Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0808

Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/25269
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewaring / Toewijzing PKV bij intrekking vervolgberoep, na vernietiging uitspraak in hoger beroep van eerste beroep
Eiser heeft het onderhavige beroep ingetrokken omdat de AbRS de aan eiser opgelegde maatregel vanaf de aanvang onrechtmatig heeft geacht. Deze situatie dient te worden gelijkgesteld aan die bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Weliswaar is het bestuursorgaan niet aan het beroep tegemoet gekomen, maar daartoe was hij gelet op de uitspraak van de AbRS wel gehouden.


Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Amsterdam enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken Uitspraak op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) jo artikelen 71 en 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) reg. nr.: AWB 08/25269 V-nr.: 010.504.6712 inzake: [eiser], geboren op [1984], van (gestelde) Myanmarese nationaliteit, voorheen verblijvende in het Detentiecentrum te Zaandam, eiser, gemachtigde: mr. drs. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam, tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op 2 mei 2008 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Een eerder beroep tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is bij uitspraak van 21 mei 2008 door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 16 juli 2008 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) de aan eiser opgelegde maatregel ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 per 16 juli 2008 opgeheven. Op 14 juli 2008 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Daarbij is opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding. Op 29 juli 2008 heeft eiser onderhavig beroep ingetrokken met het verzoek verweerder te veroordelen in de proceskosten. Op 1 augustus 2008 heeft verweerder daarop gereageerd. De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten en op grond van artikel 8:75a en artikel 8:54 van de Awb alsmede artikel 96 van de Vw 2000 bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. II. OVERWEGINGEN Ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan, in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de rechtbank alleen aan een proceskostenveroordeling toekomt als de intrekking van het beroep plaatsvond wegens (gedeeltelijke) tegemoetkoming. Of materieel sprake is van tegemoetkomen, moet van geval tot geval worden bezien. De rechtbank stelt vast dat ten tijde van het indienen van het onderhavige beroep nog niet was beslist op het hoger beroep gericht tegen de ongegrondverklaring van het eerste beroep. Anders dan verweerder heeft gesteld leidt dit niet tot het oordeel dat het onderhavige beroep prematuur is ingesteld. Artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, staat er niet aan in de weg dat een vervolgberoep wordt ingediend terwijl hoger beroep tegen de uitspraak op het eerste beroep nog aanhangig is. Onder de zinsnede ‘indien het beroep, bedoeld in artikel 94, ongegrond is verklaard’ moet worden begrepen de ongegrondverklaring door de rechtbank en niet (tevens) de beslissing op het daartegen ingediende hoger beroep. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser het onderhavige beroep heeft ingetrokken omdat de AbRS de aan eiser opgelegde maatregel vanaf de aanvang onrechtmatig heeft geacht. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze situatie te worden gelijkgesteld aan die bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Weliswaar is het bestuursorgaan niet aan het beroep tegemoet gekomen, maar daartoe was hij gelet op de uitspraak van de AbRS wel gehouden. Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van eiser in verband met de behandeling van het beroep. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). III. BESLISSING De rechtbank - wijst het verzoek toe; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag, groot € 322,-- (zegge: driehonderd en tweeëntwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank. Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2008 door mr. H.J. Fehmers, voorzitter, in tegenwoordigheid van H.C. Hagen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum. Afschrift verzonden op: Conc.: HH Coll: D: B Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.