Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0825

Datum uitspraak2008-09-05
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5424 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Is de wijze van berekening van mate arbeidsongeschiktheid onjuist beoordeeld? Bij schatting uitgaan van functieselectie met hoogste resterende verdiencapaciteit per uur.


Uitspraak

06/5424 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2006, 05/1748 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: [Naam betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene) en appellant. Datum uitspraak: 5 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. J.L. Aarts, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond te Utrecht heeft namens betrokkene een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2008. Appellant was vertegenwoordigd door mr. R. Sowka. Betrokkene en haar gemachtigde zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is in 2001 uitgevallen voor haar werk als lerares basisonderwijs vanwege knieklachten. Ingaande 13 september 2002 is haar een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Bij besluit van 17 maart 2005 heeft appellant deze uitkering ingaande 19 mei 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit op bezwaar van 16 juni 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft appellant de bezwaren van betrokkene gericht tegen het besluit van 17 maart 2005 ongegrond verklaard. 2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat zij zich kan vinden in de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft de functies medisch passend en voldoende toegelicht geacht. Omdat de vereiste motivering en toelichting eerst na het bestreden besluit is gegeven, is het bestreden besluit onder verwijzing naar de uitspraken van 9 november 2004 van de Raad (o.a. LJN: AR4716) vernietigd. 2.2. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten nu de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid naar haar oordeel op onjuiste wijze is geschied. De rechtbank heeft de mate van arbeidsongeschiktheid zelf berekend op 55,34% (klasse 55 tot 65) en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is bepaald. Tevens heeft de rechtbank beslissingen gegeven ter zake het griffierecht en de proceskosten. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de rapportage van 5 september 2006 van bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers, aangevoerd dat de rechtbank bij het herschikken van de functies, nadat één van de geduide functies was komen te vervallen, voor de volgorde ten onrechte de loonwaarden van de functies bepalend heeft geacht. Het gaat er om die functies te selecteren waarmee de hoogst mogelijke verdiencapaciteit kan worden gerealiseerd. 3.2. Namens betrokkene is het oordeel van de rechtbank onderschreven en is gewezen op (de bijlage bij) het Besluit uurloonschatting 1999 waaruit volgt dat de uitkomst van de berekening door de rechtbank juist is. 4.1. Gelet op hetgeen partijen hebben aangevoerd staat in dit geding de vraag ter beantwoording of de rechtbank terecht de wijze van berekening door appellant van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene als onjuist heeft beoordeeld en deswege terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit niet in stand heeft gelaten. 4.2. Naar het oordeel van de Raad dwingt het Schattingbesluit, zoals dat ten aanzien van betrokkene van toepassing was, tot een selectie van functies die, zonodig met verdiscontering van de reductiefactor, resulteert in een zo groot mogelijke resterende verdiencapaciteit per uur. De Raad verwijst hier naar zijn uitspraak van 3 februari 2004 (LJN: AO5192). 4.3. Het Besluit uurloonschatting 1999 dwingt, mede in het licht van het bovenstaande, niet tot een andere uitkomst omdat, conform stap 1 van dit Besluit, binnen elke Sbc-code minimaal één functie is geduid met een urenomvang gelijk of groter dan de maatmanomvang, terwijl voorts de door appellant bij de schatting in aanmerking genomen functies de hoogste theoretische verdiencapaciteit opleveren. 4.4. De Raad concludeert dan ook dat appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op juiste wijze heeft vastgesteld zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij bepaald is dat appellant een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin is beslist dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 september 2008. (get.) J.W. Schuttel. (get.) M. Lochs. RB