Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0698

Datum uitspraak2008-09-08
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200709174/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

BMA-advies / vergewisplicht staatssecretaris/vliegreisgeschiktheidsonderzoek
Volgens het BMA-advies van 10 januari 2007 kan de vreemdeling niet reizen, tenzij vlak voor de reis een vliegreisgeschiktheidsonderzoek plaatsvindt om te bepalen of zij op dat moment kan reizen en om te beoordelen welke medische begeleiding tijdens de reis noodzakelijk is. Voorts dient zij medicatie mee te nemen en te continueren tijdens de reis, dient zij gedurende de reis te kunnen beschikken over een rolstoel, is het regelen van een schriftelijke overdracht van medische gegevens noodzakelijk en dient zij in het land van herkomst te beschikken over een mantelzorgnetwerk. Volgens het BMA-advies van 27 februari 2007 naar aanleiding van de brief van de huisarts van de vreemdeling van 8 februari 2007, waarin is gesteld dat de vreemdeling op korte termijn niet in staat is te reizen, is in het eerdere advies reeds gesteld dat de vreemdeling niet in staat is om te reizen, tenzij er vlak voor de reis een vliegreisgeschiktheidsonderzoek door een arts plaatsvindt. Bij de vreemdeling is sprake van een wisselende gezondheidssituatie; er zijn echter geen structurele belemmeringen om te vliegen. Daargelaten of uit het rapport Medische advisering volgt dat de formulering "kan niet reizen, tenzij" dezelfde betekenis heeft als de voorheen gebruikte formulering "kan reizen, mits", is van belang dat het BMA in dit geval, in antwoord op de vraag of de vreemdeling op basis van de huidige medische inzichten en diens klachten kan reizen, heeft gesteld dat de vreemdeling niet kan reizen, tenzij vlak voor de reis een vliegreisgeschiktheidsonderzoek plaatsvindt om te bepalen of zij op dat moment kan reizen en om te beoordelen welke medische begeleiding tijdens de reis noodzakelijk is en derhalve de beoordeling of de vreemdeling in staat is te reizen afhankelijk heeft gesteld van nader medisch onderzoek naar de vliegreisgeschiktheid. Uit de adviezen kan dan ook niet anders worden afgeleid dan dat, zolang dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden, de vreemdeling door het BMA niet in staat wordt geacht te reizen. Nu ten tijde van het besluit op bezwaar geen nader onderzoek naar de vliegreisgeschiktheid door een arts had plaatsgevonden, waaruit bleek dat de vreemdeling op dat moment in staat werd geacht te reizen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich niet op basis van de BMA-adviezen op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling in staat wordt geacht te reizen. De toezegging dat, indien uit het onderzoek zal blijken dat de vreemdeling niet kan reizen, zij niet zal worden uitgezet, is onvoldoende om het standpunt van de staatssecretaris te ondersteunen. De staatssecretaris had zich ervan dienen te vergewissen dat niet onmogelijk is dat de vreemdeling bij daadwerkelijke uitzetting in staat is te reizen. Bij gebreke van een nader medisch onderzoek waaruit dit blijkt, heeft de staatssecretaris, gelet op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, op basis van de BMA-adviezen de aanvraag niet kunnen afwijzen wegens het ontbreken van een mvv. De grief faalt.


