Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0625

Datum uitspraak2008-09-11
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers76988 HA RK 08-2046
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de vrees van verdachte dat sprake is van vooringenomenheid rechter objectief gerechtvaardigd is. Rechter beslist in raadkamer tot afwijzing verzoek opheffing voorlopige hechtenis, oordelende dat, binnen het toetsingskader van het verzoek, geen grond bestaat dat het OM in de strafzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Nu op basis van complete, definitieve informatie deze beslissing is genomen, is de schijn ontstaan dat de rechter ook bij de behandeling van de bodemzaak bij zijn standpunt zou blijven.


Uitspraak

beslissing RECHTBANK DORDRECHT Wrakingskamer kenmerk: 76988 HA RK 08-2046 Beslissing van 11 september 2008 op het verzoek tot wraking ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak met parketnummer 11/510071/08 van [verzoeker], geboren op 13 oktober 1976 te Gorinchem, wonende te Gorinchem, thans gedetineerd te Dordrecht, verzoeker, hierna ook aangeduid als de verdachte, raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal. Het verzoek strekt tot wraking van [gewraakte rechter], vice-president in de sector strafrecht van deze rechtbank. 1. Het procesverloop 1.1. Ter terechtzitting van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken van deze rechtbank van 2 september 2008 heeft de raadsvrouw van verdachte mondeling een verzoek gedaan tot wraking van het lid van de strafkamer, [gewraakte rechter]. Hierop heeft de meervoudige strafkamer het onderzoek ter terechtzitting geschorst om het verzoek tot wraking door een andere meervoudige kamer van de rechtbank te laten behandelen. 1.2. Het verzoek om wraking is door een meervoudige kamer van de rechtbank (hierna: de wrakingskamer) behandeld ter openbare terechtzitting van 9 september 2008, alwaar zijn verschenen en gehoord: - de verdachte en zijn raadsvrouw, - [gewraakte rechter], - de officier van justitie, mr. D.E.J. Matthijs. 1.3. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft de wrakingskamer medegedeeld dat de uitspraak zal plaatsvinden ter zitting van 11 september 2008 te 12.00 uur. 2. Het verzoek 2.1. De raadsvrouw van verdachte heeft gesteld dat sprake is van een zwaarwegende aanwijzing dat [gewraakte rechter] jegens verdachte een vooringenomenheid koestert. Zij heeft hiervoor aangevoerd dat [gewraakte rechter] het verzoek namens verdachte tot opheffing van zijn voorlopige hechtenis in raadkamer van 20 augustus 2008 heeft behandeld en zowel ter zitting als in de hierop volgende beschikking van dezelfde datum zich expliciet, onvoorwaardelijk en definitief heeft uitgelaten over de namens verdachte aangevoerde verweren, die zouden moeten leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. 3. Het standpunt van de rechter wiens wraking is verzocht 3.1. [gewraakte rechter] heeft niet in de wraking berust. Hij heeft aangevoerd dat de wet niet uitsluit dat een rechter die deelneemt aan de raadkamer tevens deel kan uitmaken van de meervoudige kamer waarin de bodemzaak wordt behandeld. 3.2. In de beschikking van 20 augustus 2008 is opgenomen dat het oordeel wordt gegeven binnen het beoordelingskader van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Er is derhalve geen sprake van een definitieve standpuntbepaling. 4. Het standpunt van de officier van justitie 4.1. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek tot wraking. Hij heeft aangevoerd dat het feit dat een rechter een beslissing neemt omtrent de voorlopige hechtenis van een verdachte, deze rechter niet uitsluit van behandeling van de bodemzaak. De officier van justitie heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 augustus 1993 (LJN AD1936). 4.2. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden waaruit vooringenomenheid, althans de schijn hiervan, van [gewraakte rechter] jegens de verdachte kan worden afgeleid, aangezien in de beschikking van 20 augustus 2008 voldoende ruimte is gelaten voor een definitief oordeel in de bodemzaak. 5. De beoordeling 5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn. 5.2. 5.2. Gesteld noch gebleken is dat [gewraakte rechter] jegens verdachte een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert. Resteert de vraag of bij verdachte een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid heeft kunnen ontstaan. 5.3. In beginsel is niet uitgesloten dat een rechter die een beslissing heeft genomen op een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van een verdachte deelneemt aan de behandeling van de bodemzaak tegen deze verdachte. In de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 augustus 1993 (LJN AD1936) is uitgemaakt dat de vragen die de Nederlandse rechter bij de beslissing over de voorlopige hechtenis moet beantwoorden, niet dezelfde zijn als die welke voor de einduitspraak beantwoord moeten worden. In het licht van deze uitspraak dient, om te kunnen concluderen tot (de schijn van) vooringenomenheid van de rechter sprake te zijn van bijkomende omstandigheden die het oordeel van de rechter omtrent de voorlopige hechtenis vooringenomen maken. 5.4. In de beschikking van 20 augustus 2008 staat opgenomen dat binnen het toetsingskader van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt geoordeeld dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde in artikel 126n Wetboek van Strafvordering en dat er geen goede grond bestaat dat het Openbaar Ministerie in de strafzaak niet-ontvankelijk zal worden verklaard. 5.5. Alle gegevens die betrekking hebben op de mogelijke niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie waren echter ten tijde van de beslissing in het dossier aanwezig en duidelijk was dat op dit punt geen wijzigingen meer zouden volgen. Nu [gewraakte rechter] op grond van de volledige informatie het standpunt heeft ingenomen dat geen vormvoorschriften zijn geschonden en dat geen sprake zal zijn van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, moet worden geoordeeld dat hiermee de schijn is ontstaan dat [gewraakte rechter] ook bij de behandeling van de bodemzaak bij zijn standpunt zou blijven. Dat de beoordelingsmaatstaf bij een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis een andere is dan die in de bodemzaak doet daar in dit geval niet aan af. 5.6. Er is derhalve in deze situatie sprake van uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan de vrees van verdachte dat sprake is van vooringenomenheid van [gewraakte rechter], objectief gerechtvaardigd is. 5.7. Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking gegrond is en toegewezen dient te worden. 6. De beslissing De rechtbank: wijst het verzoek tot wraking van [gewraakte rechter] toe. Deze beslissing is genomen door mr. P.W. van Baal, mr. A.P. Hameete en mr. M.G.L. de Vette en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2008.