
Jurisprudentie
BF0720
Datum uitspraak2008-09-04
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers07/2143 BESLU
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-15
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers07/2143 BESLU
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij verkeersbesluit is een deel van de Oude Zutphenseweg te Vorden afgesloten voor alle motorvoertuigen, uitgezonderd bestemmingsverkeer. Aan dat besluit heeft het College ten grondslag gelegd dat daarmee de gevoelens van onveiligheid bij fietsers worden gediend. De rechtbank vernietigt het besluit, omdat het College geen enkel onderzoek heeft gedaan naar de gevoelens van onveiligheid bij fietsers en de Oude Zutphenseweg gelet op de ongevalsstatistieken niet als objectief onveilig kan worden aangemerkt. Het besluit wordt ook vernietigd omdat het College de economische belangen van een transportondernemer niet heeft onderzocht en niet heeft betrokken in de belangenafweging.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige kamer
Reg.nr.: 07/2143 BESLU
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ecotrans B.V.
gevestigd te Zelhem,
eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bronckhorst,
verweerder.
1. Bestreden besluit
Besluit van verweerder van 23 oktober 2007.
2. Feiten
Eiseres drijft een transportonderneming die sinds december 2000 een vestiging heeft op het bedrijventerrein Werkveld te Vorden. Dit bedrijventerrein grenst aan de Oude Zutphenseweg.
Verweerder heeft van 26 juni 2007 tot 6 augustus 2007 een voorgenomen besluit ter inzage gelegd, strekkende tot het afsluiten van de Oude Zutphenseweg te Vorden ter hoogte van de Berkel door het plaatsen van een paal, het openstellen van de knip tussen de Oude Zutphenseweg en de Almenseweg en het instellen van een verbod voor vrachtverkeer, met uitzondering van bestemmingsverkeer, op de Oude Zutphenseweg tussen de Kerkhoflaan en de Wildenborchseweg. Hierop is onder meer door eiseres schriftelijk een zienswijze ingebracht.
Bij besluit van 23 oktober 2007 heeft verweerder het verkeersbesluit genomen om de Oude Zutphenseweg tussen de Galgengoorweg en de Van Lennepweg te Vorden tijdelijk, voor de periode van één jaar, af te sluiten voor motorvoertuigen, door het plaatsen van borden.
3. Procesverloop
Bij brief van 3 december 2007 heeft de gemachtigde van eiseres, mr. M.H.M. Deppenbroek, advocaat te Doetinchem, beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 10 december 2007, ingekomen op 18 januari 2008. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 12 augustus 2008, waar eiseres is vertegenwoordigd door haar bestuurder, B. Wesselink, bijgestaan door haar gemachtigde, mr. Deppenbroek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.H. Knoef.
4. Motivering
4.1. De rechtbank heeft allereerst te bezien of eiseres belanghebbende is bij het bestreden besluit. Dienaangaande stelt de rechtbank voorop dat het niet de bedoeling van de wetgever is beroep open te stellen voor een ieder. Dat geldt met name voor een verkeersbesluit als het onderhavige, waarbij de belangen van velen kunnen zijn betrokken. Bij dergelijke besluiten dient van geval tot geval te worden onderzocht wiens belangen daarbij rechtstreeks zijn betrokken. Naar vaste jurisprudentie (o.a. uitspraken van 13 maart 2002, AB 2002, 173, en 22 oktober 2003, JB 2003, 341) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) kan daarbij het vereiste van een bijzonder individueel belang een rol spelen. Uit dit vereiste volgt dat degene die in bezwaar wil gaan tegen een verkeersbesluit, zich in zijn belangen in voldoende mate dient te onderscheiden van de belangen van andere weggebruikers.
De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat eiseres geen bijzonder individualiseerbaar belang heeft bij het onderhavige verkeersbesluit en daarom geen belanghebbende bij dat besluit is. De verkeersbesluiten van 23 oktober 2007 hebben immers niet alleen tot gevolg dat eiseres geen gebruik meer kan maken van de Oude Zutphenseweg, maar ook dat het bedrijventerrein waar eiseres een vestiging heeft nog maar van één zijde (de zuidelijke) bereikbaar is. Eiseres onderscheidt zich in zoverre in voldoende mate van andere weggebruikers.
4.2. De rechtbank volgt verweerder evenmin in zijn stelling dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het is gebaseerd op gronden die niet reeds in de zienswijze naar voren zijn gebracht. Uit de wet noch uit enig rechtsbeginsel vloeit voort dat gronden die niet expliciet in de zienswijze zijn aangevoerd, vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Nu de beroepsgronden in voldoende mate verband houden met hetgeen eiseres in de zienswijze heeft aangevoerd, is er geen reden waarom de rechtbank niet mede op basis van deze gronden uitspraak zou kunnen doen.
