Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0731

Datum uitspraak2008-09-12
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5494 WAJONG
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening Wajong-uitkering. Een door de rechtbank verworpen functie -waarin het Uwv heeft berust- niet opnieuw -ook niet met nadere motivering- bij schatting betrekken. Urenbeperking. Als het aantal toegestane arbeidsuren op weekbasis niet wordt overschreden, kan overschrijding op dagbasis dan aanvaardbaar worden geacht?


Uitspraak

06/5494 WAJONG Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 augustus 2006, 06/1238 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 12 september 2008 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2008. Appellant is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.H.A.H. Smithuysen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, geboren op [geboortedatum], lijdt aan hereditaire drukneuropathie (HNPP). Na een daartoe strekkend verzoek heeft de rechtsvoorganger van het Uwv hem in verband hiermee met ingang van 11 juni 2001 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Gegeven de uitkomsten van een herbeoordeling begin 2005 heeft het Uwv bij besluit van 11 maart 2005 de uitkering van appellant met ingang van 12 mei 2005 ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid was afgenomen naar minder dan 25%. 2.1. Nadat appellant bezwaar had gemaakt tegen het in 1.2 vermelde besluit, heeft de bezwaarverzekeringsarts, naar blijkt uit zijn rapport van 12 september 2005 - in zoverre in afwijking van de conclusies van de verzekeringsarts - een urenbeperking tot halve dagen aan de orde geacht, zowel uit een oogpunt van preventie als op energetische gronden. 2.2. De bezwaararbeidsdeskundige heeft, uitgaande van de aldus gewijzigde belastbaarheid van appellant, opnieuw het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) geraadpleegd en vastgesteld dat appellant, gegeven de aan de nader geselecteerde functies te ontlenen verdiencapaciteit, nog een zodanig loon kan verdienen dat hij arbeidsongeschikt is te achten naar een mate van 55 tot 65%. 2.3. Bij besluit van 21 december 2005, (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard, hem op en na 12 mei 2005 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht en zijn Wajong-uitkering met ingang van 13 februari 2006 herzien naar de klasse 55 tot 65%. 3.1. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen, waarbij ook informatie van behandelend artsen van appellant is betrokken, voldoende zorgvuldig is geweest. De neuroloog dr. N.C. Notermans heeft, aldus de rechtbank, behoudens verlaagde reflexen en een licht gestoorde vibratiezin, bij appellant geen afwijkingen gevonden. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden geconcludeerd dat geen sprake is van een dusdanig ernstige medische situatie, dat gesteld zou moeten worden dat appellant geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Voorts is door de bezwaarverzekeringsarts, gegeven de aangenomen urenbeperking, voldoende rekening gehouden met de verlaagde inspanningstolerantie van appellant. Al met al is volgens de rechtbank voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant. 3.2. Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank in de eerste plaats overwogen dat de functie van verkoper confectie, behorend tot de SBC-code 317014 (verkoper winkel), niet aan de schatting ten grondslag mag worden gelegd, daar niet is gemotiveerd waarom deze functie, ondanks een signalering op het item stof, voor appellant passend kan worden beschouwd. Het bestreden besluit kan daarom, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in rechte geen stand houden. 3.3. De rechtbank heeft evenwel aanleiding gevonden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat na het vervallen van de functie van verkoper confectie voldoende voor appellant passend te achten functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren, welke functies niet tot een andere schattingsuitkomst leiden. 4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, komt in essentie erop neer dat hij ernstiger beperkt is dan waarvan het Uwv is uitgegaan en dat nog meer functies voor hem medisch ongeschikt zijn dan de door de rechtbank verworpen functie van verkoper confectie. Appellant verwijst hierbij naar een schrijven van zijn behandelend neuroloog Notermans van 27 juni 2006. 4.2. De Raad kan zich in navolging van de rechtbank niet stellen achter deze eigen opvatting van appellant inzake de ernst van zijn beperkingen en de invloed daarvan op zijn arbeidsmogelijkheden. De Raad verenigt zich met de ter zake door de rechtbank gegeven overwegingen en het daarop gegronde oordeel. 4.3. De Raad merkt daarbij op dat de brief van neuroloog Notermans van 27 juni 2006 waarop door appellant een beroep wordt gedaan, reeds in de fase van het beroep door de bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek is gezien en becommentarieerd. De reactie van de bezwaarverzekeringsarts komt erop neer dat de door Notermans vermelde diagnose, namelijk erfelijke drukneuropathie, op zich niet van belang is voor het vaststellen van de beperkingen, dat reeds forse beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken 3 (aanpassing aan de fysieke omgevingseisen) en 4 (dynamische handelingen) en dat, zo begrijpt de Raad, in de brief van Notermans ook overigens geen aanleiding is gelegen om meer beperkingen van toepassing te achten. De Raad kan zich daarin vinden. Objectief-medische gronden om meer beperkingen aan te nemen vallen aan de brief van Notermans niet te ontlenen en zijn ook overigens in hoger beroep niet kunnen blijken. 