Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0829

Datum uitspraak2008-07-02
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers18035
Statusgepubliceerd


Indicatie

Burenruzie, oogletsel, schade tengevolge van verminderde verdiencapaciteit?


Uitspraak

vonnis RECHTBANK AMSTERDAM Sector civiel recht zaaknummer / rolnummer: 18035 / H 92.0779 Vonnis van 2 juli 2008 in de zaak van 1. aanvankelijk A, thans de Erven van A, 2. B, wonende te, e i s e r s in conventie bij dagvaarding van 5 maart 1992, v e r w e e r d e r s in reconventie, procureur: eerst mr. A. Moszkowicz, daarna mr. R.V. de Lauwere, thans mr. A.M. Willenborg, tegen: 1. C, 2. C alsmede D in de hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de (ten tijde van de dagvaarding) minderjarige E, 3. F, 4. G, allen wonende te, g e d a a g d e n in conventie, e i s e r s in reconventie, procureur: eerst mr. A.A.M. Hesseling van gedaagden 1, 2 en 4 en mr. M. Schaatsbergen voor gedaagde 3, vervolgens mr. R.M. Vessies en thans mr. B. Meijer voor alle gedaagden. Partijen worden hierna A c.s. en C c.s., of indien eisers in conventie, verweerders in reconventie of gedaagden in conventie/eisers in reconventie afzonderlijk worden bedoeld, A, B, C, F, E en G genoemd. Vanaf dit vonnis zal, gelet op de aangekondigde beslissing op de vordering gericht tegen E in het vonnis van 7 juni 2006, met C c.s. nog slechts C, F en G worden bedoeld. Verder verloop van de procedure in conventie en in reconventie. Voor het eerdere procesverloop verwijst de rechtbank naar het vonnis van 7 juni 2006. Van de daarin gelaste comparitie van partijen is proces-verbaal opgemaakt, ook houdende tussenvonnis van 19 oktober 2006 op de voet van artikel 232 lid 2 onder a WBRv. Bij dat vonnis is een onderzoek door een deskundige gelast. Het deskundigenbericht is op 2 oktober 2007 door de rechtbank ontvangen. A c.s. heeft op 30 januari 2008 een conclusie na deskundigenbericht – met een productie – genomen, waarin tevens is bericht dat A, oorspronkelijk eiseres sub 1, op 15 oktober 2007 is overleden, waarna de procedure is geschorst. Bij akte van 27 februari 2008 hebben de erven van A bericht dat zij de vordering overnemen, waarna de procedure is hervat. C c.s. en E hebben vervolgens eveneens een conclusie na deskundigenbericht met producties genomen, waarop A c.s. met een akte uitlating producties heeft gereageerd. Vervolgens is vonnis bepaald. Verdere beoordeling in conventie en in reconventie 1.1. De rechtbank houdt zich aan voormeld vonnis van 7 juni 2006 en aan het vonnis van 19 oktober 2006. 1.2. Het door de deskundige, prof. Dr. H, uitgebracht bericht wordt in kopie aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Nadat op grond van eerdere beslissingen (onder meer) is komen vast te staan, dat C (samengevat), op 5 april 1991 B op het rechteroog heeft geslagen en tevens vaststaat dat in de dagen daarna schade aan het netvlies van dat oog is ontstaan resulterend in netvliesloslating, die op 16 april 1991 een ablatioprocedure door middel van het plaatsen van een plombe aan het rechteroog noodzakelijk maakte, dient thans eerst, nu C c.s. het oorzakelijk verband tussen de klap op het oog op 5 april 1991 en de netvliesloslating bestrijdt, de vraag te worden beantwoord of er causaal verband bestaat tussen die klap en die netvliesloslating. 2.1. Met C c.s. is de rechtbank van oordeel dat niet geheel kan worden uitgesloten dat de netvliesloslating ook aan B had kunnen overkomen zonder het ongeval, zoals veel kwalen in de loop van een leven iemand kunnen treffen. Zo kan ook niet geheel worden uitgesloten dat B op een later moment in haar leven nog eens van iemand een klap op haar oog zou krijgen met schade aan het netvlies tot gevolg. Die door C c.s. bedoelde kans leidt echter niet tot het oordeel dat reeds daardoor het causaal verband tussen de klap op het rechteroog op 5 april 1991 en de netvliesloslating in de dagen daarna niet kan worden vastgesteld. Blijkens de rapportage van de deskundige H, daarin gesteund door de door C c.s. naar aanleiding van diens tussenrapportage geraadpleegde oogarts prof. Dr. I, is de kans op netvliesloslating