Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0760

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers382343/ CV EXPL 08-5004
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Vordering uit hoofde van geldlening. Eiseres vordert betaling door gedaagde van een door eiseres aan haar zoon en gedaagde geleend geldbedrag. Omdat niet is komen vast te staan dat de geldlening uitsluitend aan gedaagde ten goede is gekomen, is gedaagde niet gehouden tot terugbetaling van het gehele bedrag. Toepasselijkheid van de hoofdregel van artikel 6:6 lid 1 BW: verbondenheid voor gelijke delen.Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de helft.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector kanton Locatie Haarlem zaak/rolnr.: 382343/ CV EXPL 08-5004 datum uitspraak: 10 september 2008 VONNIS VAN DE KANTONRECHTER inzake [eiseres] te [woonplaats] eisende partij hierna te noemen [eiseres] gemachtigde mr. J.E. de Wijn tegen [gedaagde] te [woonplaats] gedaagde partij hierna te noemen [gedaagde] gemachtigde mr. M.A. Kanning De procedure [eiseres] heeft [gedaagde] gedagvaard op 22 april 2008. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft [eiseres] schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna [gedaagde] nog een schriftelijke reactie heeft gegeven. De feiten 1. [gedaagde] heeft een relatie gehad met de zoon van [eiseres], [XXX] (hierna: [XXX]). 2. In januari 2007 heeft [eiseres] bij Wehkamp een geldlening afgesloten ten bedrage van € 2.525,00 tegen een rente van 1.389 %, te voldoen in termijnen van € 78,00. 3. Begin februari 2007 heeft [gedaagde] het volgende SMS-bericht aan [eiseres] gestuurd: “maar ik betaal Robert gewoon elke maand ik ga hier fulltime aan het werk dus je wordt gewoon betaald […]” 4. Op 10 en 18 december 2007 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 2.000,00, waarbij hij onder meer het volgende heeft opgemerkt: “Bij deze doe ik u de brief toekomen van mw. [eiseres] uit [woonplaats], u bent haar € 2000 schuldig voor de betaling van de huurachterstand in januari 2007. Ondanks uw toezegging haar terug te zullen betalen heeft u dat niet gedaan. U heeft ook geen betalingen gedaan aan de zoon, de heer [XXX].” 5. Bij ongedateerd schrijven heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] medegedeeld: “ik heb begrepen dat mijn advocaat een brief heeft verstuurd waarin ik de lening ontken dat is natuurlijk helemaal niet het geval want ik heb wel degelijk geleend ik zou je willen voorstellen om het hele bedrag wat we hebben geleend mee te nemen in de schuldsanering […].” 6. Eveneens bij ongedateerd schrijven heeft [gedaagde] onder meer het volgende aan [eiseres] medegedeeld: “Ik stuur je deze brief n.a.v. de dagvaarding […] Het spijt me ook dat het allemaal zo is gelopen maar zoals je weet is er het afgelopen jaar nogal wat aan de hand geweest tussen Robert en mij waardoor ik mijn belofte van het afbetalen niet ben na gekomen […] Ik ben op het moment bezig met een aanvraag schuldsanering ik zou de helft (de andere helft komt toch op Robert neer) van jou schuld daarbij kunnen voegen […] ” De vordering [eiseres] vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 3.226,30, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.000,00 vanaf 1 maart 2007, en van een bedrag van € 175,00 als dwangsom voor iedere maand dat [gedaagde] in gebreke blijft met de maandelijkse aflossingstermijn. [eiseres] stelt daartoe het volgende. [gedaagde] heeft [eiseres] in januari 2007 om geld gevraagd voor de afbetaling van een huurschuld. [eiseres] heeft [gedaagde] € 2.000,00 geleend. Daarvoor heeft [eiseres] een lening bij Wehkamp afgesloten. Ondanks aanmaningen heeft [gedaagde] niet aan haar toezegging de lening te zullen terugbetalen voldaan. Daardoor is de vordering per 14 april 2008 opgelopen tot € 3.226,30, exclusief de verplichte termijnbetaling van € 100,00. [gedaagde] dient dit bedrag aan [eiseres] te voldoen. Omdat [gedaagde] tot nu toe niet bereid is geweest om aan haar verplichting tot terugbetaling te voldoen, zijn er gronden voor de gevorderde dwangsom. Het