Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0797

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-18
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/1413 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Achterwege laten zitting. Toestemming. WAO-schatting. Kan betrokkene op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid verrichten? Medisch deskundigen eenduidig.


Uitspraak

06/1413 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 januari 2006, 05/1370 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bergenhenegouwen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Vervolgens heeft de Raad bij brief van 20 maart 2008 nadere vragen gesteld, die het Uwv bij brief van 13 mei 2008 heeft beantwoord, onder inzending van een rapport van bezwaarverzekeringsarts A.J. Hoffman van 24 april 2008. Een tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2008. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bergenhenegouwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Evers. II. OVERWEGINGEN 1. Appellante, die werkzaam was als gemeentelijk medewerkster van bureau Halt, viel op 8 december 1998 uit als gevolg van een haar overkomen verkeersongeval. Sedertdien heeft zij bij de gemeente in een aangepaste functie haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat. In verband met aanhoudende klachten van de nek en schouders, van vermoeidheid en van concentratie- en geheugenstoornissen heeft zij een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aangevraagd. 2. Bij besluit van 10 december 1999 is deze aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet arbeidsongeschikt zou zijn op grond van een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek. Hieraan ten grondslag lag een rapport van de adviserend verzekeringsarts van 29 november 1999 die, na informatie te hebben opgevraagd bij de neuroloog J.A.P. Hiel, de manueel arts R. Brouwer en de psycholoog F. Donker, van mening was dat de bestaande klachten naar alle waarschijnlijkheid gezien moeten worden als uitingsvorm van geconditioneerd gedrag. 3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij, samengevat, aangevoerd dat zij zich ten minste naar een mate van 45 tot 55% arbeidsongeschikt acht. Zij heeft verwezen naar een rapport van een neuropsychologisch onderzoek van de arts Brouwer van 27 februari 2000 en een brief van de bedrijfsarts van 23 februari 2000. 4. Bij besluit van 12 juli 2000 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het daartegen door appellante ingestelde beroep bij uitspraak van 13 januari 2003 ongegrond verklaard. In het kader van deze procedure heeft appellante nog informatie in geding gebracht van de neurologen Smits, De Jaegere, Patijn en De Rijk. Op het hoger beroep van appellante heeft de Raad - met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht - de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 juli 2000 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad. De Raad heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat het Uwv ten onrechte niet heeft getoetst aan (punt 4.6 van) de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (Maoc). 5. Bij besluit van 6 april 2005 (hierna: het bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de uitspraak van de Raad, heeft het Uwv het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapport van de bezwaarverzekeringsarts H.I.M. Stammers van 26 februari 2005 waarin deze, na toetsing aan hetgeen in de richtlijn Maoc is bepaald over ‘moeilijk objectiveerbare aandoeningen’ en na analyse van de over appellante beschikbare medische informatie, concludeert dat er bij de artsen omtrent appellante geen eenduidigheid bestaat over de medische problematiek, zodat niet gesteld kan worden dat er bij het einde van de wachttijd sprake was van een ziekte of gebrek. 6. In beroep is door appellante, samengevat, aangevoerd dat uit de informatie van de medische specialisten die haar hebben onderzocht blijkt, dat deze eenduidig en consistent van mening zijn dat er bij appellante sprake is van een ziekte of gebrek. 7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank heeft daartoe overwogen - kort weergegeven - dat (de bezwaarverzekeringsarts van) het Uwv het bestreden besluit van een ondeugdelijke motivering heeft voorzien doordat het er niet om gaat of de medisch deskundigen het eens zijn over het antwoord op de vraag aan welke ziekte het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit vervolgens in stand gelaten, omdat zij van oordeel is dat uit de voorhanden medische informatie over appellante kan worden geconcludeerd dat een eenduidige consistente en goed gemotiveerde onderbouwing ontbreekt dat zij als gevolg van haar beperkingen niet in staat was om haar arbeid te verrichten. 