
Jurisprudentie
BF0762
Datum uitspraak2008-09-09
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.001.685/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers107.001.685/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof is van oordeel dat, daargelaten de vraag of [appellante 2] na de beschikkingen van het hof van 24 augustus 2005 nog als voorzitter van Schaapstil kan worden aangemerkt, aan art. 5 lid 14 in ieder geval niet de bevoegdheid kon worden ontleend om bedoeld besluit te nemen. Deze bepaling heeft immers uitsluitend betrekking op de situatie dat er sprake is van een geschil omtrent een stemming waarin de statuten niet voorzien. Die situatie doet zich echter hier niet voor. Nu gesteld noch gebleken is dat [appellante 2] op grond van de statuten langs andere weg zelfstandig bevoegd was om het besluit te nemen, leidt dit tot het oordeel dat [appellante 2] in zoverre onbevoegd was.
Uitspraak
Arrest d.d. 9 september 2008
Zaaknummer 107.001.685/01 (voorheen rolnummer 0700204)
HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN
Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:
1. Stichting Schaapstil,
gevestigd te Leeuwarden,
hierna te noemen: Schaapstil,
2. [appellante 2],
wonende te [woonplaats appellante],
hierna te noemen: [appellante 2],
appellanten,
in eerste aanleg: eisers,
hierna gezamenlijk te noemen: Schaapstil c.s.,
advocaat: mr. R.A. Schütz,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats geïntimeerde],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. W.M. Sturms.
Het geding in eerste instantie
In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 16 augustus 2006 en 20 december 2006 door de rechtbank Leeuwarden.
Het geding in hoger beroep
Bij exploot van 20 maart 2007 is door Schaapstil c.s. hoger beroep ingesteld van het vonnis d.d. 20 december 2006 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 4 april 2007.
De conclusie van de memorie van grieven luidt:
"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, zal vernietigen het tussen partijen gewezen vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden, gewezen op 20 december 2006 onder zaaknummer 72575 HA ZA 05-873 en opnieuw recht doende appellant Schaapstil ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen en deze vorderingen primair alsnog toe te wijzen of subsidiair de zaak opnieuw ter inhoudelijke beoordeling naar de Rechtbank Leeuwarden terug te verwijzen, met veroordeling van geïntimeerde [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties".
Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:
"appellanten niet ontvankelijk te verklaren hun hoger beroep, althans het ingestelde hoger beroep te verwerpen en het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen, zonodig onder verbetering van de gronden, met onder veroordeling van appellanten in de kosten van de procedures in beide instanties, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad".
Voorts heeft [geïntimeerde] een akte genomen en Schaapstil c.s. een akte uitlating.
Ten slotte heeft [geïntimeerde] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.
De grieven
Schaapstil c.s. hebben vier grieven opgeworpen.
De beoordeling
1. Het hof overweegt allereerst het volgende.
In de kop van de memorie van grieven en de akte uitlating wordt - in weerwil van de omstandigheid dat de appeldagvaarding is uitgebracht door Schaapstil en [appellante 2] gezamenlijk - uitsluitend nog melding gemaakt van Schaapstil als appellante, terwijl ook uit de conclusie van de memorie van grieven afgeleid kan worden dat uitsluitend Schaapstil thans nog vordert dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd. [appellante 2] heeft evenwel niet bij akte ter rolle afstand van instantie gedaan, zodat het ervoor gehouden moet worden dat hij nog steeds partij is in deze procedure.
2. Het hoger beroep is niet gericht tegen het tussenvonnis van 16 augustus 2006, waarin de rechtbank de tussen partijen vaststaande feiten heeft vastgesteld. Dit brengt mee dat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Het hof zal die feiten, voor zover in hoger beroep relevant, hierna kort weergeven.
2.1 [appellante 2] en [geïntimeerde] hebben bij notariële akte van 28 december 2000 Schaapstil opgericht.
2.2 Zij hebben op een gegeven moment verschil van mening gekregen over de positie van [appellante 2] in het bestuur en over de uitbreiding van het bestuur met een aantal leden, hetgeen tot een tweetal procedures heeft geleid. Dit hof heeft bij (onherroepelijke) beschikking van 24 augustus 2005 beslist dat het bestuur van de stichting vanaf de oprichting tot eind april 2003 heeft bestaan uit [appellante 2], [geïntimeerde] en [bestuurslid] en sindsdien uitsluitend uit [appellante 2] en [geïntimeerde], zodat de inschrijving van een aantal andere bestuurders niet rechtsgeldig is geweest. Eveneens bij beschikking van 24 augustus 2005 is - voor zover hier van belang - het verzoek van Schaapstil en [geïntimeerde] tot ontslag van [appellante 2] als bestuurder afgewezen.