verweer [gedaagde] betwist de vordering. Zij voert daartoe, voor zover van belang, het volgende aan. [eiseres] heeft geen vordering op [gedaagde], omdat [gedaagde] geen geld van [eiseres] heeft geleend. [XXX] heeft, toen hij en [gedaagde] samenwoonden, € 1.880,00 van zijn moeder geleend om een huurschuld van hem en [gedaagde] samen te kunnen afbetalen. [XXX] kreeg daardoor een vordering op [gedaagde] voor de helft van dit bedrag. [gedaagde] zou € 940,00 aan [XXX] betalen. Gebleken is dat [XXX] het geleende bedrag heeft gebruikt voor het opzetten van een hennepkwekerij. De beoordeling van het geschil [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat zij aan [eiseres] geld verschuldigd is uit hoofde van een geldlening. [eiseres] heeft als reactie daarop de hiervoor genoemde (ongedateerde) brieven van [gedaagde] in het geding gebracht en betoogd dat uit die brieven blijkt dat [gedaagde] erkent dat zij een bedrag van € 2.000,00 aan [eiseres] verschuldigd is. Ter zake wordt door de kantonrechter het volgende overwogen. In de inleidende dagvaarding stelt [eiseres] de lening te hebben verstrekt teneinde [gedaagde] en [XXX] voor een huisuitzetting te behoeden. Nu [eiseres] volhardt in haar standpunt dat [gedaagde] haar de geldlening moet terugbetalen, had het op haar weg gelegen om feiten en omstandigheden aan te voeren, die erop wijzen dat de geldlening aan [gedaagde] persoonlijk is verstrekt dan wel ten goede is gekomen. Uit de door [eiseres] overgelegde brieven van [gedaagde] kan zulks in ieder geval niet worden afgeleid. In de ene brief heeft [gedaagde] het immers over “het gehele bedrag dat we hebben geleend”. In de andere brief stelt zij: “de andere helft komt toch op Robert neer”. Nu door [eiseres] geen andere feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waarin haar betoog steun kan vinden, slaagt het verweer van [gedaagde] in zoverre, dat niet is komen vast te staan dat zij, met uitsluiting van [XXX], de geldlening aan [eiseres] terug moet betalen. Met andere woorden: omdat de geldlening aan zowel [gedaagde] als [XXX] ten goede is gekomen, zijn zij beiden gehouden tot terugbetaling van die geldlening. Nu uit de wet, gewoonte of rechtshandeling niet voortvloeit dat [gedaagde] en [XXX] voor ongelijke delen of hoofdelijk verbonden zijn jegens [eiseres], brengt het bepaalde in artikel 6:6 lid 1 BW mee dat ieder voor een gelijk deel tot terugbetaling is verbonden. [gedaagde] is dus de helft van het door [eiseres] geleende bedrag verschuldigd. Volgens [gedaagde] bedroeg de geldlening geen € 2.000,00 maar € 1.880,00. Door [eiseres] zijn geen bewijsstukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij het door haar gestelde bedrag van € 2.000,00 aan [XXX] en [gedaagde] heeft geleend. Dit brengt mee dat de vordering toewijsbaar is tot de helft van het door [gedaagde] erkende bedrag van € 1.880,00, derhalve € 940,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 maart 2007 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor toewijzing van het gedeelte van de vordering dat ziet op de door [eiseres] aan Wehkamp betaalde rente en betalingsgarantie zijn geen gronden, nu gesteld noch gebleken is dat partijen de verschuldigdheid van deze rente en betalingsgarantie zijn overeengekomen. Noch daargelaten het feit dat toewijzing van een dwangsom niet mogelijk is bij een geldvordering, dient het daarop betrekking hebbende gedeelte van de vordering te worden afgewezen bij gebreke van valide grondslag, nu gesteld noch gebleken is dat sprake is van een overeengekomen maandelijkse aflossingstermijn. De proceskosten zullen worden gecompenseerd, nu partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld. Beslissing De kantonrechter: - veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 940,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 maart 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening; - bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; - wijst af het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. E.P. Stolp en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.