Uitspraak

200709174/1. Datum uitspraak: 8 september 2008 RAAD VAN STATE AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie, appellant, tegen de uitspraak in zaak nr. 07/22117 van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 4 december 2007 in het geding tussen: [de vreemdeling] en de staatssecretaris van Justitie. 1. Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2004 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een aanvraag van [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 8 mei 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht. Bij uitspraak van 4 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 december 2007, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens is het onderzoek gesloten. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv), indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen. Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient voor deze vrijstelling beoordeeld te worden of de vreemdeling in staat is te reizen naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf en in staat kan worden geacht daar de behandeling af te wachten van een door hem in te dienen mvv-aanvraag. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. 2.2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij op basis van de adviezen van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) niet kon concluderen dat niet is gebleken dat de vreemdeling niet zou kunnen reizen. Hij voert hiertoe aan, onder verwijzing naar het rapport "Medische advisering in het kader van vreemdelingenbeleid door BMA" van de Inspectie voor de Gezondheidszorg van juni 2006 (hierna: het rapport Medische advisering), dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, met de in de adviezen van het BMA gebezigde formulering "kan niet reizen, tenzij" niets anders wordt bedoeld dan met het voorheen gebruikte "kan reizen, mits". De formulering "kan niet reizen, tenzij" wordt door het BMA thans onder meer gebezigd in de gevallen, zoals dit geval, waarin is geadviseerd dat een medische beoordeling direct vóór de reis noodzakelijk is (fit to fly), waarmee wordt benadrukt dat de vreemdeling niet kan worden uitgezet voordat de reisvoorwaarden zijn vervuld. De rechtbank heeft volgens hem dan ook miskend dat hij zich op grond van de BMA-adviezen in het besluit van 8 mei 2007 terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de vreemdeling op dat moment niet zou kunnen reizen en dat, nu de passages uit het BMA-advies van 10 januari 2007 onderdeel uitmaken van dit besluit, hij de in dat BMA-advies gestelde voorwaarden voor uitzetting heeft aanvaard en in zijn besluitvorming heeft betrokken. Er is geen grond voor het oordeel dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht bij een uitzetting aan die voorwaarden te voldoen. Indien bij de verwijdering blijkt dat aan de voorwaarden voor uitzetting niet kan worden voldaan, zal geen gedwongen uitzetting plaatsvinden, aldus de staatssecretaris. 2.2.1. Volgens het BMA-advies van 10 januari 2007 kan de vreemdeling niet reizen, tenzij vlak voor de reis een vliegreisgeschiktheidsonderzoek plaatsvindt om te bepalen of zij op dat moment kan reizen en om te beoordelen welke medische begeleiding tijdens de reis noodzakelijk is. Voorts dient zij medicatie mee te nemen en te continueren tijdens de reis, dient zij gedurende de reis te kunnen beschikken over een rolstoel, is het regelen van een schriftelijke overdracht van medische gegevens noodzakelijk en dient zij in het land van herkomst te beschikken over een mantelzorgnetwerk. Volgens het BMA-advies van 27 februari 2007 naar aanleiding van de brief van de huisarts van de vreemdeling van 8 februari 2007, waarin is gesteld dat de vreemdeling op korte termijn niet in staat is te reizen, is in het eerdere advies reeds gesteld dat de vreemdeling niet in staat is om te reizen, tenzij er vlak voor de reis een vliegreisgeschiktheidsonderzoek door een arts plaatsvindt. Bij de vreemdeling is sprake van een wisselende gezondheidssituatie; er zijn echter geen structurele belemmeringen om te vliegen. 