
Jurisprudentie
BF0816
Datum uitspraak2008-05-14
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers379587
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers379587
Statusgepubliceerd
Indicatie
Arbitraal hoger beroep, grievenstelsel.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 379587 / HA ZA 07-2570
Vonnis van 14 mei 2008
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LACO PANEERMEELFABRIEK B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
eiseres,
procureur mr. A.A.M. Hesseling,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RUEDISULJ ARCHITECTEN B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
gedaagde,
procureur mr. F.B. Falkena,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BBF BOUWBEDRIJF FRIESLAND B.V.,
gevestigd te Leeuwarden,
gedaagde,
procureur mr. S.A. van der Sluijs.
Eiser wordt hierna aangeduid als Laco. De gedaagde onder 1 wordt Ruedisulj of de architect genoemd en de gedaagde onder 2 BBF of de aannemer.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 9 januari 2008
- het proces-verbaal van comparitie van 20 maart 2008.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Op 20 juni 1996 heeft Laco als opdrachtgever met Ruedisulj als architect, een overeenkomst gesloten waarbij Laco aan Ruedisulj opdracht gaf tot het bouwkundig ontwerpen en begeleiden van het project "Nieuwbouw Paneermeelfabriekexpeditie".
2.2. Op 24 februari 1997 verstrekte Laco aan BBF als aannemer de opdracht voor de verbouw en nieuwbouw van de paneermeelfabriek van Laco op basis van een door Ruedisulj opgestelde bestek.
2.3. Onderdeel van het onder 2.2. bedoelde werk was het aanbrengen van een monoliet betonvloerafwerking op de verdiepingvloer. Deze vloer is in de zomer van 1997 gestort en op 21 augustus 1997 opgeleverd. In juni 1998 constateerde Laco scheurvorming in de vloer.
2.4. Kreeft Betontechniek heeft de vloer hersteld door middel van het injecteren van twee-componenten epoxyhars. De kosten hiervan bedroegen f 188.884,62 exclusief btw, oftewel f 221.939,76 inclusief btw.
2.5. Laco heeft bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw tegen zowel de architect als de aannemer een arbitrageprocedure voor onder meer verhaal van de herstelkosten van Kreeft Betontechniek aanhangig gemaakt.
2.6. In eerste aanleg heeft de architect het verweer gevoerd dat de gevorderde herstelkosten te hoog waren en dat een goedkopere oplossing mogelijk was. De aannemer heeft in eerste aanleg tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding geen verweer gevoerd.
2.7. Bij arbitraal vonnis van 12 juli 2004 is de architect onder meer veroordeeld om aan Laco ter zake kosten van reeds aan de verdiepingsvloer uitgevoerd herstel te betalen een bedrag van € 100.711,87, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 november 1998. Tevens werd de architect veroordeeld om aan Laco te betalen de kosten van de nog uit te voeren herstelwerkzaamheden aan de verdiepingsvloer.
2.8. De architect is in appèl gegaan en heeft tegen de onder 2.7 genoemde veroordelingen vijf grieven aangevoerd. De eerste drie grieven maken kort samengevat bezwaar tegen het oordeel van arbiters in eerste aanleg dat de architect fouten heeft gemaakt bij het toezicht op de werkzaamheden aan de onder 2.3 bedoelde betonvloer.
De vijfde grief luidt als volgt:
“Grief 5
Ten onrechte hebben arbiters Ruedisulj veroordeeld tot de schadevergoeding als verwoord in het dictum in de hoofdzaak
Toelichting op de grief:
deze grief behoeft geen nadere toelichting.”
2.9. De bepalingen over hoger beroep in het in dit geval toepasselijke arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw luiden als volgt:
“ Artikel 28
1. Ieder der partijen heeft in beginsel het recht om van een in eerste aanleg gewezen vonnis van de Raad in hoger beroep te komen.
2. Hoger beroep van een scheidsrechterlijk vonnis is uitgesloten, indien het vonnis, ware het gewezen door de gewone rechter, niet vatbaar zou zijn geweest voor hoger beroep.
