
Jurisprudentie
BF0682
Datum uitspraak2008-09-12
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460289-07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Zutphen
Zaaknummers06/460289-07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verdachte krijgt voor een zevental strafbare feiten een gevangenisstraf voor de duur van 316 dagen en de TBS-maatregel opgelegd.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460289-07
Uitspraak d.d.: 12 september 2008
Tegenspraak / dip, oip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats, 1987],
thans uit anderen hoofde verblijvende in de jeugdinrichting voor jongens “De Hartelborgt”,
Borgtweg 1, 3202 LJ Spijkenisse.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen
van 29 februari 2008, 28 maart 2008 en 29 augustus 2008.
Ter terechtzitting gegeven beslissingen
Ter terechtzitting van 28 maart 2008 heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van maandag 31 maart 2008 te 13.00 uur geschorst.
Ter terechtzitting van 29 augustus 2008 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis afgewezen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Wapenveld, gemeente Heerde, [slachtoffer 1], beveiliger bij JPC de Sprengen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een schaar heeft vastgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Jij bent logemedewerker, jou moet ik hebben. Jou maak ik dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Heerde, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schaar, althans een voorwerp, zichtbaar voor die [slachtoffer 2] vastgehouden en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik pak jullie nog wel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Heerde, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een auto en/of autosleutels, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,
- tegen de deur van de woning waarion die [slachtoffer 3] zich bevond heeft geklopt en/of
- toen die [slachtoffer 3] de vooordeur had opengedaan, -zakelijk weergegeven- tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij een TBS'er was en dat hij de auto van die [slachtoffer 3] wilde hebben en/of
- (vervolgens) -zakelijk weergegeven- tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij wist dat zij de autosleutels had en dat hij die wilde hebben en/of
- zijn hand in zijn broekzak heeft gedaan en is gaan friemelen en/of
- (vervolgens) een schaar uit die broekzak heeft gehaald en/of
- die schaar in de richting van de buik van die [slachtoffer 3] heeft gestoken, althans duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 3] een schaar heeft vastgehouden en/of
- tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "Ik wil je auto" en/of "Ik wil je auto anders moet het op een andere manier en anders moet ik je meenemen" en/of "Jij moet rijden in de auto",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
4.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een prsonenauto (BMW), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
art 310 Wetboek van Strafrecht
art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht
5.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Heerde, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schaar, althans een scherp voorwerp in de richting van die [slachtoffer 5] heeft gehouden en/of stekende en/of zwaaiende bewegingen met die schaar, althans dat scherpe voorwerp heeft gemaakt;
art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht
6.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee fietssleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;
art 310 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Heerde, opzettelijk en wederrechtelijk twee fietssleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft weggemaakt;
art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht
7.
hij op of omstreeks 21 mei 2007, te Wapenveld, gemeente Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bromfiets (Puch Maxi), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit
van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte
- met een schaar in de richting van die [slachtoffer 6] heeft gestoken, althans duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 6] een schaar heeft vastgehouden en/of
- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd; "Ik wil je bromfiets", althans woorden van soortgeljke aard of strekking;
art 310 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging
1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot een integrale bewezenverklaring van de tenlastelegging.
2. De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de zinsnede: “Jou maak ik dood”, nu uit de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte die bewoordingen heeft geuit. Voor het overige refereert de verdediging zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank, nu verdachte heeft erkend dat hij met een schaar achter aangever
[slachtoffer 1] is aangerend en naar hem heeft geroepen.
Voorts is naar voren gebracht dat het onder 2 en 3 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard gelet op de bekennende verklaring van verdachte, met uitzondering van de omstandigheid bij feit 3 dat verdachte de schaar in de richting van de buik van mevrouw [slachtoffer 3] heeft gestoken, aangezien hij dit onderdeel ontkent.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van de personenauto, doch niet door middel van een valse sleutel, aangezien de sleutels van het voertuig kennelijk in het contactslot van de auto zaten en de auto overigens ook niet was afgesloten.
Door en namens verdachte is ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde vrijspraak bepleit, nu verdachte ontkent dat hij met de schaar de woning van aangeefster
[slachtoffer 5] is binnengegaan. Nu de aangifte niet door enig ander bewijsmiddel wordt ondersteund, is voor dit feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig.