2.3 Art. 5 van de statuten van Schaapstil luidt - voor zover hier van belang - als volgt:
lid 9
Het bestuur kan in een vergadering alleen geldige besluiten nemen als de meerderheid van de in functie zijnde leden aanwezig is of vertegenwoordigd is.
Een bestuurslid kan zich op een vergadering door een medebestuurslid laten vertegenwoordigen door middel van een schriftelijke volmacht. Een bestuurslid kan slechts voor één medebestuurslid als gevolmachtigde optreden.
lid 10
Het bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk, per telefax, telegrafisch of per telex hun mening te uiten. Van een op die manier genomen besluit wordt onder bijvoeging van de ingekomen antwoorden door de secretaris een verslag opgemaakt, dat na mede-ondertekening door de voorzitter bij de notulen wordt gevoegd.
lid 11
Ieder bestuurslid heeft het recht tot het uitbrengen van één stem.
Voor zover deze statuten geen grotere meerderheid voorschrijven worden alle bestuursbesluiten genomen met meerderheid van geldig uitgebrachte stemmen.
lid 12
Op vergaderingen wordt mondeling gestemd, tenzij één van de bestuursleden schriftelijk stemming verlangd.
lid 13
Blanco stemmen worden beschouwd als niet te zijn uitgebracht.
lid 14
In geschillen omtrent stemmingen waarin de statuten niet voorzien beslist de voorzitter.
3. In de onderhavige procedure heeft Schaapstil bij de inleidende dagvaarding een aantal vorderingen jegens [geïntimeerde] ingesteld, die zijn gebaseerd op de stelling dat [geïntimeerde] in de periode dat [appellante 2] als bestuurder was uitgeschreven een aantal besluiten heeft genomen met verstrekkende gevolgen voor Schaapstil, die
- voor zover ze niet bekrachtigd zijn door het bevoegde bestuur - niet rechtsgeldig zijn, zodat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die hierdoor is ontstaan. Na vermeerdering van eis heeft Schaapstil voorts gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat alle besluiten die zijn genomen in de periode tussen 12 december 2002 en 24 augustus 2005, of zoveel later als de herinschrijving van [appellante 2] als bestuurder van Schaapstil in het handelsregister heeft plaatsgevonden, vernietigd zijn door het inroepen van de nietigheid daarvan, tenzij deze bekrachtigd zijn of bekrachtigd worden door het bestuur.
3.1 Daarnaast heeft [appellante 2] een vordering jegens [geïntimeerde] ingesteld die strekt tot vergoeding van schade. Deze vordering (verwezen zij naar onderdeel 6. van het petitum van de inleidende dagvaarding) is, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, in hoger beroep niet meer aan de orde.
4. De rechtbank heeft bij het beroepen eindvonnis overwogen dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat in het geval een rechtspersoon een rechtsgeding aanhangig maakt tegen een van haar bestuurders, sprake is van tegenstrijdig belang in de zin van art. 2:47 BW (verenigingen) en 2:146 BW (besloten vennootschappen). Hoewel in het geval van een stichting een expliciete wettelijke bepaling op dit punt ontbreekt, moeten volgens de rechtbank - bij gebreke van een andersluidende statutaire bepaling - ook bestuurders van stichtingen onbevoegd worden geacht tot vertegenwoordiging indien sprake is van tegenstrijdig belang. Deze onbevoegdheid leidt zij af uit "de ongeschreven rechtsregel dat vertegenwoordiging in geval van tegenstrijdige belangen niet is toegelaten". De rechtbank heeft vervolgens Schaapstil niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen, omdat "het bestuur niet bevoegd was tot het besluit om deze vorderingen in rechte aanhangig te maken.".
4.1 De rechtbank heeft de vordering van [appellante 2] afgewezen omdat deze partij bij gelegenheid van de comparitie heeft verklaard dat zijn vordering als vervallen kan worden beschouwd.
5. De grieven zijn uitsluitend gericht tegen de beslissing om de stichting in haar vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. [appellante 2] heeft derhalve geen grieven gericht tegen de afwijzing van zijn vordering. Het hof zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering in hoger beroep, nu gesteld noch gebleken is dat hij een persoonlijk belang heeft bij de vorderingen die betrekking hebben op de stichting.
6. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
6.1 Het gaat in dit geding om een procedure waarbij (onder meer) de interne aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon aan de orde is (art. 2:9 BW). Een dergelijke procedure moet worden ingesteld door de rechtspersoon. Zoals ook uit de ter zake relevante literatuur blijkt, geldt hierbij dat de wettelijke bepalingen inzake het tegenstrijdig belang van toepassing zijn.