3. De partij, die in beroep wenst te gaan van een scheidsrechterlijk vonnis, dient zich in de beroepsprocedure te laten vertegenwoordigen door een juridisch raadsman, die dient te voldoen aan de hierna onder lid 11 te noemen vereisten; vóór of uiterlijk op de datum van indiening van de memorie van grieven, bedoeld in lid 5 van dit artikel, dient bekend te worden gemaakt wie als raadsman van de appellant zal optreden. Indien een raadsman, die zich voor de appellant heeft gesteld, om welke reden dan ook niet meer voor de appellant optreedt, heeft de appellant gelegenheid om binnen een daartoe door het scheidsgerecht te stellen termijn voor vervanging van de betreffende raadsman in de procedure zorg te dragen.
4. Bij niet inachtneming van het bepaalde in lid 3 van dit artikel, zulks ter uitsluitende beoordeling van de voorzitter, is de voorzitter bevoegd om bij aangetekend schrijven het beroep vervallen te verklaren.
5. Beroep tegen een scheidsrechterlijk vonnis dient binnen drie maanden na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat van de Raad.
6. Hoger beroep tegen een vonnis, als bedoeld in artikel 20 lid 1 sub a en c, dient binnen één maand na de datum van het betreffende op schrift gestelde vonnis te worden ingesteld door middel van indiening van een memorie van grieven bij het secretariaat van de Raad. De voorzitter van de Raad beslist omtrent de spoedbehandeling van het hoger beroep.
7. Hoger beroep van een tussenvonnis en/of van een gedeeltelijk eindvonnis kan slechts te zamen met het hoger beroep van het laatste eindvonnis worden ingesteld; zulks lijdt evenwel uitzondering, indien het scheidsgerecht - op verzoek of ambtshalve - in het betreffende vonnis uitdrukkelijk anders heeft bepaald, alsmede indien partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen.
8. In het geval enige partij inzake een vonnis gewezen in een geding, als bedoeld in de artikelen 21, 22 en 23, tijdig appelleert, wordt de appèltermijn voor de overige partijen, voorzover deze niet incidenteel kunnen appelleren, verlengd met een maand, in welke verlengde termijn uitsluitend kan worden geappelleerd op gronden, die samenhangen met het eventueel slagen van het ingestelde tijdig appèl.
9. In het geval door enige partij inzake een vonnis gewezen in een geding, als bedoeld in de artikelen 21, 22 en 23, incidenteel is geappelleerd, gaat voor de nog niet in appèl betrokken partijen een extra termijn lopen van een maand na de indiening van het incidenteel appèl. De appellant, die gebruik maakt van de extra termijn, is in zijn hoger beroep beperkt tot gronden, die samenhangen met het slagen van de grieven van de incidenteel appellant.
10. Van bindend adviezen staat geen hoger beroep open.
11. Een juridisch raadsman, als bedoeld in lid 3 van dit artikel, dient hetzij advocaat te zijn, hetzij aan een Nederlandse universiteit of hogeschool in de zin van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs of aan de Open Universiteit, zoals geregeld in de Wet op de Open Universiteit, te hebben verkregen: de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid of de hoedanigheid van meester in de rechten, mits deze graad of deze hoedanigheid verkregen is op grond van het afleggen van een examen in het Nederlands burgerlijk- en handelsrecht en strafrecht, alsmede in één van de drie volgende vakken: het Nederlands staatsrecht, administratiefrecht of belastingrecht met dien verstande, dat Nederlands burgerlijk recht hoofdvak is geweest bij het afleggen der examens; een raadsman, niet zijnde advocaat, die zich in hoger beroep wenst te stellen namens de in beroep komende partij, dient door bescheiden genoegzaam aan te tonen, dat hij aan de in dit lid genoemde vereisten voldoet, zulks ter uitsluitende beoordeling van de voorzitter.
12. Een juridisch raadsman - niet zijnde een advocaat - die voldoet aan de vereisten, als aangeduid in het vorige lid, kan een verzoek richten tot de voorzitter om door het secretariaat van de Raad te worden geregistreerd als raadsman, als bedoeld in lid 3 van dit artikel. Een aldus geregistreerd juridisch raadsman, is als zodanig gedurende de tijd van registratie, te weten tien jaren, behoudens eenvoudig verzoek tot verlenging van deze termijn, aan te merken als een juridisch raadsman in de zin van dit artikel.
Artikel 29
1. Het hoger beroep zal worden behandeld door een scheidsgerecht, gevormd door drie appèl-scheidslieden, of - indien beide partijen binnen de in lid 4 van dit artikel genoemde termijn van 14 dagen aan de voorzitter mededelen zulks te zijn overeengekomen en het scheidsgerecht in eerste aanleg uit drie leden bestond - door vijf appèl-scheidslieden.