2.2.2. Daargelaten of uit het rapport Medische advisering volgt dat de formulering "kan niet reizen, tenzij" dezelfde betekenis heeft als de voorheen gebruikte formulering "kan reizen, mits", is van belang dat het BMA in dit geval, in antwoord op de vraag of de vreemdeling op basis van de huidige medische inzichten en diens klachten kan reizen, heeft gesteld dat de vreemdeling niet kan reizen, tenzij vlak voor de reis een vliegreisgeschiktheidsonderzoek plaatsvindt om te bepalen of zij op dat moment kan reizen en om te beoordelen welke medische begeleiding tijdens de reis noodzakelijk is en derhalve de beoordeling of de vreemdeling in staat is te reizen afhankelijk heeft gesteld van nader medisch onderzoek naar de vliegreisgeschiktheid. Uit de adviezen kan dan ook niet anders worden afgeleid dan dat, zolang dat onderzoek niet heeft plaatsgevonden, de vreemdeling door het BMA niet in staat wordt geacht te reizen. Nu ten tijde van het besluit op bezwaar geen nader onderzoek naar de vliegreisgeschiktheid door een arts had plaatsgevonden, waaruit bleek dat de vreemdeling op dat moment in staat werd geacht te reizen, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich niet op basis van de BMA-adviezen op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling in staat wordt geacht te reizen. De toezegging dat, indien uit het onderzoek zal blijken dat de vreemdeling niet kan reizen, zij niet zal worden uitgezet, is onvoldoende om het standpunt van de staatssecretaris te ondersteunen. De staatssecretaris had zich ervan dienen te vergewissen dat niet onmogelijk is dat de vreemdeling bij daadwerkelijke uitzetting in staat is te reizen. Bij gebreke van een nader medisch onderzoek waaruit dit blijkt, heeft de staatssecretaris, gelet op artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, op basis van de BMA-adviezen de aanvraag niet kunnen afwijzen wegens het ontbreken van een mvv. De grief faalt. 2.3. In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit van 8 mei 2007 opgenomen overwegingen met betrekking tot mantelzorg ter zitting zijn komen te vervallen. Hij betoogt hiertoe dat hij, anders dan in de tweede zin van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting staat vermeld, ter zitting van de rechtbank alleen de overwegingen met betrekking tot de mantelzorg door de in Nederland woonachtige (klein)kinderen heeft laten vallen en dat uit de laatste alinea van het proces-verbaal kan worden afgeleid dat hij de overige overwegingen met betrekking tot de mantelzorg heeft gehandhaafd. De rechtbank heeft dit miskend, aldus de staatssecretaris. 2.3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bij uitspraak van 8 februari 2006 in zaak nr. 200502440/1 (www.raadvanstate.nl), dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen door de griffier is vastgelegd in het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting. Alleen indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal geen juiste weergave is van het ter zitting verhandelde, kan van dit beginsel worden afgeweken. 2.3.2. De staatssecretaris betoogt terecht dat uit de laatste alinea van het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting - waarin staat dat zijn gemachtigde heeft gesteld: "Niet bestreden is overigens dat eiseres familieleden in Marokko heeft. Dat deze familieleden ver weg wonen van de voorzieningen die eiseres nodig heeft is geen criterium" - kan worden afgeleid dat hij het standpunt, dat de vreemdeling familieleden in Marokko heeft die mantelzorg kunnen bieden, ter zitting heeft gehandhaafd. Indien de staatssecretaris ter zitting daadwerkelijk zou hebben medegedeeld dat alle overwegingen met betrekking tot de mantelzorg zijn vervallen, zoals in de tweede zin van het proces-verbaal van de zitting is opgenomen, en niet alleen de overwegingen dienaangaande met betrekking tot de in Nederland woonachtige kinderen en kleinkinderen, valt niet in te zien waarom hij op een later moment tijdens die zitting alsnog zou hebben gewezen op de onbestreden aanwezigheid van familieleden van de vreemdeling in Marokko. Uit het proces-verbaal blijkt voorts niet dat de rechtbank de gemachtigde van de staatssecretaris dienaangaande om opheldering heeft verzocht. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank ten onrechte uit het verhandelde ter zitting afgeleid dat de beoordeling van de aanwezigheid van mantelzorg door de staatssecretaris is gewijzigd en ontbeert de uitspraak in zoverre een draagkrachtige motivering. 2.3.3. De klacht is terecht voorgedragen maar de grief kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden nu, reeds op grond van hetgeen onder 2.2.2. is overwogen, de rechtbank terecht het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit heeft vernietigd. 2.4. De aangevallen uitspraak dient met verbetering van gronden te worden bevestigd. 2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; III. bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) een griffierecht van € 428,00 (zegge: vierhonderdachtentwintig euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers Taselaar, ambtenaar van Staat. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Wilbers-Taselaar ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2008 71-553. Verzonden: 8 september 2008 Voor eensluidend afschrift, de secretaris van de Raad van State, voor deze, mr. H.H.C. Visser, directeur Bestuursrechtspraak