Ten aanzien van het onder feit 6 ten laste gelegde heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte de fietssleutels slechts een zeer korte periode onder zich heeft gehad, hetgeen mogelijk onvoldoende is om van diefstal te kunnen spreken.
Tot slot is door de verdediging naar voren gebracht dat het onder 7 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, behoudens dat verdachte met een schaar in de richting van die [slachtoffer 6] heeft gestoken, nu verdachte dit onderdeel ontkent.
Bewijsmotivering (eindnoot 1)
3. De rechtbank is allereerst van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met uitzondering van het onderdeel dat verdachte zou hebben gezegd: “Jou maak ik dood”. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de verdediging dienaangaande dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte die bewoordingen heeft geuit.
Voor de bewezenverklaring van het feit baseert de rechtbank zich op de aangifte van
[slachtoffer 1] (eindnoot 2) en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (eindnoot 3) , welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.
4. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op de aangifte van [slachtoffer 2] (eindnoot 4) en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (eindnoot 5) , welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.
5. Het onder 3 ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens bewezen worden verklaard, met dien verstande dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onderdeel dat hij met de schaar in de richting van de buik van aangeefster [slachtoffer 3] heeft gestoken. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de raadsman op dit onderdeel, namelijk dat aangeefster noch verdachte heeft verklaard dat hij met de schaar in de richting van de buik van die [slachtoffer 3] heeft gestoken.
De rechtbank baseert de bewezenverklaring op de aangifte van [slachtoffer 3] (eindnoot 6) en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (eindnoot 7) , welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.
6. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat het niet gaat om een gekwalificeerde diefstal nu de auto niet was afgesloten en de sleutels zich in het contact bevonden.
De rechtbank verwerpt dit verweer onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 mei 1986 (NJ 1987, 130) waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat het onbevoegd gebruik maken van een sleutel deze sleutel vals maakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de gekwalificeerde diefstal, waarbij de rechtbank zich baseert op de aangifte van [slachtoffer 4] (eindnoot 8) en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (eindnoot 9) , welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.
7. Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit van het onder 5 ten laste gelegde en ten aanzien van het onder 6 verdachte heeft de raadsman opgeworpen dat verdachte de fietssleutels maar een heel korte tijd onder zich heeft gehad, zodat de vraag kan worden gesteld of er wel sprake is van diefstal.
De rechtbank overweegt terzake als volgt.
In haar aangifte van 22 mei 2007 heeft [slachtoffer 5] (eindnoot 10) verklaard dat zij op 20 mei 2007 in haar woning te Heerde was, toen zij zag dat de jongen die even tevoren bij haar buurvrouw was geweest, in de gang van haar woning stond. Ze zag dat de jongen iets in zijn handen had, dat leek op een briefopener. Ze zag dat er in ieder geval een scherpe punt aan zat en dat hij dit in haar richting hield, ter hoogte van haar borstkas. Zij voelde zich daardoor bedreigd. Aangeefster heeft voorts verklaard dat verdachte zei dat hij een ontsnapte TBS-er was. Hij riep om sleutels en liep naar het dressoir in de gang en hij opende de laatjes van het dressoir. Vervolgens zag aangeefster dat verdachte de sleutels van de fiets van aangeefster uit een laatje pakte en de woning uit liep. Direct daarna zag ze dat verdachte de fietssleutels in het grint voor haar woning gooide.(eindnoot 11)
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op 20 mei 2007 de woning van aangeefster is binnengegaan en dat hij de schaar bij binnenkomst even in zijn hand heeft gehouden en vervolgens heeft opgeborgen in zijn zak.(eindnoot 12) Verdachte heeft voorts verklaard dat hij in de woning fietssleutels aantrof. Hij dacht toen: “beter iets dan niets”. Verdachte heeft aangegeven dat hij de sleutels heeft meegenomen, waarop hij de woning vervolgens heeft verlaten. Toen verdachte over de oprit liep, besloot hij dat hij van de fietssleutels geen gebruik wilde maken en hij heeft de fietssleutels samen met de voordeursleutel in de voortuin gegooid, aldus verdachte.(eindnoot 13)
8. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaring van verdachte blijkt dat hij bij binnenkomst in de woning van aangeefster [slachtoffer 5], de schaar – zij het een kort moment – in zijn handen heeft gehad en dat aangeefster zich daardoor bedreigd voelde. De stelling van de raadsman dat verdachte de schaar in de woning niet in zijn handen had en dat verdachte van het onder 5 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, wordt reeds om die reden niet gevolgd. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onder feit 5 ten laste gelegde, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
9. Ook het onder 6 ten laste gelegde kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Dat verdachte de desbetreffende sleutels slechts een korte periode onder zich heeft gehad, staat een bewezenverklaring van de diefstal niet in de weg. Door de sleutels uit de woning van aangeefster weg te nemen, heeft verdachte de sleutels aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende, te weten
[slachtoffer 5], onttrokken en heeft hij er als heer en meester over beschikt. Dat verdachte zich reeds kort na het verlaten van de woning van de sleutels ontdoet, maakt niet dat er ten tijde van het wegnemen van de sleutels geen oogmerk van toe-eigening was.
10. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat ook het onder feit 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, met uitzondering van de zinsnede dat verdachte met een schaar in de richting van die [slachtoffer 6] heeft gestoken. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de verdediging dienaangaande. Verdachte dient van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
Voor de bewezenverklaring baseert de rechtbank zich op de aangifte van
[slachtoffer 6] (eindnoot 14) en de bekennende verklaring van verdachte bij de politie (eindnoot 15) , welke verklaring hij ter terechtzitting heeft bevestigd.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 21 mei 2007 te Wapenveld, gemeente Heerde, [slachtoffer 1], beveiliger bij JPC de Sprengen, heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 1] een schaar vastgehouden en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Jij bent logemedewerker, jou moet ik hebben";
2.
hij op 21 mei 2007 te Heerde, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schaar zichtbaar voor die [slachtoffer 2] vastgehouden en daarbij deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik pak jullie nog wel";
3.
hij op 21 mei 2007 te Heerde, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 3] te dwingen tot de afgifte van een auto en/of autosleutels, toebehorende aan die [slachtoffer 3],
- tegen de deur van de woning waarin die [slachtoffer 3] zich bevond heeft geklopt en
- toen die [slachtoffer 3] de voordeur had opengedaan, – zakelijk weergegeven – tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij een TBS'er was en dat hij de auto van die [slachtoffer 3] wilde hebben en
- vervolgens – zakelijk weergegeven – tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd dat hij wist dat zij de autosleutels had en dat hij die wilde hebben en
- zijn hand in zijn broekzak heeft gedaan en is gaan friemelen en
- vervolgens een schaar uit die broekzak heeft gehaald en
- duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 3] een schaar heeft vastgehouden en
- tegen die [slachtoffer 3] heeft gezegd: "Ik wil je auto" en "Ik wil je auto anders moet het op een andere manier en anders moet ik je meenemen" en "Jij moet rijden in de auto",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4.
hij op 21 mei 2007 te Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (BMW), toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
5.
hij op 21 mei 2007 te Heerde, [slachtoffer 5] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een schaar in de richting van die [slachtoffer 5] gehouden;
6. (primair)
hij op 21 mei 2007 te Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee fietssleutels, toebehorende aan [slachtoffer 5];
7.
hij op 21 mei 2007 te Wapenveld, gemeente Heerde, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (Puch Maxi), toebehorende aan [slachtoffer 6], welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 6], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte
- duidelijk zichtbaar voor die [slachtoffer 6] een schaar heeft vastgehouden en
- tegen die [slachtoffer 6] heeft gezegd; "Ik wil je bromfiets”.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op de misdrijven:
Feit 1, 2 en 5 (telkens): bedreiging met zware mishandeling;
Feit 3: poging tot afpersing;
Feit 4: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder
zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
Feit 6 primair: diefstal;
Feit 7: diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met
geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die
diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.
Strafbaarheid van de verdachte
11. Omtrent de persoon van verdachte is een psychologisch en psychiatrisch onderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport gedateerd 15 februari 2008, opgemaakt door P.A.E.M.T. Cremers (psycholoog) en A.G.S. de Raniz (psychiater), beiden werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum te Utrecht (hierna: PBC).