2. Tot appèl-scheidslieden zijn benoembaar gewone leden en buitengewone leden van de Raad.
3. Van een appèl-scheidsgerecht maakt minstens één buitengewoon lid van de Raad deel uit.
4. Binnen 14 dagen na dagtekening van een daartoe strekkend verzoek van de voorzitter kunnen partijen aan de voorzitter schriftelijk de namen opgeven van de door haar in overleg vastgestelde voorkeur voor de te benoemen leden van het appèl-scheidsgerecht; bij de benoeming van de leden van het appèl-scheidsgerecht zal de voorzitter zoveel mogelijk rekening houden met de door partijen uitgesproken gemeenschappelijke voorkeur.
5. Een lid van de Raad, die aan de behandeling van het geschil in eerste aanleg heeft deelgenomen, is niet benoembaar tot appèl-scheidsman.
6. De secretaris, die overeenkomstig artikel 13 van deze statuten aan het scheidsgerecht in eerste aanleg werd toegevoegd, zal niet kunnen worden toegevoegd als secretaris aan het appèl-scheidsgerecht.
Artikel 30
1. Voor zover uit de artikelen 28 en 29 van deze statuten niet anders volgt, zijn op het hoger beroep van toepassing de artikelen 10 t/m 22 van deze statuten met dien verstande, dat het aanhangigmaken van een tegenvordering, als bedoeld in artikel 16 lid 3 van deze statuten, en het indienen van een tweede memorie, als bedoeld in artikel 16 lid 2, niet zal zijn toegestaan en beslissing in hoger beroep bij wege van bindend advies zal zijn uitgesloten.
2. De wederpartij van de appellant heeft het recht om harerzijds incidenteel appèl in te stellen ook na de in de artikel 28 lid 5, respectievelijk lid 6, genoemde termijn, doch uiterlijk tegelijk met de door haar in te dienen memorie van antwoord in hoger beroep; in dat geval wordt de partij, die als eerste in beroep is gekomen, in de gelegenheid gesteld een memorie van antwoord op het incidenteel appèl in te dienen. De partij, die op de voet van het bepaalde in dit lid incidenteel appèl wenst in te stellen, is in dit incidenteel appèl slechts ontvankelijk, indien zij zich laat vertegenwoordigen door een juridisch raadsman, als bedoeld in artikel 28 lid 3.
3. Het appèl-scheidsgerecht kan een wijziging, vermindering of vermeerdering van een in eerste aanleg gestelde eis toestaan, wanneer de verwerende partij gelegenheid heeft gehad zich daarover schriftelijk of mondeling uit te laten en wanneer zulks door het appèl-scheidsgerecht tegenover deze partij niet onredelijk wordt geoordeeld. In ieder geval kunnen worden gevorderd rente, huur, schade of kosten, die zijn vervallen of ontstaan nadat in eerste aanleg werd beslist.
4. Een nieuw verweer kan worden gevoerd, mits dat niet in strijd komt met de houding, welke de partij, die dat nieuwe verweer voert, in eerste aanleg heeft aangenomen.”
3. Het geschil
3.1. Laco vordert in de bewoordingen van de dagvaarding:
dat het de rechtbank moge behagen bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad gedeeltelijk te vernietigen het scheidsrechterlijk vonnis in hoger beroep d.d. 22 augustus 2006 en wel voor dat deel waar het oordeel van arbiters in rechtsoverweging 93 van dit vonnis betrekking op heeft, te weten het oordeel over de hoogte van de schadevergoeding van f 221.939,76 dat door arbiters in eerste aanleg is toegekend, alsmede te vernietigen de eerste drie onderdelen van het petitum, voor zover deze onderdelen betrekking hebben op de hoogte van het toegekende schadebedrag, en opnieuw rechtdoende de architect en de aannemer in de verhouding zoals door appèlarbiters vastgesteld (architect en aannemer hoofdelijk voor twee derde deel en architect alleen voor een derde deel) te veroordelen tot betaling aan Laco van een bedrag van € 100.818,92, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 november 1998 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de architect en de aannemer te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2. Laco legt aan de vordering ten grondslag dat tegen het oordeel van de arbiters in eerste aanleg over de hoogte van de schade geen grief ontwikkeld is, noch door de architect, noch door de aannemer. Laco meent dat de onder 2.8 aangehaalde vijfde grief een ‘paraplugrief’ is, die geen zelfstandige betekenis heeft naast de andere vier grieven.
