Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0817

Datum uitspraak2008-08-21
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsGroningen
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 07/45882
Statusgepubliceerd


Indicatie

Amv / Weigering voortgezet verblijf / 8 EVRM en 3:52 Vb / Privé leven / betekenis pedagogisch rapport
Eiser is afkomstig uit Mongolië en heeft sinds 2001 – vanaf zijn tiende levensjaar – op basis van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) in Nederland verbleven. De aanvraag om wijziging en verlenging van de vergunning is door verweerder geweigerd. Eiser voert hiertegen onder meer aan dat hij reeds zes jaar in een Nederlands pleeggezin woont, hier is geïntegreerd en een opleiding volgt. Ten eerste overweegt de rechtbank dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS), zie de uitspraak van 29 april 2005, LJN: AT5486, nr. 200501033/1, blijkt dat bij de beoordeling van omstandigheden in het kader van artikel 3.52 Vb 2000 tevens artikel 8 EVRM aan de orde kan worden gesteld. De rechtbank is voorts van oordeel dat de weigering eiser de gevraagde vergunning te verlenen, moet worden aangemerkt als een inmenging op het recht op privéleven. De stelling van verweerder dat niet is gebleken van zeer langdurig rechtmatig verblijf en diepe worteling in Nederland, behoeft in die zin nuancering dat eiser wel gedurende de voor zijn ontwikkeling vormende levensjaren – vanaf zijn tiende tot en met zijn zestiende – in Nederland heeft gewoond. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001, JV 2001/103 (Bensaid), waarin onder meer is geoordeeld dat het recht op persoonlijke ontwikkeling een onderdeel vormt van het recht op privéleven. Voorts heeft eiser gedurende de beroepsfase inzake het eerdere (ingetrokken) besluit op bezwaar van 28 februari 2007 een pedagogisch rapport ingebracht. Dit rapport, getiteld “De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet” van dr. M.E. Kalverboer en drs. A.E. Zijlstra van april 2006, ondersteunt de stelling van eiser dat door de weigering hem een vergunning voortgezet verblijf te verlenen, zijn geestelijke gezondheid wordt geschaad. In het rapport staat dat gedwongen uitzetting van kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die vijf jaar in Nederland hebben verbleven vrijwel nooit acceptabel is, gelet op de grote kans op psychische en psychologische schade in verband met gedwongen vertrek uit Nederland. Nu verweerder niet is ingegaan op het aangehaalde rapport en ook anderszins het risico op schade aan de geestelijke gezondheid van eiser niet heeft betrokken in de afweging of de inmenging van het recht op respect van zijn privéleven is gerechtvaardigd, is het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Dit klemt te meer, nu verweerder de lange duur van het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland, welke mede is veroorzaakt door de trage besluitvorming van verweerder – hetgeen in het bijzonder pregnant is nu het hier gaat om een minderjarige die zich in de vormende jaren van zijn leven bevindt – onvoldoende bij voornoemde belangenafweging heeft betrokken. Beroep gegrond.


Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE Nevenzittingsplaats Groningen Vreemdelingenkamer Zaaknummer: Awb 07/45882 Uitspraak in het geschil tussen: [eiser], wettelijk vertegenwoordigd door zijn voogd, [voogd], geboren op [gebooortedatum] mei 1991, van Mongolische nationaliteit, V-nummer: 010.503.7089 eiser, gemachtigde: mr. T.H.G. Schuringa, advocaat te Groningen, en DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE, (Immigratie-en Naturalisatiedienst), te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr. E.J.H.J. van Roosmalen, ambtenaar ten departemente. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Op 10 september 2004 heeft eiser een aanvraag ingediend om wijziging van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking “alleenstaande minderjarige vreemdeling” in de beperking “voortgezet verblijf” en die vergunning te verlengen. Verweerder heeft bij besluit van 21 januari 2005 afwijzend op de aanvraag beslist. 1.2. Bij beroepschrift van 6 december 2007 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 21 januari 2005. Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 21 december 2007. 1.3. Bij brief van 17 januari 2008 heeft de rechtbank aan gemachtigde van eiser bericht dat het beroepschrift van 6 december 2007 ingevolge artikel 6:20, vierde lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van 21 december 2007. Bij brief van 5 februari 2008 zijn de gronden van het beroep aangevuld. 1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser toegezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.5. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 20 juni 2008. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen eisers wettelijke vertegenwoordiger, mevrouw [voogd]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. 1.6. Het onderzoek is ter zitting geschorst. Aan verweerder zijn nadere vragen gesteld. Bij brief van 25 juni 2008 heeft verweerder deze vragen beantwoord. Bij brief van 3 juli 2008 heeft eiser daarop gereageerd. Bij brieven van 6 augustus 2008 en 20 augustus 2008 hebben partijen de rechtbank toestemming gegeven dat uitspraak wordt gedaan zonder dat behandeling ter nadere zitting plaatsvindt. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten. 2. Rechtsoverwegingen Feiten en standpunten van partijen 2.1. Op 17 juni 2001 heeft eiser zich in Nederland gemeld. Aan hem is vanaf 29 oktober 2001 een verblijfsvergunning regulier verleend onder de beperking alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). Deze vergunning was geldig tot 29 oktober 2004. 2.2. Verweerder heeft de aanvraag om wijziging en verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen omdat gebleken is dat eiser niet langer aan de voorwaarden voldoet ten aanzien van verblijf in Nederland als amv, zoals gesteld in artikel 3.51, eerste lid, onder c, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Daartoe is verwezen naar het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2004/30 waarin staat dat adequate opvang voor eiser voorhanden is in het land van herkomst. Dit TBV is gebaseerd op het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van november 2003. In Mongolië zijn opvanghuizen aanwezig waarvan de kwaliteit, gemeten naar lokale maatstaven, acceptabel te noemen is. De stelling van de pleegvader van eiser, dat opvang slechts door christelijke missionarissen geschiedt, wordt niet gevolgd door verweerder. Voorts kunnen de argumenten dat eiser een opleiding in Nederland volgt, nauwelijks Mongolisch spreekt, in Nederland is geworteld, zeer jong uit Mongolië is vertrokken en door zijn broer alleen is gelaten, er niet toe leiden dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden in de zin van artikel 3.52 Vb 2000. Hieruit volgt niet dat eiser zodanig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving dat het van hem in redelijkheid niet kan worden gevergd dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst. Ondanks de stelling van gemachtigde van eiser, dat de insteek van het Nidos ten aanzien van eiser uitsluitend gericht was op integratie waarna hij op jonge leeftijd in een pleeggezin is geplaatst, geldt volgens het amv-beleid in paragraaf C2/7.2.2 Vc 2000 dat ook na verlening van de verblijfsvergunning het uitgangspunt moet zijn dat de vreemdeling in beginsel dient terug te keren naar het land van herkomst. De weigering om eiser verblijf hier te lande toe te staan, betekent evenmin een schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De stelling dat eiser familie- of gezinsleven met zijn pleegvader uitoefent is niet nader geconcretiseerd, nu niet door middel van enig authentiek document is onderbouwd dat eiser bij zijn pleegvader inwoont. Voorts stelt verweerder dat, voor zover er sprake mocht zijn van een inmenging, deze inmenging gerechtvaardigd wordt geacht in het belang van het economisch welzijn van Nederland. Het belang van een restrictief toelatingsbeleid weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van eiser, waarbij verweerder opmerkt dat de verblijfsvergunning op grond van het amv-beleid niet aan eiser is verstrekt met het doel om hier te lande gezinsleven te onderhouden met zijn pleegvader. Verweerder stelt voorts dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, nu het van de pleegouder van eiser in redelijkheid kan worden gevergd dat hij eiser volgt naar Mongolië dan wel een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan, indien zij gezinsleven beogen. Eiser verschilt ten aanzien van de minder gunstige sociaal-economische situatie in Mongolië niet van andere vreemdelingen aan wie om deze reden evenmin voortgezet verblijf wordt toegestaan. Ten aanzien van de stelling van eiser dat er sprake is van een schending van zijn privéleven, gelet op het bepaalde in artikel 8 EVRM, stelt verweerder dat, zelfs al zou er sprake zijn van een inmenging, deze inmenging gerechtvaardigd is in het belang van het economisch welzijn van Nederland. De omstandigheid dat eiser een opleiding tot automonteur volgt en hier te lande sociale banden is aangegaan, betekent geen schending van zijn recht op privéleven, mede gelet op de omstandigheid dat eiser wist dat aan hem slechts tijdelijk verblijf was toegestaan. Evenmin bestaat er, na afweging van alle betrokken belangen een positieve verplichting voor verweerder om aan eiser verblijf in Nederland toe te staan. 2.3. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de besluitvorming in zijn zaak zeer traag is verlopen – de initiële aanvraag van eiser dateert immers al van 10 september 2004 – zodat het bestreden besluit reeds om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser is op dit moment zestien jaar oud, zodat hij nog steeds behoort tot de vreemdelingen in de leeftijdscategorie waarvoor het amv-beleid geldt. Verweerder gaat er ten onrechte vanuit dat er adequate opvang voor eiser aanwezig is in Mongolië, waarbij eiser verwijst naar hetgeen zijn pleegvader hierover in het verslag van 19 april 2005 heeft vermeld. Nu eiser nog steeds voldoet aan de beperking verband houdend met voortgezet verblijf, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3.51 Vb 2000. Daarbij komt dat eiser reeds vanaf 17 juni 2001 in Nederland verbleef en dat zijn eerste aanvraag om een verblijfsvergunning wegens een hem niet toe te rekenen vergissing eerst op 29 oktober 2001 is aangevraagd. Eiser doet een beroep op het bepaalde in artikel 3.52 Vb 2000, aangezien hij voortgezet verblijf dient te verkrijgen in verband met klemmende redenen van humanitaire aard. Er is sprake van bijzondere individuele omstandigheden op basis waarvan niet van eiser gevergd kan worden dat hij terugkeert naar zijn land van herkomst. Eiser is nu bijna zes jaar woonachtig bij zijn pleegvader, Paul Kijlstra, hetgeen ten onrechte nauwelijks een rol in de besluitvorming van verweerder heeft gespeeld. Eiser is de Mongolische samenleving ontwend en is in de Nederlandse geworteld, waarbij van belang is dat hij op zeer jonge leeftijd naar Nederland is gekomen en hij door zijn broer is achtergelaten. Hij heeft zich met veel moeite gehecht aan zijn pleegvader en de Nederlandse samenleving, zodat het zeer onzorgvuldig zou zijn hem niet langer verblijf hier te lande toe te staan. Gemachtigde van eiser heeft een rapport bijgevoegd van dr. M.E. Kalverboer en drs. A.E. Zijlstra van april 2006 inzake “De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet.” Verweerder heeft dit rapport volgens eiser ten onrechte niet bij de besluitvorming in bezwaar betrokken. Voorts is in deze zaak van belang dat de bemoeienis van de voogden van Nidos in eerste instantie gericht was op integratie van eiser. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan niet gevergd kan worden dat eiser Nederland verlaat. Verweerder werpt ten onrechte aan eiser tegen dat niet is gebleken van familie- of gezinsleven met zijn pleegvader, nu dit niet met een authentiek document is onderbouwd, waarbij eiser aangeeft dat verweerder ook nimmer om een dergelijk document heeft gevraagd. Gemachtigde van eiser heeft voorts bij brief van 18 april 2008 uittreksels uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) overgelegd, waaruit blijkt dat eiser en zijn pleegvader nog steeds op hetzelfde adres wonen. Verweerder mag het voorgaande niet tegenwerpen in het kader van family life, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM, nu eiser er nooit mee is geconfronteerd en eiser bovendien niet in de gelegenheid is gesteld het familie- of gezinsleven nader te onderbouwen. Eiser kan zich vervolgens niet verenigen met de stelling van verweerder, dat eiser weliswaar met de aan hem verleende verblijfsvergunning een relatie met zijn pleegfamilie heeft kunnen opbouwen, maar dat vooraf voldoende duidelijk is geweest dat het om een relatie met een tijdelijk karakter zou gaan. Daarbij komt dat eisers hechting aan zijn pleegfamilie en de Nederlandse samenleving mede door de trage besluitvorming van verweerder groter is geworden. De suggestie van verweerder dat eiser met zijn pleegvader in Mongolië het gezinsleven kan uitoefenen wordt niet gevolgd door eiser. Verweerder had op dit punt meer informatie dienen te vergaren, mede gelet op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake Sen tegen Nederland, van 21 december 2001, JV 2002/30. Ter zake van eisers beroep op privéleven in de zin van artikel 8 EVRM stelt verweerder dat eiser geen langdurig verblijf in Nederland heeft gehad, noch diep is geworteld in de Nederlandse samenleving. Eiser stelt echter dat, in navolging van de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 2 mei 2006, Awb 05/23779 en 05/23780, hem geen rechtsregel bekend is die het recht op respect voor het privéleven als ook het gezinsleven op voornoemde wijze inperkt. Gelet op de definitie die in de uitspraak van het EHRM van 6 februari 2001, JV 2001/103, inzake Bensaid, wordt gegeven heeft verweerder gelet op de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden onvoldoende aandacht gehad voor eisers geestelijke gezondheid, welke momenteel gevaar loopt in verband met het mogelijk moeten verlaten van Nederland. Ingevolge het arrest van het EHRM van 18 oktober 2006, JV 2006/417 (Üner tegen Nederland), moet artikel 8 EVRM aldus worden uitgelegd dat het ook het recht beschermt om relaties met andere mensen te stichten en te ontwikkelen en dat het onder omstandigheden ook aspecten van iemands sociale identiteit kan omvatten. Niet is gebleken dat verweerder in het bestreden besluit een volledige belangenafweging heeft gemaakt in de zin van de hiervoor weergegeven uitleg door het EHRM. 2.4. In het verweerschrift heeft verweerder nog gesteld dat de duur van de besluitvorming wel degelijk is meegewogen, nu tevens de duur van eisers verblijf in Nederland is meegenomen in de besluitvorming. Ten aanzien van het in bezwaar overgelegde rapport van Kalverboer en Zijlstra, meent verweerder dat eiser, door het feit dat verweerder het stuk niet in de besluitvorming heeft betrokken, niet in zijn belangen is geschaad nu het om een niet nader geïndividualiseerd rapport gaat. Wettelijk kader 2.5. Een aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan op grond van artikel 18, onder f, Vw 2000, worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. De bijzondere voorwaarden, waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking verband houdende met het verblijfsdoel ‘voortgezet verblijf’ na het verblijfsdoel ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ wordt verleend, zijn nader uitgewerkt in de artikelen 3.51 en 3.52 Vb 2000 en in hoofdstuk C2/7 Vc 2000. 2.6. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, onder c, Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, onder een beperking, verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Ingevolge artikel 3.51, tweede lid, Vb 2000 kan de verblijfsvergunning worden verleend indien in de in het eerste lid bedoelde periode is voldaan voor de voorwaarden voor het verlengen van de geldigheidsduur van de oorspronkelijke verblijfsvergunning. 