
Jurisprudentie
BF0649
Datum uitspraak2008-11-11
Datum gepubliceerd2008-11-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01471/07 A
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-11-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01471/07 A
Statusgepubliceerd
Indicatie
Antilliaanse zaak. Medeplegen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan, anders dan het Hof heeft overwogen, niet worden afgeleid dat de container waarin de slachtoffers op 22-11-2005 werden vastgehouden, op dat moment door verdachte aan A in gebruik was gegeven en evenmin dat verdachte aan A heeft verteld dat hij, verdachte, de slachtoffers had gegijzeld. Dit in aanmerking aangenomen vindt het bewezenverklaarde medeplegen door verdachte van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de beide slachtoffers en de diefstal in vereniging met geweld van hen beiden, onvoldoende steun in de gebezigde bewijsmiddelen.
Conclusie anoniem
Nr. 01471/07 A
Mr. Bleichrodt
Zitting 9 september 2008 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij vonnis van 10 oktober 2006 de verdachte ter zake van 1. en 3., telkens opleverende
"medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving", 2. "diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken", 4. "diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken" en "poging tot diefstal in vereniging, voorafgegaan en vergezeld(1) van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en elf maanden met onttrekking aan het verkeer en toewijzing van de vorderingen van benadeelde partijen, zoals in het vonnis vermeld.
2. Er is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.(2)
3. Ik schets eerst de gang van zaken in hoofdlijnen.
De feiten 1 en 2 zijn gepleegd tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1], de feiten 3 en 4 tegen [benadeelde partij 3]. De modus operandi was als volgt. In beide gevallen zijn de slachtoffers laat in de avond of in de nacht onder bedreiging van een vuurwapen gedwongen plaats te nemen in een auto, zijn zij daarbij geblinddoekt of zijn de ogen afgetaped, zijn zij aan handen en voeten vastgebonden en vervolgens vervoerd naar het erf van de woning van verdachte, waar de betrokkenen in een container zijn opgesloten; zij zijn daar urenlang vastgehouden (feiten 1 en 3).
Na aankomst bij de container zijn telkens onder bedreiging met geweld aan de betrokkenen de bewezenverklaarde goederen afgenomen (feit 2 en feit 4, eerste gedeelte). Het gaat hier dus telkens om een voltooide diefstal met geweld.
Voor wat betreft de zaak betreffende [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zijn een aantal van de daders, onder welke verdachte, vervolgens naar het restaurant "[A]" gereden, waaraan die [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] waren verbonden en waar die daders drank hebben weggenomen.
Aan [benadeelde partij 3] zijn bij of in de container onder meer ook sleutels ontstolen. Vervolgens zijn de daders, die [benadeelde partij 3] onder bedreiging hadden gedwongen tot een opgave van wat er bij hem thuis aan waardevolle zaken aanwezig was (onder meer goud ter waarde van USD 20.000.-) en van de plaatsen waar die goederen zich bevonden, naar diens woning gegaan. Omdat er echter inmiddels een aantal auto's bij de woning van [benadeelde partij 3] stond en er veel mensen in de woning waren, hebben de verdachten besloten om de woning niet binnen te gaan (feit 4 tweede gedeelte, poging tot diefstal voorafgegaan door geweld en bedreiging met geweld).
4.1 Het eerste middel houdt de klacht in dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde, in het bijzonder het medeplegen, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat als gevolg daarvan ook ten onrechte de vorderingen van de benadeelde partijen zijn toegewezen.
4.2 Ten laste van verdachte is onder 1 en 2 bewezen verklaard:
"1. dat hij in de nacht van 22 op 23 november 2005 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij 1] en of [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hebbende hij en zijn mededaders, toen en daar opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] en voornoemde [benadeelde partij 2] wederrechtelijk en tegen hun wil gedwongen om met hem en zijn mededaders, in personenauto's, mee te gaan en vervolgens die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] in een container ondergebracht en daar enige tijd vastgehouden, welke dwang verdachte en/of zijn mededaders hebben uitgeoefend door voornoemde [benadeelde partij 1] en voornoemde [benadeelde partij 2] vuurwapens te tonen en die [benadeelde partij 1] met een vuurwapen te slaan op het hoofd en die [benadeelde partij 2] dreigend mede te delen (in het Spaans) "niet moeilijk doen, anders maak ik je af', door de ogen van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] af te plakken en de handen en de voeten van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] vast te binden;
2. dat hij in de nacht van 22 op 23 november 2005 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening heeft weggenomen: een gouden trouwring en een portemonnee met inhoud en een chequeboek en een tweetal mobiele telefoons en een horloge (namaak rolex) en identiteitsbewijzen en bankpassen en sleutels en een auto (Suzuki Alto met kenteken [A 00-00]) en diverse flessen (sterke) drank, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [benadeelde partij 1] en genoemde [benadeelde partij 2], gepleegd door hem, verdachte en/of zijn mededaders met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] uit het tonen van vuurwapens en het meermalen mondeling bedreigen met de dood en het afplakken van de ogen en blinddoeken en het vastbinden van de armen en de benen;"
4.3.1 Tot het bewijs heeft het Hof de als volgt in de bijlage bij het vonnis weergegeven bewijsmiddelen gebruikt:
"De bewijsmiddelen zijn per feit gegroepeerd. Waar de inhoud van de bewijsmiddelen relevant is voor andere feiten dienen deze echter ook als onderbouwing van die andere feiten. Verwezen wordt naar de in het vonnis gegeven bewijsmotivering, waaruit blijkt dat alle bewijsmiddelen van belang zijn voor meerdere of alle feiten.
