
Jurisprudentie
BF0782
Datum uitspraak2008-09-16
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01967/07 Hs
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-17
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHerziening
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01967/07 Hs
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening geurproef. Uit de inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat, ook zonder het resultaat van de geurproef, aanvrager 1 van de personen is geweest die het tenlastegelegde heeft gepleegd. Geen sprake van een omstandigheid a.b.i. art. 457.1.2° Sv. De aanvraag wordt afgewezen.
Uitspraak
16 september 2008
Strafkamer
nr. 01967/07 Hs
SM/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zutphen van 3 maart 2006, nummer 06/802227-05, ingediend door mr. J.J.J.L. Maalstré, advocaat te Utrecht, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager vrijgesproken ter zake van het onder 2 tenlastegelegde en hem ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet tot een veroordeling zou hebben geleid indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3. Achtergrond van de aanvrage
Aan de aanvrage is gehecht een brief van 2 januari 2007 van het Arrondissementsparket te Zutphen gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. Het is de Hoge Raad ambtshalve bekend dat daarmee wordt gedoeld op de mogelijkheid dat de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zou zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
4. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
4.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC 8789).
4.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
4.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
5. Beoordeling van de aanvrage
5.1. Het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd betreft een veroordeling van de aanvrager ter zake van een op 15 augustus 2005 te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, gepleegde diefstal van autostoelen uit een personenauto.
5.2. De Politierechter heeft volstaan met een "Aantekening mondeling vonnis". In het dossier bevinden zich handgeschreven aantekeningen van de griffier van de terechtzitting. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het tenlastegelegde - zakelijk weergegeven - het volgende worden afgeleid.
(i) In de nacht van 15 augustus 2005 zijn uit een personenauto, een Renault Espace, kenteken [00-AA-BB], staande aan de [a-straat 1] te Apeldoorn vier autostoelen weggenomen. Een voorruit was ingeslagen. Daarvan is aangifte gedaan door de eigenaresse. (Proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde dossierpagina 030).
(ii) Op 15 augustus 2005 omstreeks 04.04 uur kwam bij de politie een melding binnen dat er op de [a-straat] ter hoogte van perceel [1] te Apeldoorn ingebroken werd in personenauto's. Volgens getuige [getuige 1] en zijn echtgenote [getuige 2], wonende aan de [a-straat] schuin tegenover nummer [1], zagen zij dat het ging om twee mannen. Zij hadden twee doffe klappen gehoord en gezien dat twee mannen "grote zwarte dingen" uit de auto op de oprit van perceel [a-straat 1] haalden en daarmee wegliepen in de richting van de Heemradenlaan en in een auto stapten. De ene man was donker gekleed en de ander droeg een grijs trainingspak. De mannen reden weg in een donkergekleurde Opel Tigra met een opvallend zwaar motorgeluid en blauwe binnenverlichting. Zij reden weg in de richting van de ringweg. De politie heeft naar aanleiding van deze melding in de directe omgeving van de plaats delict een post ingenomen op de kruising Heemradenlaan/Laan van Kuipershof/Laan van Maten. Omstreeks 04.15 uur passeerde er een blauwpaarse Opel Tigra met een zwaar motorgeluid en blauwe binnenverlichting. Op de Laan van Maten heeft de politie deze auto doen stilhouden. De inzittenden, de aanvrager en de medeverdachte [medeverdachte], voldeden aan het door de getuigen opgegeven signalement. Het voertuig is onderzocht waarbij een rugzak met daarin een zwarte bivakmuts, een schroevendraaier, een zaklantaarn en een paar handschoenen is aangetroffen. Toen een van de verbalisanten na de aanhouding van de aanvrager en de medeverdachte met de Opel Tigra de [a-straat] kwam oprijden, herkende getuige [getuige 1] de auto aan het geluid direct als de auto waarin de mannen waren weggereden. Na onderzoek op de plaats delict bleek dat twee auto's van het merk Renault Espace waren opengebroken, de ene staande op de oprit van perceel [a-straat 1], voorzien van kenteken [00-CC-DD], toebehorende aan de echtgenoot van de aangeefster, en de andere geparkeerd voor dit perceel aan de rijbaan, voorzien van kenteken [00-AA-BB]. Van beide auto's was een voorruit vernield, waren de beide voorstoelen in de slaapstand gezet en ontbraken de andere autostoelen. Vervolgens is onderzoek ingesteld in de richting van de Heemradenlaan, waarbij op de kruising van fietspaden gelegen tussen de [a-straat] en de Arthurgaarde twee autostoelen, afkomstig uit een van de opengebroken auto's, zijn gevonden. Deze autostoelen zijn nadien teruggegeven aan de aangeefster (Processen-verbaal van bevindingen, doorgenummerde dossierpagina's 007; 026-029; processen-verbaal van verhoor, doorgenummerde dossierpagina's 061-064).
(iii) De medeverdachte heeft verklaard dat hij de paarse Opel Tigra bestuurde, dat de aanvrager om 3.30 uur bij hem in de auto is gestapt en dat de in de auto aangetroffen inbrekersspullen wel van de aanvrager moeten zijn. (Processen-verbaal van verhoor, doorgenummerde dossierpagina's 034-039).
(iv) Uit door speurhondengeleider [verbalisant 1] werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente, op 25 augustus 2005 verrichte geuridentificatieproeven bleek onder meer dat speurhond Rex een geurovereenkomst waarnam tussen tenminste een van de aangeboden geurmonsters van de aangetroffen autostoelen en de geurdragers welke waren vastgehouden door de aanvrager. (Proces-verbaal, doorgenummerde dossierpagina's 046-050).
5.3. Uit de hiervoor weergegeven inhoud van de zich in het dossier bevindende stukken kan met voldoende mate van aannemelijkheid worden afgeleid dat, ook zonder de hiervoor onder (iv) vermelde resultaten van de geuridentificatieproeven in aanmerking te nemen, de aanvrager één van de personen is geweest die de tenlastegelegde diefstal heeft gepleegd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het, zoals ook de Politierechter blijkens de aantekeningen in het dossier bij de uitspraak heeft overwogen, onaannemelijk is dat, gelet op de herkenningen van de Opel Tigra en de verdachten en op de korte tijd tussen de melding en de aanhouding, een ander dan de aanvrager bij het feit betrokken is geweest.
5.4. Nu het bewezenverklaarde aldus ook zonder de resultaten van de geuridentificatieproeven uit het beschikbare bewijsmateriaal kan worden afgeleid, doet zich niet het hiervoor onder 4.3 bedoelde geval voor, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat de Politierechter de aanvrager van dat feit zou hebben vrijgesproken.
De aanvrage is dus kennelijk ongegrond en moet worden afgewezen.
6. Beslissing
De Hoge Raad wijst de aanvrage tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 16 september 2008.