In eerste aanleg heeft de architect verweer gevoerd tegen de hoogte van de schade. Arbiters in eerste aanleg hebben dit verweer behandeld en hebben het verworpen. De negatieve zijde van de devolutieve werking brengt dan volgens Laco met zich mee dat appèlarbiters aan dit oordeel van arbiters in eerste aanleg zijn gebonden en niet bevoegd zijn daarover zonder dat partijen hen daar opdracht toe hebben gegeven, een ander oordeel over te geven. Door dat te doen hebben de appèlarbiters zich niet aan hun opdracht gehouden, zodat (gedeeltelijke) vernietiging van het scheidsrechterlijk vonnis dient plaats te vinden op grond van art. 1065 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), aldus Laco.
3.3. Ruedisulj en BBF voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. De vordering van eiseres strekt in de eerste plaats tot (gedeeltelijke) vernietiging van een arbitraal vonnis; de overig vorderingen bouwen op die vernietiging voort.
Art. 1065, lid 1 Rv bepaalt dat vernietiging van een arbitrale vonnis slechts kan plaatsvinden op een of meer van de navolgende gronden:
a. een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt,
b. het scheidsgerecht is in strijd met daarvoor geldende regelen samengesteld,
c. het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden,
d. het vonnis is niet overeenkomstig het in art. 1057 bepaalde ondertekend of niet met redenen omkleed,
e. het vonnis, of de wijze waarop dit tot stand kwam, strijdt met de openbare orde of de goede zeden.
Laco beroept zich op de onder c genoemde grond.
4.2. De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of een arbitraal vonnis vernietigd dient te worden terughoudendheid op zijn plaats is. Art. 1065 Rv mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt mee dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen.
4.3. Bij de vraag of arbiters zich aan hun opdracht hebben gehouden zal als uitgangspunt dienen te gelden dat arbiters zich dienen te houden aan de wet, het toepasselijke arbitragereglement en de vereisten van een behoorlijke procesorde en aan hetgeen door partijen is overeengekomen toen zij het geschil aan arbitrage onderwierpen.
4.4. Zowel Ruedisulj als BBF hebben het verweer gevoerd dat het grievenstelsel niet geldt voor het onderhavige arbitrale geding. Zij wijzen erop dat de onder 2.9 aangehaalde bepalingen van het arbitragereglement hierover niets bepalen.
4.5. Het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering geeft in artikel 1050 geen regeling voor de manier waarop arbiters het hoger beroep moeten behandelen.
De op het arbitrale hoger beroep betrekking hebbende artikelen van het in deze zaak toepasselijke arbitragereglement (aangehaald onder 2.9) bepalen niet uitdrukkelijk dat een grievenstelsel geldt. Het komt daarom aan op de uitleg van dit reglement, waarbij moet worden uitgegaan van de tekst daarvan zoals deze in zijn samenhang naar objectieve maatstaven moet worden verstaan. Laco stelt dat uit het arbitragereglement een grievenstelsel kan worden afgeleid. Weliswaar wordt dit niet met zoveel woorden van toepassing verklaard, wat overigens ook geldt voor het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, maar volgens Laco moet het reglement wel zo worden uitgelegd. Laco leidt dit af uit het feit dat in het reglement wordt gesproken over een memorie van grieven en een memorie van antwoord en uit de opbouw van het scheidsrechterlijk vonnis in hoger beroep; deze is identiek aan de opbouw van een arrest van een Gerechtshof, aldus nog steeds Laco.
4.6. De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of het de arbiters al dan niet vrijstaat in hoger beroep te beslissen over onderdelen van het geschil waarover geen grief is geformuleerd (zodat een ‘grievenstelsel’ geldt) niet doorslaggevend is of de term ’memorie van grieven’ wordt gebruikt. Wel is van belang dat in het reglement evenals bij de gewone rechter is gekozen voor een systeem waarin van de partij die in hoger beroep gaat gevraagd wordt de bezwaren tegen de bestreden beslissing te formuleren. Immers als een dergelijk systeem wordt gekozen, heeft dat tot gevolg dat partijen er vanuit mogen gaan dat het geding in hoger beroep wordt beperkt tot de geschilpunten die aan de arbiters in hoger beroep waren voorgelegd. In die zin kan worden gezegd dat het in de procedure bij de burgerlijke rechter geldende grievenstelsel krachtens het toepasselijke arbitragereglement ook in de onderhavige arbitrageprocedure gold.