2.7. Volgens hoofdstuk C7/2 Vc 2000 moeten alleenstaande minderjarige vreemdelingen van wie de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is afgewezen, terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar zij redelijkerwijs naar toe kunnen gaan. Het kan echter voorkomen dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat aannemelijk is dat de minderjarige zich in het land van herkomst, of in een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, niet zelfstandig kan handhaven. In dat geval dient te worden beoordeeld of bij terugkeer aldaar voor de minderjarige naar plaatselijke maatstaven gemeten adequate opvang aanwezig is. Indien dat niet het geval is, kan de minderjarige in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling”. Ook na verlening van de verblijfsvergunning blijft het uitgangspunt dat de alleenstaande minderjarige vreemdeling in beginsel moet terugkeren. 2.8. Volgens paragraaf C7/4.3 Vc 2000 geldt als adequate opvang iedere opvang (ongeacht de vorm) waarvan de omstandigheden niet wezenlijk verschillen van de omstandigheden waaronder opvang wordt geboden aan leeftijdsgenoten die zich in een vergelijkbare positie als de betrokkene bevinden. Dit kan bestaan uit opvang door ouders, familieleden, vrienden, buren, stam-, clan- of dorpsgenoten. Het bestaan van adequate opvang in een land wordt in ieder geval aangenomen als in het betreffende land een familielid tot in de vierde graad aanwezig is, of indien het de echtgenoot betreft in een niet-erkend traditioneel huwelijk. (…) Opvang in een (particuliere) opvanginstelling is aan te merken als adequaat indien de opvanginstelling naar lokale omstandigheden aanvaardbaar is. Indien in het landgebonden asielbeleid (zie C8 Vc 2000) is vastgelegd dat algemene opvangvoorzieningen beschikbaar en toereikend zijn, mag ervan worden uitgegaan dat er adequate opvang is. Daadwerkelijke plaatsing behoeft ten tijde van de beschikking niet te zijn geregeld. Volgens paragraaf C24/17.8 Vc 2000, zoals gewijzigd bij TBV 2004/30, is voor amv’s adequate opvang in Mongolië voorhanden. Amv’s van Mongolische nationaliteit komen volgens het beleid niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd bedoeld voor Amv’s. De kwaliteit van de vele opvanghuizen varieert, maar zijn gemeten naar lokale maatstaven acceptabel te noemen. 2.9. Ingevolge artikel 3.52 Vb 2000 kan in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51 Vb 2000 de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw 2000, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van verweerder wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat. 2.10. In artikel 8 EVRM is het volgende bepaald: 1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Beoordeling van het beroep 2.11. De rechtbank is van oordeel dat er voor eiser sprake is van adequate opvang in Mongolië, gelet op het bepaalde in het beleid in paragraaf C24/17.8 Vc 2000 en het algemeen ambtsbericht inzake Mongolië van november 2003, waar dit beleid op is gebaseerd. Door eiser zijn geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van dit ambtsbericht aangevoerd. Het door eiser aangehaalde verslag van 19 april 2005 dat door zijn pleegvader is gemaakt, is daartoe onvoldoende. Gezien het feit dat er adequate opvang voorhanden is voor eiser, voldoet hij niet aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf. 2.12. Gelet hierop dient de vraag te worden beantwoord of eiser in aanmerking komt voor verblijf in verband met bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.52 Vb 2000. 2.13. De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie de uitspraak van 29 april 2005, LJN: AT5486, nr. 200501033/1, blijkt dat bij de beoordeling van omstandigheden in het kader van artikel 3.52 Vb 2000 tevens artikel 8 EVRM aan de orde kan worden gesteld. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, kan in het licht van de beide hiervoor genoemde artikelen worden bezien. Uit de gronden van het beroep blijkt dat eiser zowel een beroep doet op zijn recht op respect voor zijn privéleven als op het recht op respect voor zijn gezinsleven. Recht op respect voor het privéleven 2.14. Wat betreft het recht op respect van zijn privéleven, stelt de rechtbank voorop dat de weigering eiser hem de gevraagde vergunning te verlenen, moet worden aangemerkt als een inmenging op dit recht. Eiser heeft immers gedurende drie jaren rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van een verblijfsvergunning die hem in staat stelde privéleven uit te oefenen zoals het volgen van een opleiding en het aangaan van sociale contacten. 