Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0632

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers07 / 1107 AW W1 A en 08 / 264 AW W1 A
Statusgepubliceerd


Indicatie

Betreft disciplinair ontslag met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling WOT. Daarbij is overwogen dat eiseres niet heeft gehandeld zoals van een goed functionerende ambtenaar van WOT mag worden verwacht door elke mogelijkheid tot redelijk overleg over een oplossing van het arbeidsconflict te blokkeren en daardoor feitelijk werk te weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank was eiseres, nu zij formeel niet uit haar functie van Hoofd Sociale Zaken was ontheven of ongeschikt was verklaard voor die functie, niet gehouden om mee te werken aan plaatsing in een andere betrekking. De plicht tot het aanvaarden van een andere betrekking als bedoeld in artikel 15:1:10, eerste lid van de WOT, ziet naar het oordeel van de rechtbank bovendien uitsluitend op het aanvaarden van een andere betrekking binnen Top Craft en niet op functies buiten de organisatie van verweerder. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiseres door het niet aanvaarden van een betrekking buiten de organisatie van Top Craft, wat er verder ook mag zijn van de desbetreffende functies, zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering of enige andere vorm van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 16:1:1 van de WOT. Verweerder was mitsdien niet bevoegd om eiseres in verband daarmee een disciplinaire straf op te leggen.


Uitspraak

RECHTBANK ALMELO Sector bestuursrecht Registratienummers: 07 / 1107 AW W1 A en 08 / 264 AW W1 A uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen: [naam], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. A.E.M. van Wessum, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, en het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Oost Twente (GR WOT), gevestigd te Oldenzaal, verweerder, gemachtigde: mr. H. Eillert, advocaat te Enschede. 1. Aanduiding bestreden besluiten Besluiten van verweerder d.d. 21 augustus 2007 en 18 februari 2008 (verzonden 22 februari 2008). 2. Procesverloop Eiseres is met ingang van 1 juni 2002 voor onbepaalde tijd aangesteld als Hoofd Sociale Zaken voor 36 uur per week bij Werkvoorzieningschap Oost Twente, thans Top-Craft B.V./GR WOT (verder te noemen: Top Craft) te Oldenzaal. Eiseres heeft zich op 14 februari 2005 ziek gemeld vanwege een arbeidsconflict. Op 24 mei 2005 heeft verweerder besloten akkoord te gaan met het opstarten van een outplacementtraject voor eiseres. Op 22 juni 2005 heeft de algemeen directeur van Top Craft tijdens een gesprek aan eiseres kenbaar gemaakt dat terugkeer naar de organisatie in de huidige functie niet aan de orde is. Daarbij is tevens gesproken over de manier waarop partijen uit elkaar zouden moeten gaan. Eiseres heeft aan verweerder gevraagd met een voorstel te komen. De algemeen directeur van Top Craft heeft eiseres bij brief van 29 september 2005 onder meer uitgenodigd voor een gesprek op 12 oktober 2005 bij Soweco te Almelo om te praten over een mogelijke overplaatsing naar dat SW-bedrijf. Bij schrijven van 7 oktober 2005 heeft mr. A.E.M. van Wessum, voornoemd, namens eiseres verzocht om een motivering van het volgens haar in de brief van 29 september 2005 impliciet vervatte besluit tot ontheffing van eiseres uit haar functie en het eveneens impliciete besluit dat er binnen Top-Craft geen passende functies voor eiseres voorhanden zijn. Bij schrijven van 17 oktober 2005 heeft het bestuur van Top-Craft uiteengezet waarom terugkeer van eiseres binnen de organisatie uitgesloten is en waarom het akkoord is gegaan met het opstarten van een outplacementtraject. Op 28 oktober 2005 heeft de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van de algemeen directeur van Top Craft van 29 september 2005. Daarin is aangevoerd dat eiseres zich niet kan verenigen met de ontheffing uit haar functie Hoofd Sociale Zaken met ingang van 24 mei 2005 en de onmogelijkheid van herplaatsing in een andere passende functie binnen de organisatie vanwege een vertrouwensbreuk met de ondernemingsraad en het managementteam. Verweerder heeft bij brief van 1 mei 2006 aan eiseres een aantal voorstellen gedaan om te komen tot een compromis waarmee het dienstverband van eiseres eindigt, waaronder outplacement, inplacement en plaatsing in een passende functie bij Soweco te Almelo respectievelijk bij SWB te Hengelo. Nadat het overleg tussen partijen dat gedurende de daarop volgende maanden van 2006 heeft plaatsgevonden over een oplossing van het gerezen arbeidsconflict niet tot resultaat had geleid, heeft verweerder bij besluit van 18 december 2006 aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt haar disciplinair ontslag te verlenen met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling WOT (hierna te noemen: WOT). Daarbij is overwogen dat eiseres niet heeft gehandeld zoals van een goed functionerende ambtenaar van WOT mag worden verwacht door elke mogelijkheid tot redelijk overleg over een oplossing van het arbeidsconflict te blokkeren en daardoor feitelijk werk te weigeren. Eisers is daarbij in de gelegenheid gesteld verweer te voeren tegen dit voorgenomen ontslag. Bij schrijven van 8 januari 2007 heeft mr. Van Wessum het verweer van eiseres tegen het voorgenomen ontslag ingediend. Bij besluit van 25 januari 2007 heeft verweerder overeenkomstig zijn voornemen besloten eiseres disciplinair ontslag te verlenen op grond van artikel 8:13 van de WOT. Bij schrijven van 8 maart 2007 heeft mr. Van Wessum namens eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij heeft de gronden van het bezwaar ingediend bij schrijven van 12 april 2007. Eiseres is op 19 juli 2007 over haar bezwaar gehoord door de Commissie voor bezwaarschriften personeel NOT-gemeenten (hierna te noemen: bezwarencommissie). Deze commissie heeft op 29 juli 2007 aan verweerder geadviseerd om het bezwaarschrift van eiseres gegrond te verklaren en een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het advies. Bij het bestreden besluit van 21 augustus 2007 heeft verweerder in afwijking van het advies van de bezwarencommissie het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Namens eiseres heeft mr. A.E.M. van Wessum, voornoemd, bij schrijven van 2 oktober 2007 tegen dit besluit beroep ingesteld. Zij heeft de gronden van het beroep ingediend bij schrijven van 30 oktober 2007. Verweerders gemachtigde heeft op 4 december 2007 een verweerschrift ingediend. Op 31 januari 2008 heeft de rechtbank een inlichtingencomparitie gehouden om nadere informatie te verkrijgen over de vraag of het bestreden besluit van 17 augustus 2007 bevoegd is genomen. Op 18 februari 2008 heeft verweerder het besluit van 21 augustus 2007 ingetrokken en een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de ontheffing uit haar functie wederom ongegrond is verklaard, teneinde daarmee het ten aanzien van eerstgenoemd besluit geconstateerde bevoegdheidsgebrek te herstellen. Het besluit van 18 februari 2008 is bij schrijven van 22 februari 2008 aan eiseres bekend gemaakt. De rechtbank heeft het lopende beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 18 februari 2008. De gemachtigde van eiseres heeft bij schrijven van 11 maart 2008 aanvullende beroepsgronden ingediend naar aanleiding van het nieuwe besluit op bezwaar. Verweerders gemachtigde heeft vervolgens op 14 april 2008 een aanvullend verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 augustus 2008, waar eiseres in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.E.M. van Wessum, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. P.E. Holtkamp, algemeen directeur van Top Craft, bijgestaan door mr. H. Eillert, voornoemd. 3. Overwegingen Nu verweerder het bestreden besluit van 21 augustus heeft ingetrokken omdat dit besluit onbevoegd was genomen, heeft eiseres geen processueel belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van dat besluit. Voor zover het beroep van eiseres is gericht tegen het besluit van 21 augustus 2007 dient het daarom wegens het verlies van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Thans is in geschil de vraag of het bestreden besluit van 18 februari 2008, bekendgemaakt bij schrijven van 22 februari 2008, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. In beroep is namens eiseres aangevoerd dat het besluit van 22 februari 2008 niet rechtsgeldig tot stand is gekomen nu de ondertekening door de secretaris heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van een handtekeningstempel en de secretaris niet aanwezig was bij de bestuursvergadering van 18 februari 2008 waarin dat besluit is genomen. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Het voorschrift van artikel 15 van de Gemeenschappelijke Regeling WOT 2002 (verder te noemen: de Regeling), bepalende dat de voorzitter en de secretaris alle stukken tekenen die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan, sluit niet uit dat dit tekenen geschiedt in de vorm van de plaatsing van een stempelafdruk van de handtekening van de voorzitter of, zoals in dit geval, de secretaris. Hierbij bestaat geen grond en praktisch ook geen mogelijkheid onderscheid te maken tussen de gevallen waarin de stempelafdruk door de voorzitter en de secretaris zelf wordt geplaatst en die waarin deze in opdracht door een daartoe aangewezen ambtenaar wordt geplaatst. In het laatste geval maakt het ook geen verschil of zulks al dan niet in tegenwoordigheid van de voorzitter of de secretaris geschiedt. Ook de strekking van artikel 15 van de Regeling verzet zich niet tegen een praktijk waarin de persoonlijke handtekening van de voorzitter of de secretaris in daartoe