Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0630

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Almelo
Zaaknummers07 / 1077 AW W1 A en 08 / 263 AW W1 A
Statusgepubliceerd


Indicatie

Betreft de vraag of de brief van de algemeen directeur WOT van 29 september 2005 aan eiseres een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, te weten een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van 29 september 2005 niet alleen voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste, doch dat die brief tevens afkomstig is van een bestuursorgaan, te weten de algemeen directeur van Top Craft. Rest de vraag of sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling, waaronder in dezen moet worden verstaan een handeling gericht op rechtsgevolgen die de ambtenaar in zijn ambtelijke rechtspositie treffen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De brief van de algemeen directeur van 29 september 2005 bevat slechts een uitnodiging voor een gesprek op 12 oktober 2005 en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Voor zover in die brief aan eiseres wordt meegedeeld dat terugkeer bij Top Craft is uitgesloten, is sprake van verwijzing naar verweerders besluit van 24 mei 2005, dat op 3 juni 2005 aan eiseres is bekendgemaakt en waartegen zij geen bezwaar heeft gemaakt. Die mededeling van de algemeen directeur als zodanig is geen besluit gericht op rechtsgevolg.


Uitspraak

RECHTBANK ALMELO Sector bestuursrecht Registratienummers: 07 / 1077 AW W1 A en 08 / 263 AW W1 A uitspraak van de enkelvoudige kamer in het geschil tussen: [naam], wonende te [woonplaats], eiseres, gemachtigde: mr. A.E.M. van Wessum, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, en het bestuur van de Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningschap Oost Twente (GR WOT), gevestigd te Oldenzaal, verweerder, gemachtigde: mr. H. Eillert, advocaat te Enschede. 1. Aanduiding bestreden besluiten Besluiten van verweerder d.d. 17 augustus 2007 en 18 februari 2008 (verzonden 22 februari 2008). 2. Procesverloop Eiseres is met ingang van 1 juni 2002 voor onbepaalde tijd aangesteld als Hoofd Sociale Zaken voor 36 uur per week bij Werkvoorzieningschap Oost Twente, thans Top-Craft B.V./GR WOT (verder te noemen: Top Craft) te Oldenzaal. Eiseres heeft zich op 14 februari 2005 ziek gemeld in verband met een arbeidsconflict. Op 24 mei 2005 heeft verweerder besloten akkoord te gaan met het opstarten van een outplacementtraject voor eiseres. Op 22 juni 2005 heeft de algemeen directeur van Top Craft tijdens een gesprek aan eiseres kenbaar gemaakt dat terugkeer naar de organisatie in de huidige functie niet aan de orde is. Daarbij is tevens gesproken over de manier waarop partijen uit elkaar zouden moeten gaan. Eiseres heeft aan verweerder gevraagd met een voorstel te komen. De algemeen directeur van Top Craft heeft eiseres bij brief van 29 september 2005 uitgenodigd voor een gesprek op 12 oktober 2005 bij Soweco te Almelo om te praten over een mogelijke overplaatsing naar dat SW-bedrijf. Bij schrijven van 7 oktober 2005 heeft mr. A.E.M. van Wessum, voornoemd, namens eiseres verzocht om een motivering van het volgens haar in de brief van 29 september 2005 impliciet vervatte besluit tot ontheffing van eiseres uit haar functie en het eveneens impliciete besluit dat er binnen Top-Craft geen passende functies voor eiseres voorhanden zijn. Bij schrijven van 17 oktober 2005 heeft verweerder uiteengezet waarom terugkeer van eiseres binnen de organisatie uitgesloten is en waarom het akkoord is gegaan met het opstarten van een outplacementtraject. Op 28 oktober 2005 heeft de gemachtigde van eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen de brief van de algemeen directeur van Top Craft van 29 september 2005. In dat bezwaarschrift is aangevoerd dat eiseres zich niet kan verenigen met de ontheffing uit haar functie Hoofd Sociale Zaken met ingang van 24 mei 2005 en de onmogelijkheid van herplaatsing in een andere passende functie binnen de organisatie vanwege een vertrouwensbreuk met de ondernemingsraad en het managementteam. Bij schrijven van 1 maart 2006 is namens eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar bezwaarschrift van 28 oktober 2005. Bij uitspraak van 22 mei 2006 heeft de rechtbank dit beroep van eiseres gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen vier weken na de uitspraak alsnog een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van eiseres van 28 oktober 2005. Bij besluit van 16 juni 