6.2 Uit de wetsgeschiedenis van art. 51 K (oud), de voorloper van de artt. 2:146 en
2: 256 BW, blijkt dat bij de invoering van deze bepaling is gedacht aan onder meer rechtsgedingen tussen de vennootschap en haar bestuurders (hetgeen wel wordt aangeduid als het directe tegenstrijdig belang). In een dergelijk geval geldt voor zowel de besloten als de naamloze vennootschap dat, tenzij bij de statuten anders is bepaald, de vennootschap in alle gevallen waarin zij een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders, wordt vertegenwoordigd door commissarissen en voorts dat de algemene vergadering van aandeelhouders steeds bevoegd is een of meer andere personen aan te wijzen. Voor de vereniging geldt in het geval van tegenstrijdig belang met een of meer bestuurders of commissarissen dat de algemene vergadering een of meer personen kan aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen (art. 2:47 BW). In het laatste geval is derhalve sprake van een bevoegdheid en niet van een verplichting. De wet behelst geen bepaling omtrent het tegenstrijdig belang dat de stichting kan hebben met een of meer van haar bestuurders. De statuten kunnen wel voorzien in een regeling op dit punt. In deze procedure is evenwel niet in geschil dat de statuten een dergelijke regeling niet bevatten (zie de slotzin van r.o. 2.2 van het beroepen vonnis, waartegen geen grief is gericht terwijl ook niet anderszins van bezwaren daartegen is gebleken). In de literatuur bestaat verdeeldheid over het antwoord op de vraag of bestuurders van een stichting in een dergelijk geval bevoegd zijn tot vertegenwoordiging van de stichting.
6.3 Het hof is van oordeel dat de hiervoor bedoelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. In art. 2:292 lid 1 BW is immers bepaald dat het bestuur de stichting vertegenwoordigt, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. Nu zoals hiervoor vermeld een uitdrukkelijke wettelijke bepaling voor de stichting ontbreekt, is er geen grond voor het oordeel dat het bestuur desondanks niet bevoegd is om de stichting te vertegenwoordigen wanneer sprake is van een (direct) tegenstrijdig belang. Het hof acht geen termen aanwezig om - zoals in de literatuur wel wordt bepleit - de artikelen 2:146 c.q. 2:256 BW in een geval als dit analoog toe te passen. Het hof wijst er in dit verband op dat - zoals hiervoor al vermeld - voor de vereniging evenmin is bepaald dat het bestuur niet vertegenwoordigingsbevoegd is bij een tegenstrijdig belang, maar dat door de wetgever juist is bepaald dat de algemene vergadering een of meer personen kan aanwijzen. Het zonder meer doortrekken van de op dit punt (alleen) voor de besloten en naamloze vennootschap geldende, veel strengere, regeling naar andere rechtspersonen gaat naar het oordeel van het hof dan ook te ver. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat Schaapstil meerdere organen kent, zodat vertegenwoordigingsonbevoegdheid van het bestuur tot het op zichzelf bezien ongewenste gevolg zou leiden dat de stichting geen procedure kan beginnen op de voet van art. 2:9 BW tegen een van haar bestuurders. Mede om die reden ziet het hof evenmin aanleiding om andere bepalingen over vertegenwoordiging uit het BW (zoals art. 3:68) analoog toe te passen.
6.4 Gelet op het vorenstaande treffen de grieven in zoverre doel. Of dit Schaapstil ook baat zal hierna worden bezien.
7. Vervolgens is, gelet op het debat tussen partijen, de vraag aan de orde of er voorafgaand aan het uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 28 september 2005 een rechtsgeldig besluit door het bestuur is genomen om de onderhavige procedure te beginnen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat dit niet het geval is en heeft daarbij verwezen naar art. 5 leden 9 tot en met 11 van de statuten. Schaapstil daarentegen stelt zich op het standpunt dat [appellante 2] in periode dat het bestuur uit twee leden bestond gelet op het bepaalde in art. 5 lid 14 van de statuten als voorzitter een doorslaggevende stem had teneinde uit de patstelling te geraken. Bovendien is het besluit om tegen [geïntimeerde] te gaan procederen nadien - dat wil zeggen: nadat een derde lid tot het bestuur was toegetreden - buiten vergadering bekrachtigd door een meerderheid van het bestuur, te weten [appellante 2] en het nieuwe bestuurslid mw. [nieuw bestuurslid], aldus Schaapstil. Zij heeft hierbij verwezen naar een serie besluiten die bij brief van 27 augustus 2006 (productie 14 bij de akte uitlating, tevens strekkende tot wijziging van eis in prima van Schaapstil c.s.) aan [geïntimeerde] zijn voorgelegd en waarop [geïntimeerde] niet heeft gereageerd.