naar hun oordeel in aanmerking komende gevallen wordt vervangen door een stempelafdruk geplaatst door een daartoe door hen aangewezen ambtenaar. De in dit artikel voorgeschreven ondertekening bedoelt immers niet tot uitdrukking te brengen dat de ondertekenaar een bepaald besluit heeft genomen of mede heeft genomen, dan wel daaraan zijn goedkeuring hecht en aldus meewerkt aan een voor de rechtsgeldige totstandkoming van dit besluit gestelde voorwaarde. De betekenis van dit voorschrift is veeleer deze dat het in het belang van de bewijskracht van stukken die uitgaan als van het bestuur afkomstig, bedoelt te garanderen dat de inhoud van die stukken in overeenstemming is met hetgeen door het bestuur waarvan die stukken uitgaan, is besloten of gezegd. Daarbij moet het aan de voorzitter respectievelijk aan de secretaris worden overgelaten en blijft het voor hun verantwoordelijkheid erop toe te zien dat door het gebruik van een handtekeningstempel aan de garantie welke hun handtekening bedoelt te bieden geen afbreuk wordt gedaan. Nu de directeur van Top-Craft aanwezig is geweest bij de bestuursvergadering van 18 februari 2008, waar het bestreden besluit is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank het ontslag niet in strijd met het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van de Regeling tot stand gekomen. Dat artikel stelt geen schriftelijkheidsvereisten ten aanzien van de voordracht tot ontslag door de directie. Voor zover in dit opzicht een formeel gebrek kleeft aan het besluit in primo moet dit geacht worden te zijn hersteld bij het bestreden besluit op bezwaar van 18 februari 2008. In geding is het besluit van verweerder om eiseres disciplinair ontslag te verlenen met toepassing van artikel 8:13 van de Arbeidsvoorwaardenregeling WOT (hierna aangeduid als WOT). Hoewel noch in het voornemen van 18 december 2006 en het primaire besluit van 25 januari 2007, noch in de besluiten op bezwaar van 21 augustus 2007 en 18 februari 2008, de ingangsdatum van het ontslag is genoemd, is tussen partijen niet in geschil dat het ontslag is ingegaan op 1 februari 2007. Ook de rechtbank zal daarom van deze ingangsdatum van het ontslag uitgaan. Met betrekking tot het strafontslag als zodanig overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 16:1:1, eerste lid, van de WOT bepaalt – voor zover hier van belang - dat de ambtenaar die hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt deswege disciplinair kan worden gestraft. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van artikel 16:1:1 van de WOT omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort te doen of na te laten. Artikel 8:13 van de WOT bepaalt dat aan de ambtenaar als disciplinaire straf ongevraagd ontslag kan worden opgelegd. Bij het bestreden besluit is verweerder afgeweken van het advies van de bezwarencommissie. Ingevolge artikel 7:13, zevende lid, van de Awb mag het bestuursorgaan afwijken van het advies van de commissie, mits de reden voor die afwijking in de beslissing wordt vermeld en het advies met die beslissing wordt meegezonden. Aan beide vereisten is in het onderhavige geval voldaan. Blijkens het gestelde op bladzijde 7 van bestreden besluit van 18 februari 2008, onder het kopje “Plichtsverzuim”, is verweerder van mening dat eiseres de aan haar opgelegde verplichtingen niet is nagekomen dan wel zich heeft schuldig gemaakt aan het doen of nalaten dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Dit doen of nalaten ziet op het herhaaldelijk weigeren van eiseres om aangeboden werkzaamheden te vervullen. Blijkens het bestreden besluit doelt verweerder daarbij op aangeboden passend werk bij Soweco en SWB. Dit leidt wat verweerder betreft tot plichtsverzuim dat een ontslag met toepassing van artikel 8:13 van de WOT rechtvaardigt. Verweerder merkt daarbij op dat hij zich in dit verband gesterkt voelt door de opdracht die in het civiele recht aan de werkgever wordt opgelegd in artikel 7:658a BW, te weten dat de werkgever in het kader van de reïntegratie van een arbeidsongeschikte werknemer dient te bevorderen dat die werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever wordt ingeschakeld. Verweerder stelt dat dit precies is wat hem voor ogen heeft gestaan. Voorts verwijst verweerder naar de Beleidsregels Ontslagtaak CWI (versie juni 2006). Eiseres kan zich niet met de zienswijze van verweerder verenigen en stelt dat zij zich niet schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en dat om die reden ten onrechte disciplinair ontslag is verleend. Zij merkt verder op dat aan de reïntegratie wegens ziekte niets is gedaan ondanks een schriftelijk verzoek hiertoe van de gemachtigde van eiseres op 20 september 2005. Bij brief van 29 september 2005 is eiseres meegedeeld dat op 22 juni 2005 met eiseres is besproken dat terugkeer binnen Top-Craft/GR WOT is uitgesloten, gelet