek van Schrijen ingenomen standpunten komen ook in deze kwestie voor risico en rekening van de aanvrager.
Het argument dat verweerder in de zaak [betrokkene I] de termijn van een jaar negatief uitlegt, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank kan immers niet om het feit heen dat [betrokkene I], na een geleidelijke opbouw van de uren, binnen een jaar weer werkzaam is in het aantal uren van de aanstellingsomvang.
De beroepen 07 / 1473, 07 / 1475, 07 / 1476 en 07 / 1477 moeten op grond van bovenstaande overwegingen voor ongegrond worden gehouden.
Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.
3. Beslissing
De rechtbank:
1.verklaart het beroep met registratienummer 07 / 1469 gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 6 augustus 2007 en draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;
2.bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
3.veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres;
4.verklaart de beroepen met de registratienummers 07 / 1470 tot en met 07 / 1477 ongegrond.
Aldus gedaan door P.J.M. Bruijnzeels in tegenwoordigheid van E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2008.
w.g. E. van Binnebeke w.g. P.J.M. Bruijnzeels
Voor eensluidend afschrift,
de griffier,
Verzonden: 16 september 2008
Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.
Bij een spoedeisend belang kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, ook de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verzoeken een voorlopige voorziening te treffen.