in de gemiddelde bevolking uiterst klein, namelijk jaarlijks 1 op de 10.000 mensen. Weliswaar heeft I daaraan toegevoegd dat zijns inziens de kans op netvliesloslating voor B als hoog bijziend iemand aanzienlijk groter was, namelijk 5%, doch deze conclusie van I wordt door H in een reactie op die opmerking als onvoldoende op betrouwbare gegevens gefundeerd niet gedeeld. Bovendien verklaart I dat hij met H eens is dat er een relatie lijkt te liggen tussen de netvliesloslating met grote scheur negen dagen na het voorval, waarmee hij de klap op het rechteroog bedoelt, zodat kan worden vastgesteld dat beide deskundigen, zonder de kleine kans van een andere oorzaak geheel te kunnen uitsluiten, causaal verband zien tussen de klap en de netvliesloslating. Aangezien C c.s. behalve de hiervoor bedoelde zeer geringe kans op spontane netvliesloslating, geen andere oorzaak voor de netvliesloslating heeft aangevoerd en bewijs daarvan heeft aangeboden, en de kans op netvliesloslating in een korte periode van negen dagen of minder voor de gemiddelde mens nog beduidend lager ligt dan 1 op 10.000 incidenties over een heel jaar, moet de conclusie zijn dat de netvliesloslating van het rechteroog van B het gevolg is van de klap die C op 5 april 1991 op dat oog heeft gegeven. Dat B mogelijk, zoals ook ieder van C c.s. zou kunnen overkomen, op enig later moment in haar leven een netvliesloslating zou kunnen ondervinden, doet aan die constatering geen afbreuk en heeft ook geen betekenis voor de vaststelling van haar eventuele arbeidsongeschiktheid en daaruit voortvloeiende schade. Ook indien zou komen vast te staan dat B tengevolge van haar op 5 april 1991 bestaande constitutie meer risico liep dan een ander dat tengevolge van een klap op het oog haar netvlies zou loslaten, maakt dit geen verschil voor de omvang van de aansprakelijkheid van C’s c.s. voor de daardoor door haar ondervonden schade, omdat C’s, als pleger van een onrechtmatige daad, het risico heeft aanvaard dat de gevolgen van een klap op het oog van B ernstiger zouden kunnen zijn dan gemiddeld te verwachten. Slechts onder bijzondere omstandigheden, die in dit geval niet zijn gesteld, kan zich het geval voordoen dat een letselschade tengevolge van een onrechtmatige daad zodanig onvoorzienbaar is dat die schade om die reden aan de pleger daarvan niet kan worden toegerekend. 2.2. Met de vaststelling van het causaal verband tussen de klap op het rechteroog van B en de loslating van het netvlies van dat oog staat ook de aansprakelijkheid van C c.s. voor de daaruit voor B geleden en nog te lijden schade vast. C c.s. heeft onrechtmatig gehandeld en dient de schade van B tengevolge van die netvliesloslating te vergoeden. Van eigen schuld van A c.s. op grond waarvan zij (een deel van) de schade zelf zou moeten dragen is, anders dan door C c.s. betoogd, geen sprake. Ook al kan C c.s. zich gehinderd hebben gevoeld door gedragingen van B en haar gezin als buren, de daardoor bij C opgeroepen ergernis kan niet leiden tot het oordeel dat A c.s. debet is aan een deel van de door C c.s. door het incident op 5 april 1991 veroorzaakte schade. C c.s. is de woning van A c.s. binnengedrongen en heeft zich daar misdragen, terwijl hij daar niets te zoeken had. 3. Zoals ook reeds besproken tijdens de comparitie van partijen op 7 september 2006 dient, met inachtneming van hetgeen het Hof in deze zaak in eerder genoemd arrest onder 4.10 heeft overwogen, thans te worden vastgesteld of en in hoeverre de verdiencapaciteit van B tengevolge van de netvliesloslating is verminderd. Daartoe zal, zoals ook het Hof heeft overwogen een onderzoek door één of meer deskundigen noodzakelijk zijn, waarbij als maatstaf dient het (eventuele) verschil in verdiencapaciteit in de situatie met het voorval en de hypothetische situatie zonder voorval, de aard en letsel, veroorzaakt door het voorval in aanmerking genomen. In dit verband is nog het volgende van belang. 