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Het namens eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 13 februari 2007 gegrond verklaard en het besluit van 16 juni 2006 is vernietigd, omdat verweerder bij zijn besluit niet had betrokken of de brief van 29 september 2005 aangemerkt moet worden als een andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb en of eiseres op grond daarvan ontvangen had moeten worden in haar bezwaar. Eiseres is op 19 juli 2007 over haar bezwaar gehoord door de Commissie voor bezwaarschriften personeel NOT-gemeenten (hierna te noemen: bezwarencommissie). Deze commissie heeft op 29 juli 2007 aan verweerder geadviseerd om het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Bij het bestreden besluit van 17 augustus 2007 heeft verweerder conform het advies van de bezwarencommissie het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Namens eiseres heeft mr. A.E.M. van Wessum, voornoemd, bij schrijven van 28 september 2007 tegen dit besluit beroep ingesteld. Zij heeft de gronden van het beroep ingediend bij schrijven van 26 oktober 2007. Verweerders gemachtigde heeft op 27 november 2007 een verweerschrift ingediend. Op 31 januari 2008 heeft de rechtbank een inlichtingencomparitie gehouden om nadere informatie te verkrijgen over de vraag of het bestreden besluit van 17 augustus 2007 bevoegd is genomen. Op 18 februari 2008 heeft verweerder het besluit van 17 augustus 2007 ingetrokken en een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de ontheffing uit haar functie wederom niet-ontvankelijk is verklaard, ten einde daarmee het ten aanzien van het eerstgenoemde besluit geconstateerde bevoegdheidsgebrek te herstellen. Het besluit van 18 februari 2008 is bij schrijven van 22 februari 2008 aan eiseres bekend gemaakt. De rechtbank heeft het reeds aanhangige beroep met toepassing van artikel 6:19 van de Awb geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 18 februari 2008. De gemachtigde van eiseres heeft bij schrijven van 11 maart 2008 aanvullende beroepsgronden ingediend naar aanleiding van het nieuwe besluit op bezwaar. Verweerders gemachtigde heeft vervolgens op 14 april 2008 een aanvullend verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 augustus 2008, waar eiseres in persoon is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde mr. A.E.M. van Wessum, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. P.E. Holtkamp, algemeen directeur van Top Craft, bijgestaan door mr. H. Eillert, voornoemd. 3. Overwegingen Nu verweerder het bestreden besluit van 17 augustus 2007 heeft ingetrokken omdat dit besluit onbevoegd was genomen, heeft eiseres geen processueel belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van dat besluit. Ook overigens is niet gebleken dat eiseres nog een belang heeft bij een beslissing van de rechtbank op haar beroep tegen het besluit van 17 augustus 2007. Voor zover het beroep van eiseres is gericht tegen het besluit van 17 augustus 2007 dient het daarom wegens het verlies van procesbelang niet-ontvankelijk te worden verklaard. Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand in verband met het beroepschrift en de zitting van 19 augustus 2008. Voor vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in verband met de inlichtingencomparitie op 31 januari 2008 bestaat in de onderhavige zaak geen aanleiding, nu deze kosten al in aanmerking zijn genomen bij de proceskostenveroordeling in de uitspraak van heden, nummer 07/1107 AW, inzake het strafontslag van eiseres. De twee zaken zijn tijdens genoemde inlichtingencomparitie gevoegd behandeld, omdat daarin dezelfde bevoegdheids-vraag aan de orde was. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat evenmin aanleiding nu dit wordt geacht mede te zijn voldaan voor het beroep tegen het besluit van 18 februari 2008. Gelet het op het bovenstaande is thans aan de orde de vraag of het bestreden besluit van 18 februari 2008, bekendgemaakt bij schrijven van 22 februari 2008, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. In beroep is namens eiseres aangevoerd dat het besluit van 22 februari 2008 niet rechtsgeldig tot stand is gekomen nu de ondertekening door de secretaris heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van een handtekeningstempel en de secretaris niet aanwezig was bij de bestuursvergadering van 18 februari 2008 waarin dat besluit is genomen. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Het voorschrift van artikel 15 van de Gemeenschappelijke Regeling WOT 2002 (verder te noemen: de Regeling), bepalende dat de voorzitter en de secretaris alle stukken tekenen die van het algemeen en het dagelijks bestuur uitgaan, sluit niet uit dat dit tekenen geschiedt in de vorm van de plaatsing van een stempelafdruk van de handtekening van de voorzitter of, zoals in dit geval, de secretaris. Hierbij bestaat geen grond en praktisch ook geen mogelijkheid onderscheid te maken tussen de gevallen waarin de stempelafdruk door de voorzitter en de secretaris zelf wordt geplaatst en die waarin deze in opdracht door een daartoe aangewezen ambtenaar wordt geplaatst. In het laatste geval maakt het ook geen verschil of zulks al dan niet in tegenwoordigheid van de voorzitter of de secretaris geschiedt. Ook de strekking van artikel 15 van de Regeling verzet zich niet tegen een praktijk waarin de persoonlijke handtekening van de voorzitter of de secretaris in daartoe naar hun oordeel in aanmerking komende gevallen wordt vervangen door een stempelafdruk geplaatst door een daartoe door hen aangewezen ambtenaar. De in dit artikel voorgeschreven ondertekening bedoelt immers niet tot uitdrukking te brengen dat de ondertekenaar een bepaald besluit heeft genomen of mede heeft genomen, dan wel daaraan zijn goedkeuring hecht en aldus meewerkt aan een voor de rechtsgeldige totstandkoming van dit besluit gestelde voorwaarde. De betekenis van dit voorschrift is veeleer deze dat het in het belang van de bewijskracht van stukken die uitgaan als van het bestuur afkomstig, bedoelt te garanderen dat de inhoud van die stukken in overeenstemming is met hetgeen door het bestuur waarvan die stukken uitgaan, is besloten of gezegd. Daarbij moet het aan de voorzitter respectievelijk aan de secretaris worden overgelaten en blijft het voor hun verantwoordelijkheid erop toe te zien dat door het gebruik van een handtekeningstempel aan de garantie welke hun handtekening bedoelt te bieden geen afbreuk wordt gedaan. De omstandigheid dat de secretaris niet aanwezig was bij de bestuursvergadering van 18 februari 2008 waar het nieuwe besluit op bezwaar is genomen, betekent niet dat dit besluit om die reden niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Uit de Regeling blijkt niet dat het dagelijks bestuur bij afwezigheid van de secretaris niet beslissingsbevoegd is. Naar het oordeel van de rechtbank is het besluit van 18 februari 2008 in overeenstemming met de Regeling tot stand gekomen en kleven aan dat besluit ook overigens geen formele gebreken op grond waarvan het niet in stand zou kunnen blijven. Rest de vraag of verweerder bij het besluit van 18 februari 2008 op goede gronden heeft besloten het bezwaar van eiseres tegen de brief van verweerder van 29 september 2005 niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze brief niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb of een daarmee gelijk te stellen andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. In beroep is - kort samengevat - aangevoerd dat eiseres door de brief van 29 september 2005, waarin staat dat terugkeer van eiseres binnen Top Craft uitgesloten is en dat dit met haar zou zijn besproken op 22 juni 2005, in haar rechtspositie is aangetast en dat hiertegen het rechtsmiddel van bezwaar openstaat. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 29 september 2005 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, noch een handeling of een beslissing bevat die met toepassing van artikel 8:1, tweede lid, als een besluit is te kwalificeren. Volgens verweerder is alleen aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan, maar niet aan de overige vereisten. Het verstrekken van informatie is naar de mening van verweerder geen besluit of een andere handeling in de zin van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. Hierbij verwijst verweerders gemachtigde naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 13 februari 1997, gepubliceerd in ABkort 1997, 273. Wat betreft het bestuursbesluit van 23 mei 2005, waarnaar in het beroepschrift wordt verwezen stelt verweerder dat, indien het starten van een outplacementtraject al aan te merken zou zijn als een appellabel besluit, wat verweerder bestrijdt, eiseres tegen dat besluit bezwaar had moeten maken en niet tegen de brief van 29 september 2005. Hierbij merkt verweerder op dat het beroepschrift bovendien lijkt te zijn gericht tegen de positie van eiseres binnen de organisatie. Nu eiseres ten tijde van de brief van 29 september 2005 al ruim een half jaar ontheven was van haar taken en dit van meet af aan bij haar bekend was, kan volgens