12. In het rapport is – zakelijk samengevat – het navolgende vermeld.
Bij verdachte is sprake van een gestoorde persoonlijkheidsontwikkeling, met aanwijzingen voor een borderline persoonlijkheidsstructuur. Hij heeft een kwetsbare basis, welke wordt gekenmerkt door een onvermogen op realistische wijze zijn gevoelens, gedrag en gedachten te evalueren en eventueel te corrigeren op grond van observaties en cognitieve processen. Ook past daarbij de bij verdachte aanwezige en grote mate van ambivalentie en afhankelijkheid. Onder invloed van spanning, angst en negatieve invloeden vanuit zijn omgeving heeft verdachte hierdoor de neiging snel in normoverschrijdend gedrag te vervallen. Normoverschrijdend gedrag wordt bovendien gefaciliteerd door een opvallend gebrek aan sociaal inzicht en invoelend vermogen. In het gedrag van verdachte zijn antisociale, narcistische, borderline en afhankelijke trekken te onderscheiden. Deze trekken worden thans nog niet als onderdeel van een persoonlijkheidsstoornis geclassificeerd. Op grond van de hiervoor beschreven gebrekkige ontwikkeling, raakt de draagkracht van betrokkene relatief snel overbelast. Wanneer hij zich overbelast voelt, reageert hij door middel van agressie: met zijn forse gestalte en imponerende gedrag probeert hij (zijn angst) te controleren en een crisis (paniek, alle controle verliezen, desintegreren, misschien zelfs psychotisch worden) te voorkomen. Het egocentrische, impulsieve en asociale gedrag dat het gevolg is van de eerder beschreven processen en de sterke neiging om te externaliseren, maakt dat zijn gedragingen zijn te beschrijven als antisociaal en narcistisch.
Bovenstaande pathologie heeft een aanzienlijke rol gespeeld bij de ten laste gelegde feiten. Zorgelijk is dat wanneer verdachte zich daartoe gerechtvaardigd voelt, hij zich helemaal laat gaan in zijn boosheid. Het ontbreekt hem dan aan overzicht en sturingsvermogen. Gezien de aard van de pathologie is sprake van een gebrekkige ontwikkeling en de doorwerking daarvan, maakt dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd voor alle ten laste gelegde feiten.
13. De conclusie van het rapport is dat verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten hem slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.
14. Met de conclusie van het rapport kan de rechtbank zich verenigen. Zij neemt deze conclusie over.
15. Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
16. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden met aftrek van de tijd die door verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht. Voorts vordert zij dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.
17. De verdediging heeft ten aanzien van de strafmaat aangevoerd dat de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet op zijn plaats is, nu het van belang is dat verdachte behandeld wordt. Door de raadsman is dan ook bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen, aangezien een langdurige gevangenisstraf een behandeling nodeloos zou frustreren.
Voorts is door de verdediging naar voren gebracht dat een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege niet op zijn plaats is. Verdachte heeft slechts één intake bij de forensisch psychiatrische kliniek (hierna: FPK) te Assen gehad, welke instelling hem heeft afgewezen. Om na deze ene afwijzing reeds over te gaan tot oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege gaat volgens de verdediging te ver. Bepleit wordt nader te onderzoeken of verdachte bij een andere instelling terecht kan in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden.
18. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
19. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich in een kort tijdsbestek heeft schuldig gemaakt aan een zevental strafbare feiten. Op 21 mei 2007 heeft verdachte de jeugdinrichting De Sprengen te Wapenveld verlaten, waarbij hij een beveiligingsmedewerker, te weten [slachtoffer 1], aldaar heeft bedreigd met een schaar. In de uren die daarna volgden, heeft verdachte zich onder meer schuldig gemaakt aan bedreigingen van willekeurige personen. Verdachte is na het verlaten van de jeugdinrichting allereerst naar Wapenveld gegaan. Aldaar heeft hij onder bedreiging van [slachtoffer 6] diens bromfiets weggenomen en verdachte is op de bromfiets weggereden. Een vriendin van die [slachtoffer 6], te weten [slachtoffer 2], is vervolgens met de auto achter verdachte aangereden en heeft hem op de Plakkenweg in Wapenveld klem gereden. Verdachte is toen weggerend, waarbij hij tegen die [slachtoffer 2] heeft geroepen: “Ik pak jullie nog wel.” Verdachte heeft hierbij wederom de schaar laten zien. Verdachte rende richting een woning aan de Plakkenweg. Bij perceel [nummer] heeft hij van de bewoonster, te weten [slachtoffer 3], haar auto opgeëist, waarbij verdachte zich wederom bedreigend heeft uitgelaten en aan voornoemde [slachtoffer 3] een schaar heeft getoond. Verdachte is haar woning binnengegaan en is vervolgens via de deur tussen de woning van die [slachtoffer 3] en haar buren genaamd [slachtoffer 5], de woning van laatstgenoemde binnengegaan. Aldaar heeft hij een kort moment de schaar laten zien en vervolgens de fietssleutels van die [slachtoffer 5] weggenomen. Tot slot heeft verdachte bij perceel [nummer] een personenauto weggenomen en is met de auto weggereden.
20. Door zijn handelswijze heeft verdachte het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen en dat van de slachtoffers in het bijzonder aangetast. De ervaring leert dat slachtoffers veelal langdurige ernstige psychische gevolgen daarvan ondervinden. De rechtbank rekent het verdachte bovendien zwaar aan dat hij bij twee woningen naar binnen is gegaan en daar met de schaar in de hand de bewoners heeft bedreigd. De woning is de plek bij uitstek waar iemand zich veilig moet voelen. Verdachte heeft dit gevoel van veiligheid geschaad.
21. Ten nadele van verdachte wordt voorts overwogen dat verdachte al eerder is veroordeeld wegens het plegen van geweldsdelicten, waarvoor hij onder meer de maatregel tot plaatsing in een instelling voor jeugdigen opgelegd heeft gekregen.
22. Anderzijds wordt, als strafverzachtende omstandigheid, rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de delicten en zijn betrekkelijk jonge leeftijd.
23. Gelet hierop en ook met inachtneming van hetgeen hierna wordt overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die door verdachte reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht, passend en geboden is.
24. De rechtbank houdt bij de afdoening van de strafzaak tegen verdachte voorts rekening met het hiervoor reeds vermelde PBC-rapport. Naast hetgeen hiervoor (overweging 12) is vermeld, komt daarin – zakelijk samengevat – het volgende naar voren.
De kans op herhaling van agressieve delicten wordt bepaald door verdachtes relatief lage belastbaarheid: hij kan minder hebben dan een ander en zijn denken wordt bij overbelasting gekenmerkt door een sterke verkokering, waardoor hij zich moeilijk kan hernemen. Wanneer hij overbelast wordt, vlucht hij weg of gaat er op af. In de meeste scenario’s vertaalt zijn angst zich in agressie. Hij lijkt wat geleerd te hebben tijdens de eerdere behandeling en hij is in zijn draagkracht iets toegenomen. Zonder verdere behandeling blijft de kans op herhaling van feiten groot.
Naar verwachting kan verdachte veel baat hebben bij het voortzetten van een adequate behandeling, waarbinnen verstevigen van de identiteit, training in sociale vaardigheden, omgaan met normale tegenslagen, relatievorming en eventuele medicamenteuze ondersteuning belangrijke aspecten zijn. Een klinische behandeling wordt in aanvang noodzakelijk geacht. Door de deskundigen wordt het kader van de maatregel tot terbeschikkingstelling geïndiceerd. In acht nemend dat er bij verdachte nog mogelijkheden worden gezien voor groei en ontwikkeling, dat er een opbouwfase gezien wordt ten aanzien van het eventuele recidivegevaar en dat er sprake is van voldoende behandelbereidheid, wordt geadviseerd aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen.