Feiten 1 en 2
1
Een proces-verbaal van politie van 23 november 2005, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [benadeelde partij 2]:
"Op 22 november 2005 in de late avonduren bevond ik mij in het restaurant [A], alwaar ik manager ben. Mede-eigenaar van het restaurant [benadeelde partij 1] was daar ook. Wij sloten het restaurant omstreeks 23.00 uur. Op de parkeerplaats van het restaurant zag ik plotseling drie personen met een vuurwapen, gericht op [benadeelde partij 1]. Ik werd in mijn auto geduwd. Ik zat achterin met een van de mannen. Een andere man zat achter het stuur. Mijn ogen en mond waren bedekt met plakband. Er werd ook een doek om mijn hoofd gelegd. De man naast mij zei: 'geef ons al het geld van het restaurant en ook uw geld; doe alles wat wij zeggen, want alles wat wij willen is geld en wij willen onze handen niet met bloed vervuilen.' Wij kwamen aan in een soort gebouw of huis. Ik moest op de grond gaan liggen. Een van de mannen vroeg welke de pincodes waren van de bankpassen die ik had. Ik heb de pincodes gegeven van zowel [bank A] als [bank B]. Daarna werden die codes nogmaals aan mij gevraagd. De man zei: 'stop met stommiteiten en vertel mij de waarheid, anders zal je veel problemen krijgen.' Mij werd ook gezegd: 'ik zal betonnen blokken aan jullie voeten vastbinden en jullie in het water gooien zodat niemand jullie kan vinden.' Op zeker moment maakte een man het plakband bij mijn ogen een beetje los. Ik moest twee cheques uit mijn eigen chequeboekjes tekenen. Naast het chequeboek had de man twee vuurwapens op de grond gelegd.
Van mij zijn weggenomen: chequeboeken van [bank C], [bank B] en [bank A], mobiele telefoon, [bank B]- en [bank A]bankpassen, Nederlands-Antilliaans rijbewijs, Nederlands-Antilliaans identiteitsbewijs, Colombiaans identiteitsbewijs, Suzuki Alto met kenteken [A 00-00], huissleutels, sleutels van het restaurant en contactsleutels van de auto."
2
Een proces-verbaal van politie van 23 november 2005, voor zover inhoudende, als verklaring van de getuige [benadeelde partij 1]:
"Op 22 november 2005 omstreeks 23.15 zat ik met [benadeelde partij 2] in mijn auto op de parkeerplaats van het restaurant [A]. Plots hoorde ik iemand op het raam aan de bestuurderszijde slaan. Ik zag dat dat gebeurde met de loop van een Glock pistool. Er waren drie mannen. Op bevel van een van de daders opende ik de deur aan de bestuurderszijde. Deze man zei: 'Niet moeilijk doen, anders maak ik je af'. Ik kreeg met de kolf van de Glock een klap op mijn achterhoofd en werd achterin mijn eigen auto gezet. Dader 1 deed tape over mijn ogen. We zijn daarna gaan rijden. Dader 1 zei dat ze ons zouden afmaken als we met meewerkten. Hij vroeg ook of ik van vrijen hield en zei vervolgens: 'hoe kun je dat doen als ik je pik afsnijd?' Hij zei ook dat we geld gingen pinnen en dat hij me zou neerschieten als er geen geld was. In de auto is door dader 1 mijn gouden trouwring afgenomen. We zijn daarna bij een huis aangekomen. Het huis leek op een keet, want het klonk niet solide. Voordat ik de woning inging werden mijn handen getaped achter mijn rug. Ook mijn benen werden vastgebonden. Mij werd gezegd dat ik geen aangifte mocht doen en niet naar de politie mocht gaan omdat anders mijn familie zou worden afgemaakt. Ik werd in het huis op de grond gelegd. Op zeker moment zei een van de daders dat het 05.00 uur was en dat we over drie uur naar huis mochten. Uiteindelijk zijn we vrijgelaten.
Van mij zijn weggenomen:
Een gouden trouwring met ingegraveerde inscriptie '14-10-1996' en '18-10-1996' en de naam [...]', zwarte portemonnaie, een checkboek, een GSM van het merk Nokia, een nep-Rolex, een identiteitskaart van Curaçao en een bankomaticakaart van [bank B]. In mijn portemonnaie zaten geld, diverse kaarten, en foto's van mijn dochter."
3
Een proces-verbaal van politie opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], van 22 december 2005, voor zover inhoudende:
a. als relatering van verbalisanten: het adres van verdachte is [a-straat 1];
b. als verklaring van de verdachte:
"In verband met de beroving van de beheerders van [A] kan ik het volgende vertellen. Ik kwam die nacht thuis en trof een BMW op het erf van mijn woning. Ik besloot om naar [medeverdachte 1] te gaan, want die logeerde bij mij. [Medeverdachte 1] vertelde mij dat hij, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een man en vrouw hadden beroofd en dat ze ergens heen moesten gaan om dranken weg te nemen. Ik ging toen achter het stuur zitten. Ik ging samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 1] bleef met de man en de vrouw achter in de container. Op aanwijzingen van [medeverdachte 3] reed ik naar [restaurant A]. Daar haalden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] flessen drank uit de zaak. Die werden in de kofferbak van onze auto gedaan. Thuis haalden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] die flessen drank er weer uit."