op het bestuursbesluit van 24 mei 2005. Het bezwaar van eiseres tegen de brief van 29 september 2005 is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep aangetekend bij de rechtbank. Dit beroep is bij uitspraak van heden met de nummers 07/1077 en 08/263 AW ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is eiseres nimmer formeel ontheven uit haar functie van Hoofd Sociale Zaken bij Top Craft. Eiseres is in een gesprek met de algemeen directeur van Top Craft op 22 juni 2005 mondeling te kennen gegeven dat zij niet in haar functie binnen de organisatie kan terugkeren, doch een schriftelijk besluit van verweerder hieromtrent ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij ook naar hetgeen zij in dit verband heeft overwogen in de uitspraak van heden met nummers 07/1077 en 08/263. Verweerder heeft op 24 mei 2005 alleen besloten akkoord te gaan met het opstarten van een outplacementtraject; over het niet terugkeren van eiseres in haar functie van Hoofd Sociale Zaken bij Top Craft heeft het bestuur in dat besluit geen beslissing genomen. In het kader van het zoeken naar een andere functie voor eiseres buiten verweerders organisatie zijn functies bij Soweco en SWB aan de orde geweest. Ter zitting heeft eiseres dienaangaande opgemerkt dat zij weliswaar was uitgenodigd voor een gesprek over een functie bij Soweco, doch dat er bij nader inzien geen sprake bleek te zijn van een vacature. Bij SWB bestond wel een vacature voor een functie van als personeelsadviseur, doch dit ging naar haar zeggen om een tijdelijke functie zonder concreet zicht op blijvend werk. Verweerder stelt zich op het standpunt dat van eiseres in ieder geval mocht worden verlangd dat zij deze laatstgenoemde functie bij SWB had geaccepteerd. Het ging naar de mening van verweerder om een soortgelijke functie als die welke eiseres bij Top Craft had. Volgens verweerder had eiseres deze functie bij SWB op basis van detachering kunnen verrichten met behoud van haar volledige rechtspositie en bezoldiging bij Top Craft. Verweerder is van mening dat eiseres door haar opstelling de pogingen om haar elders te werk te stellen zodanig heeft gefrustreerd dat zij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een vorm van werkweigering, die als plichtsverzuim is aan te merken. De rechtbank kan zich niet met deze zienswijze van verweerder verenigen. Naar het oordeel van de rechtbank was eiseres, nu zij formeel niet uit haar functie van Hoofd Sociale Zaken was ontheven of ongeschikt was verklaard voor die functie, niet gehouden om mee te werken aan plaatsing in een andere betrekking. De plicht tot het aanvaarden van een andere betrekking als bedoeld in artikel 15:1:10, eerste lid van de WOT, ziet naar het oordeel van de rechtbank bovendien uitsluitend op het aanvaarden van een andere betrekking binnen Top Craft en niet op functies buiten de organisatie van verweerder. Hierbij merkt de rechtbank op dat de verwijzing door verweerder naar artikel 7:658a BW niet mede kan dienen ter onderbouwing van het bestreden ontslagbesluit nu dit artikel, nog daargelaten dat dit ziet op reïntegratie bij arbeidsongeschiktheid en slechts een inspanningsverplichting voor de werkgever inhoudt, niet van toepassing is op werknemers met een aanstelling als ambtenaar zoals eiseres. De Beleidsregels Ontslagtaak CWI gelden evenmin voor de ambtelijke arbeidsverhouding, zodat verweerder ook daaraan geen steun kan ontlenen voor zijn zienswijze. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat eiseres door het niet aanvaarden van een betrekking buiten de organisatie van Top Craft, wat er verder ook mag zijn van de genoemde functies bij SBW en Soweco, zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering of enige andere vorm van plichtsverzuim als bedoeld in artikel 16:1:1 van de WOT . Verweerder was mitsdien niet bevoegd om eiseres in verband daarmee een disciplinaire straf op te leggen. Het bestreden besluit van 18 februari 2008 komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift en de behandeling van het beroep ter comparitie van 31 januari 2008 en ter zitting van 19 augustus 2008. Beslist wordt derhalve als volgt. 4. Beslissing De Rechtbank Almelo, Recht doende: - verklaart het beroep tegen het besluit van 21 augustus 2007 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen het besluit van 18 februari 2008 gegrond en vernietigt dat besluit; - verstaat dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar zal nemen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 966,--, door verweerders rechtspersoon te betalen aan eiseres; - verstaat dat verweerders rechtspersoon aan eiseres het griffierecht ad EUR 143,-- vergoedt. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Aldus gegeven door mr. J.H. Keuzenkamp in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2008. Afschrift verzonden op 10 september 2008 AB