5.1. Wat betreft de arbeidskundige grondslag overweegt de Raad in de eerste plaats dat namens het Uwv ter zitting is opgemerkt dat de door de rechtbank verworpen functie van verkoper confectie door de bezwaararbeidsdeskundige - blijkens diens rapport van 14 april 2008 - ten onrechte weer bij de schatting is betrokken. De Raad is het daarmee eens. De rechtbank heeft immers expliciet overwogen dat bedoelde functie niet aan de schatting ten grondslag kan worden gelegd zodat er, nu het Uwv in de uitspraak van de rechtbank heeft berust, geen ruimte is - ook niet met een nadere motivering - om die functie wederom bij de schatting te betrekken. 5.2. Voorts is de Raad van oordeel - en hier wijkt de Raad af van de rechtbank - dat ook een aantal van de overige bij de schatting in aanmerking genomen functies dient te vervallen. De Raad overweegt in dit verband dat de bezwaarverzekeringsarts, naar hiervoor is aangegeven, voor appellant een urenbeperking van toepassing heeft geacht van halve dagen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 12 september 2005 deze beperking weliswaar niet exact op het maximaal per dag en/of per week te werken aantal uren omschreven, maar de Raad gaat ervan uit dat dit moet worden begrepen als (ongeveer, zie hierna) 4 uur per dag en 20 uur per week, zoals is neergelegd in de door de bezwaarverzekeringsarts aangepaste kritische Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). 5.3. De Raad is van oordeel dat, ook al zou ervan moeten worden uitgegaan dat er in deze beperking een zekere marge aanwezig is als omschreven in rubriek 6 van de - door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde en ondertekende - FML, namelijk: “kan gemiddeld ongeveer 4 uur per dag werken”, c.q: “kan gemiddeld ongeveer 20 uur per week werken”, een aantal van de bij de schatting betrokken functies, gelet op het daarin per dag en/of per week te werken aantal uren, niet als voor appellant passend kan worden aanvaard. 5.4. Zo moet in de onder SBC-code 342021 (portier, toezichthouder) ressorterende functie van suppoost op de zaterdagen en de zondagen 5,5 uur worden gewerkt. Dat komt neer op een overschrijding van het toegestane aantal van 4 uur per dag met 37,5%. Een dergelijke overschrijding kan niet geacht worden te vallen binnen de toegestane urenbeperking, ook al zou ervan worden uitgegaan dat deze een zekere marge kent, als hiervoor weergegeven. Daarbij komt dat de door de bezwaararbeidsdeskundige verstrekte motivering waarom deze overschrijding is toegestaan, inhoudende dat het een rustige functie betreft waarin regelmatig kan worden gezeten, bezwaarlijk anders kan worden opgevat dan als een volgens vaste rechtspraak niet toegestane relativering achteraf van de door de bezwaarverzekeringsarts aangegeven belastbaarheid. 5.5. Ten aanzien van onder dezelfde SBC-code vallende functie van zwembadmedewerker geldt dat daarin gemiddeld 10 uur per week en dagelijks maximaal 5 uur per dag moet worden gewerkt. Een arbeidsomvang van 5 uur per dag levert ten opzichte van het toegestane aantal van 4 uur per dag een overschrijding op van 25%. Als onderdeel van de toelichting waarom dit voor appellant niettemin geen bezwaar zou vormen, heeft de bezwaararbeidsdeskundige erop gewezen dat in overleg met collega’s altijd op een minder aantal uren per dag kan worden gewerkt. De Raad acht dit een niet toegestane relativering van de in het CBBS vastgelegde arbeidsomvang van deze functie. De door de bezwaararbeidsdeskundige benadrukte omstandigheid dat, nu er slechts op 2 dagen per week behoeft te worden gewerkt, het aantal toegestane arbeidsuren op weekbasis niet wordt overschreden, kan mede in het licht van het bovenstaande geen toereikende grond vormen om de overschrijding op dagbasis aanvaardbaar te achten. De Raad wijst erop dat in rubriek 6 van de FML expliciet is aangegeven dat appellant “gemiddeld ongeveer 4 uur per dag“ kan werken. Met 2 dagen per week van elk 5 uur wordt geen gemiddelde van ongeveer 4 uur per dag bereikt. 5.6. Ten aanzien van de functie verkoper kantoorvakhandel, deel uitmakend van de eerder genoemde SBC-code 317014, waarin op enkele dagen per week ook gedurende 5 uur moet worden gewerkt, gelden in overwegende mate soortgelijke bezwaren als hiervoor weergegeven. 5.7. De Raad stelt vast dat met het vervallen van de hiervoor besproken functies de onderhavige schatting een toereikende arbeidskundige grondslag komt te ontberen. 5.8. De Raad stelt op grond van het bovenstaande vast dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het door haar vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. 6.1. Er is niet gebleken van aan de zijde van appellant in hoger beroep gevallen proceskosten die voor vergoeding vanwege het Uwv in aanmerking komen. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak in zoverre daarbij de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand zijn gelaten; Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit dient te nemen op het bezwaar van appellant; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en R. Kruisdijk als leden. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 september 2008. (get.) J.W. Schuttel. (get.) A.C.A. Wit. GdJ