4
Een proces-verbaal van politie opgemaakt door [verbalisant 3], van 6maart 2006, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant:
"Op 10 januari 2006 werden diverse inbeslaggenomen goederen getoond aan de aangever [benadeelde partij 2]. Zij herkende een sleutelbos met 7 sleutels en een oranje label, een sleutel van het merk Wink Haus met een groen label en een simkaartje met het telefoonnummer [telefoonnummer]. De sleutels zijn afkomstig van de huiszoeking [a-straat 1]. De simkaart is in beslag genomen bij de fouillering van [verdachte]."
5
Een proces-verbaal van politie van 22 december 2005, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:
"[Medeverdachte 1] zei mij op 18 december 2005 dat hij een ruimte nodig had. Ik ging ermee akkoord dat hij een container/bouwkeet die wij op het erf hadden staan gebruikte."
Feiten 3 en 4
6
Een proces-verbaal van politie van 20 december (het Hof begrijpt: 2005), voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [benadeelde partij 3]:
"Op zondag 18 december 2005 om 21.00 uur pakte ik spullen uit mijn auto. Plotseling kreeg ik een zak over mijn hoofd. Een tweede man plaatste een vuurwapen tegen mijn hoofd. Ik werd in een personenauto geduwd. Vervolgens werd ik geblinddoekt en werden mijn handen en voeten vastgebonden. Wij gingen rijden. Na een tijdje moest ik uitstappen. Ik moest in een container stappen. Daar kreeg ik tegen mijn hals een naald gedrukt. Er werd mij gezegd dat er drugs in zaten en dat ik goed moest praten. Als ik niet zou praten zouden ze de drugs in mij spuiten. Tegen mijn linkerslaap hield men een vuurwapen gedrukt. Mijn sleutels en bankpas werden afgenomen. Men vroeg mij wat ik in huis had. Ik heb gezegd dat er goud ter waarde van 20.000 dollar in de microwave lag. Ook heb ik gezegd dat ik NAF. 700,- en $ 100,- in huis had. De daders reden daarna een paar keer langs mijn huis en kwamen boos terug. Ze vroegen mij van wie de auto's waren die bij mijn huis stonden. Op zeker moment heeft men mij in de buurt van mijn woning afgezet. Precies 30 minuten nadat ik was afgezet reed een goudkleurige Nissan langs. Het was toen 03.15 uur."
7
Een proces-verbaal van politie van 22 december 2005, voor zover inhoudende als verklaring van de mede-verdachte [medeverdachte 1]:
"Ik beken dat ik betrokken was bij de beroving van een Arabier. Ik heb die gepleegd samen met [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Wij hadden verzameld bij de woning van [verdachte]. Op dat moment werd in de groep naar voren gebracht dat wij een man moesten beroven en hem thuis moesten brengen om hem te dwingen sieraden af te geven. [Medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en ik moesten de man bij zijn woning gaan ophalen. Op een gegeven moment zag ik [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] met de man aankomen. Ze stapten in mijn auto. De man werd achterin gezet. Wij reden naar de woning van [verdachte]. Daar werd de man in een groene container gebracht. Die staat op het erf van [verdachte]. Op een gegeven moment vertelden ze mij dat ze het slachtoffer hadden laten gaan."
8
Een proces-verbaal van politie van 21 december 2005, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte 3]:
"Op zondag 18 december 2005 hadden [verdachte], [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ik het plan om iemand te beroven. We reden langs een huis. Daar stond een man bij zijn auto. Ik en [medeverdachte 2] stapten uit. Ik had een zwart luchtdrukpistool bij me. [Medeverdachte 2] had ook een vuurwapen bij zich. We hebben de man gezegd dat hij alles moest geven. De man zei dat hij niets bij zich had en dat alles in de woning lag. Toen besloten wij de man mee te nemen. We hebben hem geblinddoekt met een T-shirt. We bonden een touw om zijn handen. Daarna stopten we de man in onze auto en reden we naar een bos. We hielden de man daar vast in een soort huisje. Die man zei dat hij ongeveer 700 gulden in huis had samen met wat sieraden. Op zijn lichaam had hij ongeveer NAF. 25,- bij zich. De man is in het huisje achtergebleven. [Medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en ik reden naar zijn huis. [Verdachte] bleef bij de man achter in de keet. Bij de woning van de man zagen wij dat er veel mensen in zijn woning waren. Toen besloten wij om niet die woning binnen te gaan. Later hebben we de man in de buurt van zijn woning afgezet."
9
Een proces-verbaal van politie van 20 december 2005, voor zover inhoudende als verklaring van de mede-verdachte [medeverdachte 4]:
"Ik beken dat ik betrokken ben bij de beroving van een Arabier op 18 december 2005. Op 17 december 2005 kwamen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op bezoek bij mijn broer [verdachte] en mij. [Medeverdachte 1] zei dat ze van plan waren een man van Arabische afkomst te beroven. Ik moest als chauffeur optreden. De buit zou tussen ons vijven verdeeld worden. De volgende dag werd ik door [medeverdachte 1] gebeld. Ik stapte in de witte pick-up van mijn vader. Mijn broer [verdachte] zat naast me. [Medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] stapten in een Toyota. Op last van [medeverdachte 1] moesten mijn broer en ik vervolgens wachten. Kort daarna kwamen [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] terug. [medeverdachte 3] duwde een man achter in de pick-up. Ik zag dat zijn handen aan elkaar waren vastgebonden. Hij was ook geblinddoekt. Wij reden naar het huis van mijn broer. De gegijzelde man moest van [medeverdachte 1] in de bouwkeet gaan. Daarna werd hem om sieraden gevraagd. De man zei dat hij thuis veel geld en sieraden had. Daarna kwamen [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en mijn broer bij mij. [Medeverdachte 2] bleef bij de deur van de bouwkeet staan. [Medeverdachte 1] zei daarna tegen mijn broer dat hij [medeverdachte 2] moest gaan aflossen. Dat deed hij. Vervolgens ging ik met [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] naar het huis van de Arabier. Er waren echter veel mensen. Wij keerden terug. In de bouwkeet werd de Arabier ondervraagd door mijn broer, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Later hebben [medeverdachte 3] en ik de man terug gebracht naar zijn huis."