4.7. Dit kan Laco evenwel niet baten. Weliswaar staat vast dat de in dit arbitrale hoger beroep geformuleerde grieven niet uitdrukkelijk de hoogte van de schadevergoeding bestreden, maar de grieven waren wel gericht tegen de beslissing een schadevergoeding toe te wijzen. De vraag is vervolgens of de arbiters de grieven zo mochten uitleggen dat deze mede omvatten de omvang van de schadevergoeding als de arbiters (toch) een schadevergoeding zouden toewijzen.
Bij de uitleg van de grieven dienden de arbiters die te zien tegen de achtergrond van de discussie tussen partijen in eerste aanleg, waarbij de omvang van de gevorderde schadevergoeding aan de orde is geweest. Uit het feit dat de arbiters dit punt bij de behandeling in hoger beroep opnieuw aan de orde hebben gesteld, kan worden afgeleid dat de arbiters op dit punt van een ruime uitleg van de grieven zijn uitgegaan. Kennelijk hebben de arbiters de grieven zo opgevat dat deze niet slechts de verschuldigdheid van schadevergoeding bestreden, maar mede gericht waren tegen de omvang van de schadevergoeding, mocht deze wel verschuldigd zijn. Dit is ook naar het oordeel van de rechtbank een voor de hand liggende en gangbare uitleg, waarin ook het adagium ‘wie het meerdere kan, kan ook het mindere’ doorklinkt. Als de vraag of een schadevergoeding verschuldigd was aan de arbiters was voorgelegd, is immers ongerijmd om aan te nemen dat zij slechts de bevoegdheid zouden hebben die geheel toe te wijzen of geheel af te wijzen en niet de bevoegdheid om die gedeeltelijk toe te wijzen.
Door de grieven zo op te vatten als zij hebben gedaan zijn arbiters naar het oordeel van de rechtbank niet getreden buiten hetgeen door partijen als geschil aan hen was voorgelegd.
4.8. De vraag of een behoorlijke procesorde in het algemeen vereist dat in een arbitraal hoger beroep een grievenstelsel geldt, kan buiten beschouwing blijven, nu de rechtbank hierboven tot het oordeel is gekomen dat in het onderhavige geval een grievenstelsel gold.
4.9. Tot slot is de vraag aan de orde of partijen in de overeenkomst waarin arbitrage als wijze van geschilbeslechting werd gekozen specifieke afspraken hebben gemaakt over de vragen die de arbiters wel en niet zouden moeten beoordelen.
Tussen partijen is niet in geschil dat arbiters zich in eerste aanleg over de omvang van de schade dienden uit te spreken, zoals zij ook hebben gedaan. Dat er een nadere overeenkomst tussen partijen is gesloten, inhoudende dat de hoogte van de schade in hoger beroep niet meer aan het oordeel van arbiters zou worden onderworpen (maar wel de vraag of deze al dan niet verschuldigd was) is niet gesteld of gebleken.
4.10. Hetgeen partijen overigens over en weer hebben aangevoerd voor het geval geen grievenstelsel zou gelden, behoeft geen bespreking.
4.11. De conclusie moet zijn dat niet kan worden gezegd dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, zodat er geen grond is voor vernietiging van het arbitraal vonnis. De vorderingen van Laco zullen worden afgewezen, met veroordeling van Laco in de kosten van het geding.
4.12. De kosten aan de zijde van Ruedisulj worden begroot op:
- vast recht 2.220,00
- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief EUR 1.421,00)
Totaal EUR 5.062,00
4.13. De kosten aan de zijde van BBF worden begroot op:
- vast recht 2.220,00
- salaris procureur 2.842,00 (2,0 punten × factor 1,0 × tarief EUR 1.421,00)
Totaal EUR 5.062,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt Laco in de proceskosten, aan de zijde van Ruedisulj tot op heden begroot op EUR 5.062,00 en aan de zijde van BBF tot op heden begroot op EUR 5.062,00.
5.3. verklaart de bovenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2008.?