3.1. Voorafgaand aan het voorval van 5 april 1991 leed B aan een volgens de AMA-guides to the Evaluation of Permanent Impairment berekende beperking van het gezichtsvermogen van 27,5%. Partijen zijn het daarover eens. Na het ongeval is de visus van het rechteroog blijkens het deskundigenbericht van H gedaald tot 1/60. H is voor de visus van het linkeroog uitgegaan van de toestand zoals deze ten tijde van het ongeval bestond en heeft een verbetering van de visus van dat oog als gevolg van een operatieve ingreep na 5 april 1991 die geen (rechtstreeks) verband hield met de netvliesloslating van het rechteroog voor de berekening van de toename van de beperking van het gezichtsvermogen tengevolge van het ongeval buiten beschouwing gelaten. Volgens H is de beperking van het gezichtsvermogen van B sinds 5 april 1991 toegenomen tot 90,2% en is met inachtneming van de uitgangspunten van de AMA gids de invaliditeit van de gehele persoon toegenomen van 27,5% voor het ongeval tot 74% na het ongeval. C c.s., in navolging van I, betoogt dat wel met verbetering van de visus van het linkeroog rekening moet worden gehouden. In dat geval is de beperking van het gezichtsvermogen volgens de berekening van I 59% en is de invaliditeit van de gehele persoon toegenomen tot 56,3%. 3.2. Partijen strijden niet over de berekeningen van I en H, zodat de rechtbank van de juistheid van die berekeningen uitgaat. 3.3. De vraag die moet worden beantwoord is of voor de berekening van de schade rekening moet worden gehouden met de verbetering van het linkeroog, ook al heeft die verbetering geen verband met de schade aan het rechteroog. 3.4. In een geval als dit moet zoveel als mogelijk de werkelijke schade worden vastgesteld. Voor zover de verminderde verdiencapaciteit van B moet worden berekend, dient, nu door het tijdsverloop meer bekend is over de gezondheid van B, meer in het bijzonder over haar gezichtsvermogen, ook rekening te worden gehouden met verbetering daarvan, ook indien die verbetering geen relatie heeft met de beschadiging die zij aan het rechteroog heeft opgelopen. Indien de verdiencapaciteit op grond van verbeterd gezichtsvermogen thans, althans op enig moment na 5 april 1991 op een bepaald niveau uitkomt, is niet aanvaardbaar dat die verdiencapaciteit voor de berekening van de schade desondanks op een lager niveau wordt vastgesteld. B zou in dat geval immers schade vergoed krijgen die zij niet (meer) lijdt. 3.5. Het voorgaande betekent dat de rechtbank aan de te benoemen deskundige(n) die met het onderzoek naar de achteruitgang van de verdiencapaciteit zal/zullen worden belast als uitgangspunt zal meegeven dat voorafgaand aan het voorval op 5 april 1991 berekend volgens de AMA gids de invaliditeit van de gehele mens B tengevolge van beperking van het gezichtsvermogen 27,5% was en dat thans de invaliditeit tengevolge van verminderd gezichtsvermogen van de gehele persoon B 56,3% is. 4. Voordat de rechtbank tot benoeming van één of meer (arbeids)deskundigen zal overgaan zal zij partijen in de gelegenheid stellen voorstellen te doen over de persoon of personen van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) te stellen vragen. Een en ander zal worden besproken op de hierna te gelasten comparitie van partijen, waar de rechtbank (wederom) ook zal proberen partijen te verenigen. Uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan die comparitie dienen partijen, ieder voor zich, aan de rechtbank schriftelijk opgave te doen van hun voorstellen dienaangaande. B dient daarbij, overzichtelijk bijeengebracht, bewijsstukken in geding te brengen omtrent haar eigen inkomen in de twee jaren voorafgaand aan het ongeval op 5 april 1991. Het heeft de voorkeur dat dit gebeurt in de vorm van belastingaangiften uit die jaren dan wel bewijs van ontvangen loon afkomstig van een werkgever uit die tijd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de verklaring van accountant J van 20 december 1996, doch acht de daarin verstrekte gegevens met betrekking tot de meewerkaftrek ten behoeve van de praktijkvoering door de echtgenoot van B vooralsnog niet voldoende om als uitgangspunt te nemen voor de vaststelling van het inkomen van B op 5 april 1991. 