4.3.2 In een nadere bewijsoverweging heeft het Hof overwogen:
"Verdachte heeft doen aanvoeren dat hij door de politie onder druk is gezet en dat door hem afgelegde verklaringen niet aan hem zijn voorgelezen. Kennelijk bedoelt verdachte aldus door hem bij de politie afgelegde verklaringen van het bewijs te doen uitsluiten.
Het verweer wordt verworpen. Dat verdachte door de politie onder druk is gezet is niet onderbouwd. Dat zijn verklaringen hem niet zijn voorgelezen is niet aannemelijk geworden gelet op het feit dat de betrokken verbalisanten aan het slot van de desbetreffende verklaringen telkens verklaren dat voorlezing wél heeft plaats gevonden.
Voor wat betreft de feiten 1 en 2 geldt dat het medeplegen door verdachte blijkt uit het feit dat de aangevers (blijkens de aangiften) door meerdere mannen van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden, dat medeverdachte [medeverdachte 1] uit de mond van verdachte heeft opgetekend dat deze een man en vrouw gegijzeld had, dat de container waarin de slachtoffers werden vastgehouden, naar verdachte zelf verklaart, door hem aan genoemde [medeverdachte 1] ter beschikking was gesteld, dat verdachte zelf verklaart mee te zijn geweest naar het restaurant van aangevers om flessen sterke drank te halen terwijl medeverdachte [medeverdachte 1] met de gijzelaars achterbleef in de container, dat een sleutelbos van slachtoffer [benadeelde partij 2] in de woning van verdachte is aangetroffen en dat ook de Simkaart van de telefoon van [benadeelde partij 2] bij hem werd aangetroffen, een en ander zonder dat verdachte voor het aantreffen van deze goederen bij hem een aannemelijke verklaring heeft gegeven.
Voor wat betreft de feiten 3 en 4 volgt het bewijs uit de aangifte en de in de bewijsmiddelen opgenomen verklaringen van medeverdachten, die ook over de rol van verdachte spreken.
Aan het bewijs werkt voorts mee, dat, naar uit de bewijsmiddelen blijkt, alle feiten zich afspelen in een tijdsbestek van ongeveer drie weken en dat een zeer specifieke werkwijze wordt gehanteerd. Die werkwijze houdt in dat de slachtoffers worden overmeesterd en worden opgesloten in telkens dezelfde container op het erf van een van de verdachten, waarna de slachtoffers van geld en goederen worden beroofd. Die werkwijze was uniek en is daarom aan te merken als de "handtekening" van de desbetreffende dadergroep."
4.4 Het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte de container aan [medeverdachte 1] ([medeverdachte 1]) ter beschikking heeft gesteld wetende dat daarmee de feiten 1 en 2 gepleegd zouden worden. De klacht is gegrond. Immers uit bewijsmiddel 6 volgt dat [medeverdachte 1] een zodanig verzoek aan verdachte op 18 december 2005 heeft gedaan, terwijl de feiten 1 en 2 in de nacht van 22 op 23 november 2005 zijn begaan.
4.5.1 Voorts voert het middel aan dat het ophalen van drank niet impliceert dat van opzet op medeplegen sprake is geweest, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker toen wist dat een of meer personen zich tegen hun wil in de container bevonden. Deze klacht is niet gegrond. De tot het bewijs gebruikte verklaring van verdachte (bewijsmiddel 3) houdt niet alleen in dat verdachte was medegedeeld dat [medeverdachte 1] c.s. een man en een vrouw hadden beroofd en dat ze ergens heen moesten gaan om drank weg te nemen, maar ook dat [medeverdachte 1] met de man en vrouw achter bleef in de container.
4.5.2 Verder heeft het Hof in zijn nadere bewijsoverweging nog overwogen dat [medeverdachte 1] uit de mond van verdachte heeft opgetekend dat deze een man en een vrouw gegijzeld had, maar niet is aangegeven aan welk wettig bewijsmiddel het Hof dit niet in de gebruikte bewijsmiddelen voorkomende en dus "nieuwe feit" heeft ontleend.(3) Vermoedelijk gaat het om de als bewijsmiddel 6 door het Gerecht in eerste aanleg gebruikte politieverklaring van [medeverdachte 1].
4.6 Ondanks het in 3.5.2 gesignaleerde verzuim zou uit de gebruikte bewijsmiddelen nog wel kunnen worden afgeleid dat verdachte, op wiens erf de container stond, zich ten minste bewust bij het door zijn mededaders genomen initiatief heeft aangesloten in die zin dat hij vanaf een moment kort vóór het vertrek om de drank te gaan wegnemen, op de hoogte was van het onvrijwillig verblijf van de aangevers in de container, waarbij naar hij wist, [medeverdachte 1] bij de man en de vrouw in de container achterbleef, kennelijk om hen te bewaken. Dat betekent dat de bewezenverklaring voor wat betreft het medeplegen van het "van de vrijheid beroofd houden"
(in de laatste fase, te weten het vasthouden in de container) nog wel deugdelijk is gemotiveerd, maar mijns inziens niet voor wat betreft daaraan is voorafgegaan (de fase bij de auto, de bedreiging met vuurwapens etc. waardoor de betrokkenen van hun vrijheid zijn beroofd). Rechtstreeks met verdachtes betrokkenheid bij de eerste fase in strijd is mijns inziens zelfs het tot het bewijs gebruikte gedeelte van de verklaring van verdachte dat hij die nacht thuiskwam, een BMW op zijn erf aantrof en van [medeverdachte 1] hoorde dat deze met anderen een man en een vrouw hadden beroofd. Dat wijst erop dat verdachte pas later, na de ontvoering en de beroving, bij de gebeurtenissen betrokken is geraakt. Ik kom tot de slotsom dat de bewezenverklaring onder 1 niet naar behoren is gemotiveerd.