8. In hoger beroep heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat uit de informatie van de neurologen Hiel, Patijn en De Rijk en de arts Brouwer kan worden geconcludeerd tot een eenduidige, consistente en goed onderbouwde mening van deze artsen over de beperkingen van appellante bij het verrichten van arbeid. 9. De Raad overweegt het volgende. 9.1. De Raad ziet aanleiding eerst ambtshalve het volgende te overwegen. De rechtbank heeft bij brieven van 25 november 2005 partijen om toestemming verzocht het onderzoek ter zitting achterwege te laten, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het Uwv heeft deze toestemming verleend bij brief van 9 december 2005. Namens appellante zijn bij brief van 23 december 2005 de grieven van appellante nader toegelicht. De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 3 januari 2006 aan appellante wederom de in artikel 8:57 van de Awb bedoelde toestemming gevraagd. Appellante heeft deze gegeven bij brief van 12 januari 2006. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan. Naar de Raad vaker van zijn opvatting heeft doen blijken, staat het de rechter, in geval er nieuwe gedingstukken aan het procesdossier worden toegevoegd, niet vrij om zonder meer op basis van de toestemming die is gegeven aan de hand van de voordien aanwezige processtukken de zaak buiten zitting af te doen. Het achterwege laten van een zitting is in die situatie eerst mogelijk indien partijen na kennisname van de naderhand geproduceerde stukken te kennen hebben gegeven dat de verleende toestemming van kracht blijft. Dit laatste is in het onderhavige geval niet gebeurd. De rechtbank heeft na toevoeging aan de stukken van de hiervoor genoemde brief van appellante van 23 december 2005 het Uwv niet opnieuw om toestemming in de zin van artikel 8:57 van de Awb verzocht, terwijl een dergelijke toestemming ook anderszins niet is gegeven. Dit leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak in strijd met artikel 8:57 van de Awb en derhalve niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Om die reden komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. 9.2. De Raad zal vervolgens, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het bestreden besluit beoordelen aan de hand van hetgeen daartegen in beroep en in hoger beroep naar voren is gebracht. 9.3. In artikel 18 van de WAO is, voor zover van belang, bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, met arbeid gewoonlijk verdienen. 9.4. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.Voorts is in de jurisprudentie van de Raad tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan laatstgenoemde eis is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen stelt de Raad dan wel als (minimum)eis dat bij de (onafhankelijk) medische deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de betreffende arbeid te verrichten. 9.5. De Raad stelt vast dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in zijn rapport van 24 april 2008 uitgebreid motiveert waarom naar zijn oordeel uit de voorhanden medische informatie niet kan worden geconcludeerd dat er een eenduidige opvatting als evengenoemd over de arbeidsmogelijkheden van appellante bestaat. In de omtrent appellante uitgebrachte medische rapportages ziet de bezwaarverzekeringsarts geen onderbouwing voor de conclusie dat de klachten van appellante haar verhinderen om arbeid te verrichten. Zo er al sprake zou zijn van beperkingen bij appellante tot het verrichten van arbeid acht hij deze van een zodanige aard, dat zij niet in een functionele mogelijkheden lijst ‘gescoord’ kunnen worden. 9.6. In het licht van de over appellante beschikbare medische informatie kan de Raad de motivering van laatstbedoelde bezwaarverzekeringsarts van het Uwv niet voor onjuist houden. Uit de rapportages van de medisch deskundigen die appellante hebben onderzocht kan weliswaar worden afgeleid dat appellante klachten heeft en dat er enkele (lichte) beperkingen resteren na het haar overkomen ongeval, doch uit deze rapportages kan niet de conclusie worden getrokken dat zij als gevolg daarvan de in aanmerking komende arbeid niet zou kunnen verrichten. 9.7. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van een ziekte of gebrek, omdat er bij de medische deskundigen geen eenduidige opvatting over de medische problematiek zou bestaan. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt is daarmee in een geval als het onderhavige een verkeerde maatstaf aangelegd. De rechtbank heeft het bestreden besluit mitsdien terecht vernietigd. Uit het hiervoor overwogene volgt evenwel dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen blijven. 10. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin is beslist over de proceskosten en het griffierecht; Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit; Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven; Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008. (get.) H. Bolt. (get.) I.R.A. van Raaij. TM