Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0798

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3363 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Juiste vaststelling beperkingen.


Uitspraak

06/3363 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 april 2006, 05/4728 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, onder bijvoeging van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts van 6 september 2006 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 2 oktober 2006. Bij brief van 31 januari 2008 heeft appellante een brief van cardioloog T. Slagboom van 12 januari 2007 ingezonden. Het Uwv heeft hierop gereageerd met inzending van een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts van 6 februari 2008. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Bie voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 14 mei 2008 heeft het Uwv vragen van de Raad beantwoord door inzending van rapportages van een bezwaarverzekeringsarts van 17 april 2008 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 13 mei 2008. Appellante heeft hierop bij brief van 17 juli 2008 gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft wederom plaatsgevonden op 30 juli 2008. Voor appellante is verschenen mr. De Bie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. II. OVERWEGINGEN 1. Bij besluit van 30 december 2004 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 14 februari 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. 2. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 juni 2005 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 15 juni 2005, hierna: het bestreden besluit, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bepalingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat er geen reden is om te twijfelen aan de vaststelling van de belastbaarheid van appellante door het Uwv, zoals neergelegd in de Funtionele Mogelijkheden Lijst (FML). De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat een volledige arbeidskundige heroverweging in bezwaar niet had plaatsgevonden, maar de rechtsgevolgen van dit besluit volledig in stand gelaten, omdat zij zich kon verenigen met de nadere arbeidskundige heroverweging door een bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv, zoals neergelegd in een rapport van 10 maart 2006. 4. In hoger beroep is door appellante aangevoerd - kort weergegeven - dat zij ten onrechte belastbaar is geacht tot 30 á 32 uur per week, dat haar rugklachten als gevolg van premature botontkalking zijn miskend en dat bij de aspecten reiken, buigen en gebogen actief zijn onvoldoende rekening is gehouden met haar geringe lichaamslengte (136 centimeter) en daarmee het kortere bereik van haar armen. Zij verzoekt een medisch deskundige te benoemen voor nader onderzoek. Voorts meent appellante dat zij door haar beperkingen niet in staat is om de werkzaamheden verbonden aan de haar geduide functies van coupeuse en assistent consultatiebureau te verrichten. 5. De Raad overweegt het volgende. 5.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts en de cardioloog kunnen niet tot een ander oordeel leiden. De Raad wijst erop dat blijkens de FML de tilbelasting voor appellante is beperkt tot vijf kilogram. Met de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv ziet de Raad niet dat uit de door appellante overgelegde informatie zou volgen dat deze beperking niet juist zou zijn vastgesteld. Ten aanzien van de door appellante bepleite verdergaande urenbeperking is de Raad van oordeel, dat de door haar overgelegde medische informatie onvoldoende aanknopingspunten biedt om, in het licht van de overige ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen, te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde urenbeperking. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gezien om een medisch deskundige te benoemen voor nader onderzoek. 5.2. Uitgaande van de juistheid van de ten aanzien van appellante vastgestelde beperkingen bij het verrichten van arbeid ziet de Raad in hetgeen appellante heeft aangevoerd onvoldoende grond om te kunnen oordelen dat zij niettemin niet in staat zou zijn de werkzaamheden verbonden aan de haar voorgehouden functies te verrichten. Uit de rapportages van de (bezwaar)verzekeringsartsen en (bezwaar)arbeidsdeskundigen van het Uwv blijkt dat rekening is gehouden met de geringe lichaams- en armlengte van appellante. De Raad wijst erop, voor zover hier van belang, dat in de FML voor appellante slechts een beperking is aangegeven op het aspect frequent buigen van 90 graden; overigens zijn de aspecten buigen en (frequent) reiken voor appellante niet beperkt. In de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 17 april 2008 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 13 mei 2008 zijn deze aspecten nader toegelicht. De Raad kan zich daarmee verenigen. De Raad heeft daarbij meegewogen dat blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts de van appellante te vergen compensatie vanwege haar korte armlengte slechts een relatief lichte en niet-belastende extra buigingsgraad met zich brengt, welke geen gevolgen heeft voor het aspect ‘frequent buigen’. 6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen. 7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. MH