4.7 Het voorgaande geldt ook en in versterkte mate voor feit 2. De meeste goederen zijn onder (bedreiging met) geweld, zoals overeenkomstig de tenlastelegging bewezen verklaard, afgenomen. Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat de verdachte daarbij betrokken is geweest. Zoals gezegd wijzen deze juist in de richting dat de diefstal met (bedreiging met geweld) zoals die in de eerste fase is gepleegd (de beroving), al had plaatsgevonden op het moment dat de verdachte op het toneel verscheen en zich bereid verklaarde tot het plegen van diefstal (in vereniging) van de drank.(4) Al dat voorafgegane geweld en de bedreiging met geweld, zoals het tonen van vuurwapens en het mondeling bedreigen van de betrokkenen met de dood, is echter wel ten laste van verdachte als medepleger bewezen verklaard.
4.8 Het middel is terecht voorgesteld.
5.1 Het tweede middel heeft betrekking op feit 4 tweede gedeelte en bevat de klacht dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting inzake het delictsbestanddeel "begin van uitvoering", althans dat uit de bewijsmiddelen niet een begin van uitvoering in de zin van art. 47 SrNA kan worden afgeleid. Daarbij wordt verwezen naar HR 8 september 1987, NJ 1988, 612 m.nt. 'tH.
5.2 In die zaak waren de verdachten in een gestolen auto met valse kentekenplaten en in het bezit van vuurwapens, pruiken en dubbele kleding naar het te overvallen object, een Grenswisselkantoor gereden. Zij wachtten in hun auto op de bankemployé om hem op het moment dat hij de bank zou openen te overvallen. Maar de bankbediende kreeg argwaan en waarschuwde de politie in plaats van het kantoor te openen. Toen de politie arriveerde gingen de daders ervan door. De Rechtbank had de vordering tot bewaring afgewezen. De Hoge Raad verwierp het daartegen gerichte beroep. Hij was van oordeel dat de Rechtbank aan het begrip "begin van uitvoering" niet een betekenis had toegekend welke niet zou stroken met de zin die in art. 45 Sr aan dat begrip toekomt, omdat wanneer iemand het voornemen heeft opgevat om in een bank het misdrijf van art. 317 Sr te plegen, niet gezegd kan worden dat hij aan dat misdrijf een begin van uitvoering heeft gegeven indien hij zich met een auto naar die bank heeft begeven, doch - om welke reden dan ook - die auto niet heeft verlaten, noch - in of vanuit die auto - een gedraging heeft verricht welke naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van dat voorgenomen misdrijf.
5.3 De onderhavige zaak verschilt op wezenlijke punten van de genoemde. In de eerste plaats merk ik op dat het in genoemde zaak ging om het misdrijf van art. 317 Sr. Dat misdrijf veronderstelt een interactie tussen de daders en degene die wordt gedwongen tot afgifte van goederen. De handelingen van de daders lagen daarvan nog wel heel ver vanaf en hebben daarom het karakter van voorbereidingshandelingen.
Hier gaat het om een poging tot gekwalificeerde diefstal. Het daaraan voorafgaande geweld en de bedreiging met geweld hadden al plaatsgevonden en hebben de daders behalve de sleutels ook de gegevens opgeleverd die konden dienen om de diefstal in de woning van [benadeelde partij 3] snel en efficiënt uit te voeren. Daaraan doet niet af dat in elk geval een deel van het geweld of de bedreiging daarmee kennelijk ook heeft gediend om de daaraan voorafgegane voltooide diefstal (bij genoemde container) te vergemakkelijken.(5)
5.4. In het algemeen wordt aangenomen dat bij gekwalificeerde delicten de vervulling van een kwalificerend bestanddeel een begin van uitvoering van het delict oplevert. Zo plegen ten aanzien van diefstal door middel van braak de handelingen die als braak moeten worden aangemerkt als een begin van uitvoering te worden beschouwd.(6)
De door het Hof vastgestelde gang van zaken voldoet ook aan het in vaste rechtspraak van de Hoge Raad gehanteerde criterium dat de bewezenverklaarde handelingen kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.(7)
5.5 Het middel faalt.
6.1 Het derde middel klaagt dat het Hof art. 57 SrNA heeft geschonden doordat, hoewel tussen art. 325 (diefstal met geweld) en art. 295 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) geen logische specialiteit bestaat, desondanks aangenomen moet worden dat de wetgever bedoeld heeft een specialiteitsverhouding aanwezig te achten in combinatiegevallen als hier, waarin, zoals het Hof heeft vastgesteld, een nauw verband is tussen de vrijheidsberoving en de diefstal met geweld en het bijkomende feit, de vrijheidsberoving, het middel is om de diefstal mogelijk te maken.
6.2 Art. 57, lid 2 Sr NA, dat overeenkomt met art. 55, lid 2 Sr, schakelt de toepasselijkheid van de lex generalis uit indien een lex specialis aanwezig is.