4.1. Blijkens de memorie van grieven in het eerder genoemde hoger beroep, herhaald in de akte uitlating producties van 9 april 2008, beperkt B haar vordering uit verminderde verdiencapaciteit tot de periode eindigende op 31 december 1998, omdat zij met ingang van 1999 inkomsten als zelfstandig ondernemer heeft verworven als directeur grootaandeelhouder van Medisch Centrum Boerhaave. De rechtbank heeft daarom ook behoefte aan bewijs van inkomsten (of voor zover mogelijk: bewijs van geen inkomsten) over de periode vanaf 5 april 1991. Dit kan eveneens worden ingebracht door overlegging van belastingaangiften uit die periode. De rechtbank beseft dat bewijs van geen inkomen anders dan door belastingaangiften niet eenvoudig zal zijn te leveren, zodat, indien geen belastingaangiften beschikbaar zijn, kan worden volstaan met de mededeling daarvan, waarna, mocht het nodig zijn, C’s c.s. in de gelegenheid zal worden gesteld te bewijzen dat B in de betreffende periode wel inkomsten uit arbeid heeft genoten. 4.2. Voor zover partijen de rechtbank geen of geen toereikende suggesties voorstellen over de aan de deskundige te stellen vragen overweegt de rechtbank de volgende vragen aan de arbeidsdeskundige(n) voor te leggen: 1. Betekenen de visusbeperkingen, zoals deze zijn beschreven in het rapport van H, dat B arbeidsdeskundig gezien beperkingen ondervindt bij het verrichten van loonvormende arbeid, huishoudelijk werk en/of andere werkzaamheden? 2. Was B als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid vanaf 5 april 1991 geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt te achten voor het eigen beroep dat zij op 5 april 1991 uitoefende en zo ja, voor welk percentage? 3. Heeft deze arbeidsongeschiktheid onverminderd of onvermeerderd voortgeduurd tot 1 januari 1999? Indien er wijzigingen zijn opgetreden in de periode, vanaf wanneer en in welke mate? 4. Indien B per 5 april 1991 geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is voor het eigen beroep: was zij wel geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt te achten voor ander passend werk, rekening houdende met de beperkingen, het opleidings- en arbeidsverleden van B en de belangstelling van B? Zo ja: a. hoeveel uur per week zou B in de periode 5 april 1991 tot 1 januari 1999 met deze arbeid belast kunnen worden? b. welk bruto-inkomen zou B met deze arbeid in die periode hebben kunnen verdienen? c. welke opleidingen zou B eventueel hebben moeten volgen, hoe lang duren deze opleidingen en welke kosten zijn daaraan verbonden? d. hoe groot waren indertijd de kansen van B op de arbeidsmarkt voor dit soort werk bij bedrijven/instellingen in haar omgeving? 5. Hoe groot is de behoefte aan huishoudelijke hulp per week als gevolg van de eventuele beperkingen bij het verrichten van huishoudelijk werk? Toelichting: het gaat bij deze vraag om de toegenomen behoefte aan huishoudelijke hulp na het voorval op 5 april 1991, waarbij ervan wordt uitgegaan dat gelet op de maatschappelijke status van B en de samenstelling van haar gezin op 5 april 1991 huishoudelijke hulp voor 8 uur per week zonder voornoemd voorval gebruikelijk is. 6. Valt in redelijk¬heid aan te nemen dat de eventuele behoefte aan huishoudelij¬ke hulp sedert 5 april 1991 in de loop der tijd zou afnemen (bijvoorbeeld nadat de kinderen van B het huis verlaten hebben en/of haar echtgenoot gepensioneerd is) en zo ja, in welke mate en vanaf welk moment? 7. Hoe groot is de behoefte aan hulp bij het verrichten van andere werkzaamheden als gevolg van de eventuele andere beperkingen? 8. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn? Beslissing De rechtbank: - gelast partijen in persoon, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen voor mr. J.A.J. Peeters of diens eventuele vervanger, lid van de rechtbank tot het in rechtsoverweging 4 hiervoor aangegeven doel en onder voldoening aan de daarin gegeven opdrachten; - bepaalt dat deze comparitie van partijen zal plaatsvinden op 6 augustus 2008 van 15.00 uur tot uiterlijk 17.00 uur in het gebouw van deze rechtbank, Parnassusweg 220-228 te Amsterdam; in conventie en in reconventie - houdt iedere verdere beslissing aan. Gewezen door mr. J.A.J. Peeters, lid van de rechtbank, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2008, in aanwezigheid van de griffier.