2.15. Voor wat betreft de vraag of deze inmenging gerechtvaardigd is, heeft verweerder terecht in de afweging betrokken dat aan eiser in beginsel slechts tijdelijk verblijf was toegestaan. De stelling van verweerder dat niet is gebleken van zeer langdurig rechtmatig verblijf en diepe worteling in Nederland, behoeft echter in die zin nuancering dat eiser wel gedurende de voor zijn ontwikkeling vormende levensjaren in Nederland heeft gewoond. Eiser woont immers vanaf zijn tiende in Nederland en was op het moment van het nemen van het bestreden besluit zestien jaar. Bij de afweging of de inmenging op het recht op respect van zijn privéleven gerechtvaardigd is, behoort dit aspect een belangrijke overweging te zijn. De rechtbank wijst in dit verband op de door eiser genoemde uitspraak van het EHRM inzake Bensaid, welke ook in het bestreden besluit is aangehaald. In rechtsoverweging 47 is door het EHRM het volgende overwogen: “(…) Mental health must also be regarded as a crucial part of private life associated with the aspect of moral integrity. Article 8 protects a right to identity and personal development, and the right to establish and develop relationships with other human beings and the outside world (…). The preservation of mental stability is in that context an indispensable precondition to effective enjoyment of the right to respect for private life.” Uit deze overweging blijkt dat onder andere het recht op persoonlijke ontwikkeling onderdeel is van het recht op een privéleven en dat een stabiele geestelijke gezondheid daarvoor een onvervangbare voorwaarde is die als een cruciaal onderdeel van het privéleven moet worden beschouwd. Het door eiser ingebrachte rapport van dr. M.E. Kalverboer en drs. A.E. Zijlstra van april 2006 ondersteunt de stelling van eiser dat door de weigering hem een vergunning voortgezet verblijf te verlenen, zijn geestelijke gezondheid wordt geschaad. Het rapport, getiteld “De schade die kinderen oplopen als zij na langdurig verblijf in Nederland gedwongen worden uitgezet” geeft een beschouwing over de gevolgen van gedwongen uitzetting van kinderen uit Nederland. In het rapport staat op pagina 12 en 13 beschreven dat gedwongen uitzetting van kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar die vijf jaar in Nederland hebben verbleven vrijwel nooit acceptabel is, gelet op de grote kans op psychische en psychologische schade in verband met gedwongen vertrek uit Nederland. Hierbij wordt door de auteurs gesteld dat de kans op een positieve ontwikkeling in het land van herkomst zeer klein is door de identiteitsbreuk die optreedt, alsmede door de afwezigheid van ontwikkelingsmogelijkheden aldaar. Door verweerder is niet bestreden dat dit rapport door ter zake deskundigen is opgesteld en op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft. Verweerder heeft ook geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van het rapport naar voren gebracht. Hoewel het rapport reeds gedurende de beroepsfase inzake het eerdere (ingetrokken) besluit op bezwaar van 28 februari 2007 is overgelegd, heeft verweerder het rapport niet in de beoordeling betrokken. De stelling van verweerder dat het een algemeen, niet nader geïndividualiseerd rapport betreft, biedt hiervoor geen rechtvaardiging, nu eiser wel tot de hierboven beschreven groep behoort. Anders dan verweerder in het verweerschrift stelt, is niet uitgesloten dat eiser wel degelijk in zijn belangen is geschaad doordat verweerder het rapport niet in de afweging heeft betrokken. Dit klemt te meer, nu volgens de ter zitting afgelegde verklaring van de voogd van eiser de in het rapport genoemde effecten van – dreigende – gedwongen terugkeer zich reeds zichtbaar voordoen bij eiser. Nu verweerder niet is ingegaan op het aangehaalde rapport en ook anderszins het risico op schade aan de geestelijke gezondheid van eiser niet heeft betrokken in de afweging of de inmenging van het recht op respect van zijn privéleven is gerechtvaardigd, is het bestreden besluit wat betreft de afweging of de inmenging op het recht op respect van het privéleven van eiser gerechtvaardigd is, niet deugdelijk gemotiveerd. 