Afgezien van het zich hier niet voordoende geval van logische specialiteit, treedt dat gevolg alleen maar in indien moet worden aangenomen dat naar de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de wetsgeschiedenis of onder omstandigheden ook kan volgen uit het systeem van de wet, de desbetreffende wetsbepaling als een bijzondere strafbepaling moet worden beschouwd, die aan de toepassing van de algemene bepaling in de weg staat. Daarbij kan ook worden gelet op de strekking van de verschillende bepalingen.(8) Voor zover ik zie bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hier van een specialiteitsverhouding sprake is, mede gelet op de verschillende strekking van de bepalingen.
6.3 Eerder had in dit verband nog de vraag kunnen worden opgeworpen of de bewezenverklaarde feiten (telkens) wel meerdaadse samenloop opleveren. Daarop is echter, wat daar verder van zij, in feitelijke aanleg geen beroep gedaan. Het oordeel van het Hof, dat meerdaadse samenloop heeft aangenomen, geeft hoe dan ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik merk nog op dat de vrijheidsberoving klaarblijkelijk niet louter instrumenteel is geweest in het kader van de diefstal en als het ware slechts een onderdeel was van het geweld. Immers, zowel [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 3] zijn, nadat de diefstal met geweld was gepleegd, kennelijk nog ongeveer enige uren vastgehouden in de container.
6.4 Het middel faalt.
7.1 Het vierde middel klaagt over de strafmotivering, nu het Hof daarin spreekt over een tweetal gevallen van gijzeling, terwijl sprake was van wederrechtelijke vrijheidsberoving en in SrNA, anders dan in Nederland, gijzeling niet afzonderlijk strafbaar is gesteld, waarbij erop wordt gewezen dat (in Nederland) het strafmaximum voor gijzeling bijna twee maal zo hoog is als voor wederrechtelijke vrijheidsberoving.
7.2 Het Hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
"Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een tweetal gevallen van gijzeling met beroving. De slachtoffers zijn telkens met geweld meegevoerd, geblinddoekt, geboeid en bedreigd met een vuurwapen. Zij zijn variërend van enkele uren tot bijna een etmaal van hun vrijheid beroofd geweest. De slachtoffers zijn daardoor en door het feit dat aan hen goederen ontstolen zijn ernstig getraumatiseerd. Het vrouwelijke slachtoffer verklaart zich onder psychologische behandeling te hebben moeten stellen. De maatschappij is door de combinatie van gijzeling en beroving zeer geschokt. De gevoelens van onveiligheid binnen de samenleving zijn als gevolg van de bewezen verklaarde feiten in bijzondere mate aangewakkerd.
Ontvoering is op Curaçao een nieuw verschijnsel. Gelet op het bijzonder bedreigende en traumatiserende karakter van ontvoeringen zoals thans door verdachte gepleegd strekt de strafoplegging mede ertoe potentiële ontvoerders af te schrikken.
Omdat verdachte 30 dagen te lang gedetineerd is geweest in een politiecel zal het Hof de overwogen gevangenisstraf beperken met één maand."
7.3 Het Hof heeft in die motivering de ernst van de feiten, waaronder in het bijzonder ook de vrijheidsberoving van de slachtoffers, geschetst. Inderdaad wordt onder gijzeling naar algemeen spraakgebruik in de regel gedoeld op de vrijheidsberoving die is ondernomen met het doel om iets van een ander gedaan te krijgen, bijvoorbeeld de betaling van losgeld.(9) Maar in de context van het arrest in zijn geheel is duidelijk dat het Hof, dat ook spreekt van "ontvoering", daarmee doelt op de twee bewezenverklaarde gevallen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Zeker kan niet zijn bedoeld te verwijzen naar een niet in de Antillen doch slechts in Nederland bestaande strafbepaling (art. 282a Sr).
7.4 Aldus verstaan is 's Hofs oordeel ter zake niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft de strafoplegging toereikend gemotiveerd.
7.5 Het middel is tevergeefs voorgesteld.
8. Het eerste middel is gegrond. De overige middelen falen en kunnen naar het mij voorkomt met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.
9. Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. Het cassatieberoep is op 18 oktober 2006 ingesteld. Daaruit volgt dat in de cassatiefase inmiddels zoveel tijd is verstreken dat de Hoge Raad de zaak tegen de preventief gehechte verdachte niet meer binnen zestien maanden kan afdoen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden. Als de Hoge Raad de zaak (partieel) vernietigt en terugwijst zal het Hof bij de strafoplegging met die schending rekening dienen te houden.(10) Om de overschrijding nog zoveel mogelijk te beperken wordt deze conclusie bij vervroeging genomen.
Verder heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
10. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Gelet op de bewezenverklaring is hier kennelijk bij vergissing opgenomen "en vergezeld".
2 Deze zaak hangt samen met die tegen [medeverdachte 3] (nr. 01469/07), [medeverdachte 1] (nr. 01470/07) en
[medeverdachte 4] (nr. 01468/07), waarin ik vandaag ook concludeer.
3 Vgl. HR 24 juni 2003, NJ 2004, 165 m.nt. JR; HR 23 oktober 2007, NJ 2008, 70 m.nt. M.J. Borgers en HR 23 oktober 2007, NJ 2008, 69.
4 Overigens ontbreekt ook een aangifte van die diefstal van drank onder de gebruikte bewijsmiddelen.
5 Wel kan de vraag worden gesteld of, anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, de twee onderdelen van het onder 4 bewezen verklaarde wellicht als een voortgezette handeling moeten worden aangemerkt. Het Hof zal echter een nieuw wilsbesluit, gericht op een inbraak in de woning, hebben aangenomen toen [benadeelde partij 3] weinig waardevols bij zich bleek te hebben.