verweerders gemachtigde ook langs deze weg geen appellabel besluit worden gemaakt van de brief van 29 september 2005. De rechtbank kan verweerder niet volgen waar het deze laatste opmerking betreft. De omstandigheid dat eiseres op 29 september 2005 haar werkzaamheden als Hoofd Sociale Zaken al enige tijd niet meer feitelijk had verricht betekent nog niet dat de brief van de algemeen directeur van die datum geen voor bezwaar en beroep op grond van de Awb vatbaar besluit zou kunnen zijn. Eiseres was immers op 29 september 2005 nog in dienst van Top Craft. Eerst per 1 februari 2007 is haar disciplinair ontslag verleend. Eiseres kon dan ook bezwaar maken en beroep instellen tegen besluiten of handelingen waardoor zij in haar rechtspositie als ambtenaar werd getroffen. Overigens staan voor ook de gewezen ambtenaar in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Ambtenarenwet, de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep op grond van de Awb open. De rechtbank ziet zich vervolgens geplaatst voor de vraag of bij de brief van 29 september 2005 sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, te weten een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat de brief van 29 september 2005 niet alleen voldoet aan het schriftelijkheidsvereiste, doch dat die brief tevens afkomstig is van een bestuursorgaan, te weten de algemeen directeur van Top Craft. Rest de vraag of sprake is van een publiekrechtelijke rechtshandeling, waaronder in dezen moet worden verstaan een handeling gericht op rechtsgevolgen die de ambtenaar in zijn ambtelijke rechtspositie treffen. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. De brief van de algemeen directeur van 29 september 2005 bevat slechts een uitnodiging voor een gesprek op 12 oktober 2005 en is niet gericht op enig rechtsgevolg. Voor zover in die brief aan eiseres wordt meegedeeld dat terugkeer bij Top Craft is uitgesloten, is sprake van verwijzing naar verweerders besluit van 24 mei 2005, dat op 3 juni 2005 aan eiseres is bekendgemaakt en waartegen zij geen bezwaar heeft gemaakt. Die mededeling van de algemeen directeur als zodanig is geen besluit gericht op rechtsgevolg. Overigens merkt de rechtbank op dat het besluit van 24 mei 2005 alleen inhoudt dat verweerder akkoord gaat met het opstarten van een outplacementtraject. Bij dat besluit heeft het bestuur geen beslissing genomen over het al dan niet terugkeren van eiseres in haar functie van Hoofd Sociale Zaken bij Top Craft. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de brief van 29 september 2005 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Awb. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van de algemeen directeur van Top Craft evenmin kan worden aangemerkt als een andere handeling ten aanzien van eiseres als ambtenaar, waartegen bezwaar of beroep mogelijk is. Artikel 8:1, tweede lid, van de Awb bepaalt - voor zover hier van belang - dat met een besluit wordt gelijkgesteld een andere handeling van een bestuursorgaan waarbij een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet als zodanig is betrokken. Voor dergelijke andere (feitelijke) handelingen geldt dat zij pas dan met een besluit gelijk gesteld kunnen worden wanneer zij zijn gericht op rechtsgevolgen die de ambtenaar in zijn ambtelijke rechtspositie treffen. Zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld is daarvan bij de brief van de algemeen directeur van 29 september 2005 geen sprake. Dit betekent dat deze brief om die reden niet kan worden aangemerkt als een handeling van verweerder welke op basis van artikel 8:1, tweede lid, van de Awb gelijkgesteld moet worden met een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder eiseres op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de brief van de algemeen directeur van 29 september 2005. Hetgeen namens eiseres in beroep naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Het bestreden besluit kan daarom in rechte in stand worden gelaten. Beslist wordt derhalve als volgt: 4. Beslissing De Rechtbank Almelo, Recht doende: - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 17 augustus 2007 niet-ontvankelijk; - veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op EUR 644,-- door verweerders rechtspersoon te betalen aan eiseres; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 februari 2008 ongegrond. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Aldus gegeven door mr. J.H. Keuzenkamp, in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2008. Afschrift verzonden op AB