25. Uit het rapport van de reclassering van 5 juni 2008 blijkt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden niet mogelijk is, nu verdachte is afgewezen na een intake bij de FPK in Assen. De reclassering heeft de conclusie van die instelling verwoord: “Aangezien er met betrokkene onvoldoende overeenstemming is over de problematiek, hij groepsongeschikt lijkt te zijn door zijn negatieve houding, de delicten sterk geëxternaliseerd worden en er geen overeenstemming kan worden gevonden over behandeldoelen en behandeling, wordt betrokkene afgewezen voor behandeling op afdeling Het Dok binnen de FPK te Assen.”
Voorts heeft er op 8 mei 2008 een ernstig incident in de justitiële jeugdinrichting de Rentray te Lelystad plaatsgevonden. Als gevolg van dit incident is verdachte overgeplaatst naar de gesloten instelling van “De Hartelborgt” te Spijkenisse. Gelet op de afwijzing bij de FPK te Assen en het incident in Lelystad is het voor de reclassering onmogelijk om te komen tot het maken van een plan van aanpak.
26. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat bij verdachte sprake is van een grote kans op herhaling van de door hem gepleegde feiten. Hoewel door het PBC de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt geadviseerd, blijkt uit het rapport van de reclassering dat het niet mogelijk is voorwaarden te formuleren, waaronder de terbeschikkingstelling kan worden opgelegd. Nu door het PBC is geadviseerd tot een TBS-kader, waarbij de noodzaak om verdachte “volwassen” gedrag bij te brengen nadrukkelijk in acht is genomen, acht de rechtbank noodzakelijk dat verdachte wordt behandeld. Nader onderzoek naar een andere behandelkliniek dan de FPK te Assen acht de rechtbank evenwel niet noodzakelijk, nu de conclusie van de FPK evenwichtig is, afgezet tegen de eis van het PBC dat er behandelbereidheid moet zijn, en er ook overigens geen aanwijzingen zijn dat de intake onzorgvuldig is geweest.
27. Gelet op het aanwezige herhalingsgevaar, de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte en de noodzaak van behandeling, zal de rechtbank terzake van de bewezenverklaarde feiten, welke misdrijven zijn en gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opleggen. Aan de voorwaarden vermeld in de artikelen 37a, eerste lid, en 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.
Vordering tot schadevergoeding
28. De benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende: [adres] (gironummer: [nummer], ten name van [naam] te [adres]), heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 300,00 gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde.
29. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot het gevraagde bedrag kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
30. De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
31. Nu niet is weersproken dat de benadeelde partij, zoals deze heeft gesteld, als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag en de vordering de rechtbank niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal deze vordering worden toegewezen. De verdachte is voor de schade – naar burgerlijk recht – aansprakelijk.
32. Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f, van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som geld ten behoeve van genoemd slachtoffer.
Vordering tot schadevergoeding
33. De benadeelde partij [slachtoffer 7], wonende: [adres] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 250,00 gevoegd in het strafproces.
34. De officier van justitie heeft gevorderd de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu de vordering ziet op schade veroorzaakt door een niet aan verdachte ten laste gelegd feit. Dit standpunt is door de raadsman onderschreven.
35. De rechtbank is met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 37, 37a, 37b, 45, 57, 285, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders onder 1, 2, 3, 4, 5, 6 primair en 7 is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 316 (driehonderdzestien) dagen.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.
Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 6], wonende te [adres] (gironummer: [nummer], ten nam[slachtoffer 6] te [adres]), van een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 mei 2007 en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] voornoemd, een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 6 (zes) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Aldus gewezen door mrs. Hödl, voorzitter, mrs. Van der Mei en Follender Grossfeld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 september 2008.
(eindnoot 1) Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal
nr. PL0618/07-290436, gedateerd 11 juni 2007.
(eindnoot 2) Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] (p.83-86)
(eindnoot 3) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p. 69)
(eindnoot 4) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (p.105-107)
(eindnoot 5) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.70)
(eindnoot 6) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] (p.91-94)
(eindnoot 7) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.74)
(eindnoot 8) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] (p.109-111)
(eindnoot 9) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.75-76)
(eindnoot 10) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] (p.96-99)
(eindnoot 11) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 5] (p.97)
(eindnoot 12) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.75)
(eindnoot 13) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.75)
(eindnoot 14) Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] (p.101-102)
(eindnoot 15) Proces-verbaal van verhoor van verdachte (p.70-71)