6 De Hullu, Materieel strafrecht, 3e druk, blz. 372; NLR art. 45 aantek. 2.5.1 (slot). Zie voor diefstal met geweld al HR 28 juli 1911, W 9225. Verder bijv. HR 11 november 1940, NJ 1941, 231 m.nt. W.P.
7 Zie bijv. HR 24 oktober 1978, NJ 1979, 52 m.nt. Th.W.v.V.; HR 2 oktober 2001, NJ 2002, 187; HR 15 maart 2005, LJN AR3260, NS 2005, 170.
8 Bijvoorbeeld HR 17 januari 1995, NJ 1995, 553; HR 20 januari 1998, NJ 1998, 336 en HR 12 november 2002, LJN AE2129, NS 2002, 336, rov. 4.3.6.
9 Hoewel Van Dale voor het literaire taalgebruik ook als betekenis noemt: "binden, boeien, ketenen".
10 In de zaken tegen de mededaders, waarin ik niet tot terugwijzing concludeer, zal de Hoge Raad zelf de straf verminderen.
Uitspraak
11 november 2008
Strafkamer
nr. S 01471/07 A
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 10 oktober 2006, nummer H-179/2006, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in het Huis van Bewaring "Bon Futuro" op Curaçao (Nederlandse Antillen).
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen, tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 en 2 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen, met name niet het medeplegen door de verdachte, en dat dientengevolge de vorderingen van de benadeelde partijen ten onrechte zijn toegewezen.
2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel:
"1.
dat hij in de nacht van 22 op 23 november 2005 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [benadeelde partij 1] en of [benadeelde partij 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, hebbende hij en zijn mededaders, toen en daar opzettelijk voornoemde [benadeelde partij 1] en voornoemde [benadeelde partij 2] wederrechtelijk en tegen hun wil gedwongen om met hem en zijn mededaders, in personenauto's mee te gaan en die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] in een container ondergebracht en daar enige tijd vastgehouden, welke dwang verdachte en/of zijn mededaders hebben uitgeoefend door voornoemde [benadeelde partij 1] en voornoemde [benadeelde partij 2] vuurwapens te tonen en die [benadeelde partij 1] met een vuurwapen te slaan op het hoofd en die [benadeelde partij 2] dreigend mede te delen (in het Spaans) "niet moeilijk doen, anders maak ik je af" en door de ogen van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] af te plakken en de handen en de voeten van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] vast te binden;
2.
dat hij in de nacht van 22 op 23 november 2005 op het eiland Curaçao tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen: een gouden trouwring en een portemonnee met inhoud en een chequeboek en een tweetal mobiele telefoons en een horloge (namaak rolex) en identiteitsbewijzen en bankpassen en sleutels en een auto (Suzuki Alto met kenteken [A 00-00]) en diverse flessen (sterke) drank, toebehorende aan [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen genoemde [benadeelde partij 1] en genoemde [benadeelde partij 2], gepleegd door hem, verdachte en/of zijn mededaders met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] uit het tonen van vuurwapens en het meermalen mondeling bedreigen met de dood en het afplakken van de ogen en blinddoeken en het vastbinden van de armen en de benen."
2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
(i) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 2]:
"Op 22 november 2005 in de late avonduren bevond ik mij in het restaurant [A], alwaar ik manager ben.
Mede-eigenaar van het restaurant [benadeelde partij 1] was daar ook. Wij sloten het restaurant omstreeks 23.00 uur. Op de parkeerplaats van het restaurant zag ik plotseling drie personen met een vuurwapen, gericht op [benadeelde partij 1]. Ik werd in mijn auto geduwd. Ik zat achterin met een van de mannen. Een andere man zat achter het stuur. Mijn ogen en mond waren bedekt met plakband. Er werd ook een doek om mijn hoofd gelegd. De man naast mij zei: 'geef ons al het geld van het restaurant en ook uw geld; doe alles wat wij zeggen, want alles wat wij willen is geld en wij willen onze handen niet met bloed vervuilen.' Wij kwamen aan in een soort gebouw of huis. Ik moest op de grond gaan liggen. Een van de mannen vroeg welke de pincodes waren van de bankpassen die ik had. Ik heb de pincodes gegeven van zowel [bank A] als [bank B]. Daarna werden die codes nogmaals aan mij gevraagd. De man zei: 'Stop met stommiteiten en vertel mij de waarheid, anders zal je veel problemen krijgen.' Mij werd ook gezegd: 'Ik zal betonnen blokken aan jullie voeten vastbinden en jullie in het water gooien zodat niemand jullie kan vinden.' Op zeker moment maakte een man het plakband bij mijn ogen een beetje los. Ik moest twee cheques uit mijn eigen chequeboekjes tekenen. Naast het chequeboek had de man twee vuurwapens op de grond gelegd.
Van mij zijn weggenomen: chequeboeken van [bank C], [bank B] en [bank A], mobiele telefoon, [bank B]- en [bank A]bankpassen, Nederlands-Antilliaans rijbewijs, Nederlands-Antilliaans identiteitsbewijs, Colombiaans identiteitsbewijs, Suzuki Alto met kenteken [A 00-00], huissleutels, sleutels van het restaurant en contactsleutes van de auto."