4.3. De rechtbank komt tot de volgende inhoudelijke beoordeling.
Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) bepaalt dat de krachtens de WVW 1994 vastgestelde regels kunnen strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.
Artikel 18, eerste lid onder d, van de WVW 1994 bepaalt dat verkeersbesluiten worden genomen door burgemeester en wethouders, voor zover zij het verkeer op andere wegen betreffen.
4.4. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het nemen van een verkeersbesluit als het onderhavige naar vaste jurisprudentie (o.a. uitspraak van de Afdeling van 24 april 2007, AB 2007, 154) een ruime beoordelingsmarge toekomt. Het is aan verweerder om alle verschillende bij het nemen van een dergelijk besluit betrokken belangen tegen elkaar af te wegen. De rechter zal zich bij de beoordeling van een dergelijk besluit terughoudend moeten opstellen en dienen te toetsen of het besluit niet strijdig is met wettelijke voorschriften, dan wel sprake is van zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.
Een verkeersbesluit als het onderhavige dient voorts te voldoen aan de in de wegenverkeerswetgeving neergelegde motiveringseisen. Artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) bepaalt dat in de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval moet worden vermeld welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.
4.5. Blijkens de gedingstukken beoogt verweerder met het bestreden besluit de verkeersveiligheid voor fietsers te verbeteren. Het bestreden besluit vermeldt dat daarmee het belang als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de WVW 1994 wordt gediend. Gelet op deze explicitering ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te volgen in zijn stelling dat met het bestreden besluit tevens het belang om sluipverkeer tegen te gaan en belang van buurtbewoners om niet geconfronteerd te worden met (geluids-)overlast van vrachtverkeer, wordt gediend.
4.6. Uit de ongevalstatistieken leid de rechtbank af dat in de jaren 2002 tot en met 2006 acht ongevallen op de Oude Zutphenseweg hebben plaatsgevonden. In twee gevallen heeft dat geleid tot letsel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van deze gegevens terecht geconcludeerd dat de Oude Zutphenseweg niet als objectief onveilig kan worden aangemerkt.
De rechtbank volgt verweerder evenwel niet in zijn stelling dat de Oude Zutphenseweg als subjectief onveilig voor fietsers moet worden aangemerkt. De rechtbank sluit niet op voorhand uit dat ook gevoelens van onveiligheid redengevend kunnen zijn voor een verkeersbesluit als het onderhavige, maar dan zal hiervan op genoegzame wijze moeten blijken. De rechtbank constateert dat verweerder geen enkel onderzoek heeft verricht naar de veiligheidsbeleving van fietsers op de Oude Zutphenseweg. Nu uit de mechanische verkeerstellingen kan worden afgeleid dat vrachtverkeer ca. 7% tot 19% vormt van de totale verkeersintensiteit op de Oude Zutphenseweg, bestond voor een dergelijk onderzoek evenwel alle aanleiding.
Ter zitting is voorts gebleken dat verweerder evenmin onderzoek heeft verricht naar de economische gevolgen van het verkeersbesluit voor eiseres en dat de belangen van eiseres ook niet zijn afgewogen tegen de andere in het geding zijnde belangen.
Het standpunt van verweerder dat een maatregel als hier aan de orde moet worden beschouwd als een normale maatschappelijke ontwikkeling waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de betrokkenen behoren te blijven, laat onverlet dat zich feiten of omstandigheden kunnen voordoen waardoor een individueel belang ten gevolge van een maatregel als de onderhavige zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van de betrokkenen kan worden gelaten. Niet in geschil is dat de vrachtwagens van eiseres als gevolg van het verkeersbesluit kilometers moeten omrijden, zodat evident is dat eiseres als gevolg van het verkeersbesluit schade lijdt. Gelet hierop bestond er alle aanleiding voor een onderzoek naar de economische gevolgen van het verkeersbesluit voor eiseres. Dat in het algemeen schade als gevolg van een verkeersbesluit voor eigen rekening placht te komen, doet niet af aan de verplichting van verweerder om kennis te vergaren omtrent de in het geding zijnde belangen en die belangen vervolgens behoorlijk af te wegen. Dat is in het onderhavige geval ten onrechte nagelaten.
4.7. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4, eerste lid, en 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking, hetgeen met zich brengt dat de verkeersmaatregel komt te vervallen.
4.8. Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiseres. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend (beroepschrift: 1 punt; zitting: 1 punt), waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.
5. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de gemeente Bronckhorst het betaalde griffierecht van € 281,= aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,=, te betalen door de gemeente Bronckhorst.
Aldus gegeven door mr. Tj. Gerbranda en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.