7.1 Het hof is van oordeel dat, daargelaten de vraag of [appellante 2] na de beschikkingen van het hof van 24 augustus 2005 nog als voorzitter van Schaapstil kan worden aangemerkt, aan art. 5 lid 14 in ieder geval niet de bevoegdheid kon worden ontleend om bedoeld besluit te nemen. Deze bepaling heeft immers uitsluitend betrekking op de situatie dat er sprake is van een geschil omtrent een stemming waarin de statuten niet voorzien. Die situatie doet zich echter hier niet voor. Nu gesteld noch gebleken is dat [appellante 2] op grond van de statuten langs andere weg zelfstandig bevoegd was om het besluit te nemen, leidt dit tot het oordeel dat [appellante 2] in zoverre onbevoegd was.
7.2 Wat betreft de vraag of nadien alsnog op rechtsgeldig wijze door het bestuur is besloten om de beslissing van [appellante 2] te bekrachtigen, overweegt het hof dat [geïntimeerde] onder meer heeft opgemerkt (memorie van antwoord, onder nr. 23) dat een formeel bestuursbesluit om het derde bestuurslid (mw. [nieuw bestuurslid]) te benoemen, ontbreekt. Schaapstil heeft dit als zodanig niet betwist, maar heeft wel naar voren gebracht dat [geïntimeerde] er in heeft toegestemd dat [nieuw bestuurslid] zou worden benoemd en dat het bestuur van Schaapstil sinds 11 december 2005 - de datum van inschrijving van [nieuw bestuurslid] als bestuurder in het handelsregister van de Kamer van Koophandel - weer uit drie leden bestaat. Wat er verder ook zij van de vraag of [geïntimeerde] feitelijk akkoord was met de "benoeming" van [nieuw bestuurslid], er is in dit geding gesteld noch gebleken dat op enig moment door [geïntimeerde] en [appellante 2] een besluit is genomen als bedoeld in art. 5 lid 9 van de statuten tot benoeming van [nieuw bestuurslid]. Onder deze omstandigheden kan er niet van worden uitgegaan dat het bestuur van Schaapstil is uitgebreid met de benoeming van een derde bestuurslid. Reeds om die reden kan naar het oordeel van het hof geen sprake zijn van bekrachtiging van een ongeldig besluit om [geïntimeerde] in rechte te betrekken.
7.3 Los daarvan overweegt het hof dat het bestuur weliswaar bevoegd is om besluiten buiten vergadering te nemen, maar daarvoor is vereist dat conform het bepaalde in art. 5 lid 10 van de statuten alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk hun mening te uiten. [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof terecht gesteld dat in dit geval niet aan dat vereiste is voldaan nu in de hiervoor bedoelde brief van 27 augustus 2006 - voor zover hier van belang - wordt vermeld:
"Conform statutaire voorwaarden worden de volgende besluiten aan alle bestuursleden ter inzage en accordering dan wel verwerping voorgelegd. De stemmen van de secretaris en voorzitter zijn reeds bijgevoegd en vormen daarmee een meerderheid van de in functie zijnde drie bestuursleden, waardoor deze besluitenlijst alleen pro forma en ter informatie aan dhr. [geïntimeerde] ter beschikking wordt gesteld. Bij uitblijven van bericht van de zijde van dhr. [geïntimeerde], wordt op basis van de statutaire voorschriften, de stem van dhr. [geïntimeerde] geregistreerd als een blanco stem."
Van het (vooraf) vragen van een mening van een bestuurslid kan derhalve niet worden gesproken, zodat ook om die reden bekrachtiging niet aan de orde kan zijn.
7.4 Ten slotte overweegt het hof in dit verband dat de in de brief van 27 augustus 2006 vermelde besluiten geen bekrachtiging bevatten van het besluit om tegen [geïntimeerde] te procederen. Dat besluit is immers vóór 28 september 2005 (datum uitbrengen inleidende dagvaarding) genomen, terwijl de door Schaapstil bedoelde "bekrachtiging" ziet op besluiten van na 12 december 2005 (zie besluit 2).
7.5 Het vorenstaande brengt het hof tot de conclusie dat een rechtsgeldig besluit van het bestuur van Schaapstil tot het voeren van de onderhavige procedure ontbreekt, zodat Schaapstil niet kan worden ontvangen in haar vorderingen.
De slotsom
8. Het vonnis waarvan beroep dient met verbetering van gronden te worden bekrachtigd met veroordeling van Schaapstil en [appellante 2] als de in het ongelijk te stellen partijen in de kosten van het geding in hoger beroep (tarief II, 1,5 punt).
De beslissing
Het gerechtshof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt Schaapstil en [appellante 2] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 850,00 aan verschotten en € 1.341,00 aan salaris voor de advocaat;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.
Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Telman en De Hek, raden,
en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 9 september 2008 in bijzijn van de griffier.