(ii) een proces-verbaal van politie, inhoudende als verklaring van [benadeelde partij 1]:
"Op 22 november 2005 omstreeks 23.15 zat ik met [benadeelde partij 2] in mijn auto op de parkeerplaats van het restaurant [A]. Plots hoorde ik iemand op het raam aan de bestuurderszijde slaan. Ik zag dat dat gebeurde met de loop van een Glock pistool. Er waren drie mannen. Op bevel van een van de daders opende ik de deur aan de bestuurderszijde. Deze man zei: "Niet moeilijk doen, anders maak ik je af". Ik kreeg met de kolf van de Glock een klap op mijn achterhoofd en werd achterin mijn eigen auto gezet. Dader 1 deed tape over mijn ogen. We zijn daarna gaan rijden. Dader 1 zei dat ze ons zouden afmaken als we niet meewerkten. Hij vroeg ook of ik van vrijen hield en zei vervolgens: 'hoe kun je dat doen als ik je pik afsnijd?' Hij zei ook dat we geld gingen pinnen en dat hij me zou neerschieten als er geen geld was. In de auto is door dader 1 mijn gouden trouwring afgenomen. We zijn daarna bij een huis aangekomen. Het huis leek op een keet, want het klonk niet solide. Voordat ik de woning in ging werden mijn handen getaped achter mijn rug. Ook mijn benen werden vastgebonden. Mij werd gezegd dat ik geen aangifte mocht doen en niet naar de politie mocht gaan omdat anders mijn familie zou worden afgemaakt. Ik werd in het huis op de grond gelegd. Op zeker moment zei een van de daders dat het 05.00 uur was en dat we over drie uur naar huis mochten. Uiteindelijk zijn we vrijgelaten.
Van mij zijn weggenomen: Een gouden trouwring met ingegraveerd inscriptie '14-10-1996' en '18-10-1996' en de naam '[...]', zwarte portemonnaie, een checkboek, een GSM van het merk Nokia, een nep-Rolex, een identiteitskaart van Curaçao en een bankomaticakaart van [bank B]. In mijn portemonnaie zaten geld, diverse kaarten, en foto's van mijn dochter."
(iii) een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende - als relaas van de verbalisanten:
"Het adres van verdachte is [a-straat 1]."
- als verklaring van de verdachte:
"In verband met de beroving van de beheerders van [A] kan ik het volgende vertellen. Ik kwam die nacht thuis en trof een BMW op het erf van mijn woning. Ik besloot om naar [medeverdachte 1] te gaan, want die logeerde bij mij. [Medeverdachte 1] vertelde mij dat hij, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een man en vrouw hadden beroofd en dat ze ergens heen moesten gaan om dranken weg te nemen. Ik ging toen achter het stuur zitten. Ik ging samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 1] bleef met de man en de vrouw achter in de container. Op aanwijzingen van [medeverdachte 3] reed ik naar [restaurant A]. Daar haalden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] flessen drank uit de zaak. Die werden in de kofferbak van onze auto gedaan. Thuis haalde [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] die flessen drank er weer uit."
(iv) een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Op 10 januari 2006 werden diverse inbeslaggenomen goederen getoond aan de aangever [benadeelde partij 2]. Zij herkende een sleutelbos met 7 sleutels en een oranje label, een sleutel van het merk Wink Haus met een groen label en een simkaartje met het telefoonnummer [telefoonnummer]. De sleutels zijn afkomstig van de huiszoeking [a-straat 1]. De simkaart is in beslag genomen bij de fouillering van [verdachte]."
(v) een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
"[Medeverdachte 1] zei mij op 18 december 2005 dat hij een ruimte nodig had. Ik ging ermee akkoord dat hij een container/bouwkeet die wij op het erf hadden staan gebruikte."
2.4. Voorts heeft het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:
"Voor wat betreft de feiten 1 en 2 geldt dat het medeplegen door verdachte blijkt uit het feit dat de aangevers (blijkens de aangiften) door meerdere mannen van hun vrijheid zijn beroofd en beroofd gehouden, dat medeverdachte [medeverdachte 1] uit de mond van verdachte heeft opgetekend dat deze een man en vrouw gegijzeld had, dat de container waarin de slachtoffers werden vastgehouden, naar verdachte zelf verklaart, door hem aan genoemde [medeverdachte 1] ter beschikking was gesteld, dat verdachte zelf verklaart mee te zijn geweest naar het restaurant van aangevers om flessen sterke drank te halen terwijl medeverdachte [medeverdachte 1] met de gijzelaars achterbleef in de container, dat een sleutelbos van slachtoffer [benadeelde partij 2] in de woning van verdachte is aangetroffen en dat ook de Simkaart van de telefoon van [benadeelde partij 2] bij hem werd aangetroffen, een en ander zonder dat verdachte voor het aantreffen van deze goederen bij hem een aannemelijke verklaring heeft gegeven."
2.5. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan, anders dan het Hof heeft overwogen, niet worden afgeleid dat de container waarin de slachtoffers op 22 november 2005 werden vastgehouden, op dat moment door de verdachte aan [medeverdachte 1] - degene die naar de Hoge Raad begrijpt door de verdachte [medeverdachte 1] wordt genoemd - in gebruik was gegeven en evenmin dat de verdachte aan [medeverdachte 1] heeft verteld dat hij, verdachte, de slachtoffers had gegijzeld.
Dit in aanmerking genomen vindt het bewezenverklaarde medeplegen door de verdachte van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de beide slachtoffers en de diefstal in vereniging met geweld beiden, onvoldoende steun in de gebezigde bewijsmiddelen. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.6. Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het vierde middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, de strafoplegging en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen;
verwijst de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 11 november 2008.