2.16. Voorts heeft verweerder in de afweging of de inmenging op het recht op respect van eisers privé leven gerechtvaardigd is, onvoldoende betrokken de duur van het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland en de reden daarvoor. De duur van dit rechtmatig verblijf is voor een groot deel veroorzaakt doordat pas op 21 december 2007, bijna drie jaar na het besluit tot afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, een besluit op bezwaar tegen dat besluit is genomen. Deze trage besluitvorming, die voor rekening en risico van verweerder komt, is in het bijzonder pregnant nu het hier gaat om een minderjarige die zich in de vormende jaren van zijn leven bevindt. In de tot 1 januari 2007 geldende Vc 2000 is dit belang ook door verweerder erkend. In paragraaf C5/24.2 Vc 2000 (oud) was overwogen dat aanvragen van alleenstaande minderjarige asielzoekers prioriteit krijgen bij de behandeling. In genoemde paragraaf was aangegeven dat met het oog op de ontwikkeling van het kind, de alleenstaande minderjarige asielzoeker zo spoedig mogelijk duidelijkheid dient te verkrijgen over de verblijfsaanvraag. Weliswaar betekent overschrijding van de beslistermijn niet dat recht bestaat op vergunningverlening, maar het is wel een omstandigheid die in de afweging van artikel 8 EVRM betrokken dient te worden. De enkele stelling in het verweerschrift dat de duur van het rechtmatig verblijf, en daarmee de duur van de besluitvorming, wel in de afweging is betrokken, is in het licht hiervan onvoldoende draagkrachtig. 2.17. Voorts heeft verweerder in de afweging of de inmenging op het recht op respect van privéleven gerechtvaardigd is, ten onrechte niet betrokken dat het Nidos, zoals niet in geschil is, van begin af aan juist inspanningen heeft verricht die op integratie van eiser waren gericht en hem voorgehouden dat de kans op gedwongen terugkeer naar Mongolië nihil was, Ook deze omstandigheid is door verweerder onvoldoende in de afweging betrokken. Recht op respect van het gezinsleven 2.18. Ter zitting is gebleken dat verweerder het standpunt niet langer handhaaft dat ten aanzien van eiser en zijn pleegvader onvoldoende is gebleken van gezinsleven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. Nu verweerder het gezinsleven aanneemt en uitgaat van een inmenging hierin, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat voornoemde inmenging gerechtvaardigd is. Verweerder heeft deze gerechtvaardigde inmenging onder meer gegrond op de omstandigheid dat de aan eiser verleende vergunning onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” slechts van tijdelijke aard is, welke niet is verleend met als doel het gezinsleven in Nederland met pleegouders mogelijk te maken. De omstandigheid dat eiser hiertoe feitelijk in staat is gesteld, maakt dit volgens verweerder niet anders. Voor zover verweerder met deze overweging heeft beoogd te stellen dat eiser slechts een tijdelijk verblijfsrecht had op basis van een vergunning waarvan het uitgangspunt is dat eiser ook na vergunningverlening moet terugkeren, heeft verweerder geen onjuist criterium gehanteerd. Dat eiser echter feitelijk op basis van de hem verleende verblijfsvergunning in staat is gesteld gezinsleven uit te oefenen, is wel een omstandigheid die in de afweging dient te worden betrokken. Evenals bij het recht op respect van privéleven, heeft verweerder ook wat betreft de vraag of de inmenging op het recht op respect van het gezinsleven van eiser gerechtvaardigd is, onvoldoende betrokken de duur van het rechtmatig verblijf en de reden daarvan alsmede de inspanningen van het Nidos gericht op integratie van eiser in de Nederlandse samenleving. Daarnaast heeft verweerder bij de beoordeling of er objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in Mongolië uit te oefenen, onvoldoende blijk gegeven de persoonlijke situatie van de pleegvader van eiser hierin te hebben betrokken. De stelling van verweerder dat van de pleegvader kan worden gevergd dat hij eiser eventueel volgt naar diens land van herkomst en zijn Nederlandse nationaliteit hierin geen beletsel is, is zonder nadere toelichting niet begrijpelijk. Conclusie 2.19. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit op meerdere punten in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb een deugdelijke motivering ontbeert. 2.20. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. 2.21. Er bestaat aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 322,-, wegingsfactor 1). 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 21 december 2007; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en bepaalt dat verweerder deze kosten en het griffierecht ad € 143,- aan eiser dient te vergoeden; - wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden. Aldus gegeven door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. F.M. Mulder als griffier op 21 augustus 2008. de griffier de rechter Tegen de uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 Algemene wet bestuursrecht, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 is niet van toepassing. Afschrift verzonden: