
Jurisprudentie
BF0563
Datum uitspraak2008-10-28
Datum gepubliceerd2008-10-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00248/07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-10-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00248/07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Aftrek voorarrest bij combinatie onvoorwaardelijke taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf. Het Hof heeft in strijd met art. 27.1 Sr nagelaten het voorarrest van de onvoorwaardelijk opgelegde taakstraf af te trekken en daarbij de maatstaf te bepalen, vgl. HR NJ 1997, 408. De HR doet wat het Hof had behoren te doen en trekt twee uur per in voorarrest doorgebrachte dag van de opgelegde taakstraf af.
Conclusie anoniem
Nr. 00248/07
Mr: Machielse
Zitting 9 september 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft verdachte op 3 oktober 2006 voor 1 subsidiair en 2 subsidiair, telkens: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarde zoals in het arrest omschreven, en tot een werkstraf voor de duur van 240 uur. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd zoals in het arrest aangegeven.
2. Mr. P.R.M. Noppen, advocaat te Arnhem heeft cassatie ingesteld. Mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof ten onrechte niet op deugdelijke wijze de vordering van de AG in het arrest heeft vermeld.
3.2. In het arrest is opgenomen dat het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de AG, voor de inhoud waarvan naar bijlage I wordt verwezen. De bijlage houdt in dat de verdachte zal worden veroordeeld voor de feiten 1 en 2 subsidiair tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde dat reclasseringstoezicht zal worden opgelegd en dat verdachte zich eventueel zal laten behandelen in De Waag. Voorts houdt de vordering in dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 629,00 zal worden toegewezen en dat aan verdachte een schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag zal worden opgelegd. De vordering is gedagtekend 19 september 2006. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2006 houdt in dat de advocaat-generaal het woord voert en verklaart van mening te zijn dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in casu net te zwaar is en dat hij verzoekt om bij de voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde te stellen dat de verdachte zich stelt onder het toezicht van de reclassering en zich laat behandelen bij de Waag.
De stellers van het middel voeren aan dat aldus wel duidelijk is geworden dat de in het arrest weergegeven vordering niet klopt, maar dat niet duidelijk is hoe de vordering van de AG dan wel luidde.
3.2. Het eerste lid van art. 311 Sv houdt in dat de officier van justitie zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank overlegt. Art. 359 lid 1 Sv schrijft voor dat het vonnis de vordering van de officier van justitie bevat. Beide bepalingen zijn ingevolge art. 415 lid 1 Sv van overeenkomstige toepassing op het rechtsgeding voor het gerechtshof. De verplichting dat het vonnis de vordering van het OM bevat is ingevoerd bij hetzelfde amendement dat geleid heeft tot aanvulling van het tweede lid van art. 359 Sv met de tweede volzin. De wijziging van art. 359 lid 1 Sv is eveneens slechts zeer summier toegelicht. De indieners van het amendement geven aan dat de strekking ervan is de motiveringsplicht van de rechter aan te scherpen. Bij deze aanscherping past dat het vonnis tevens blijk geeft van de vordering van de officier van justitie. In het zeer uitzonderlijke geval dat de officier van justitie zijn vordering niet overlegt geeft het vonnis van dit feit blijk.(1) De indieners van het amendement hebben dus ook gedacht aan de schriftelijke vordering die moet worden overgelegd en waarvan de inhoud in het vonnis moet worden opgenomen.
3.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 september 2006 heeft de AG het woord gevoerd, de vordering voorgelezen en die aan het hof overgelegd. De gedachten die de AG in het daaropvolgende betoog heeft ontwikkeld nopen niet tot de conclusie dat hij een nieuwe vordering heeft gedaan. Wat ik uit de woorden van de AG afleid is dat hij er zich bij nader inzien rekenschap van heeft gegeven dat de ingediende en overgelegde vordering wellicht niet adequaat is en dat het hof, als het de mening deelt dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd, aan een voorwaardelijke gevangenisstraf in ieder geval de genoemde bijzondere voorwaarde dient te verbinden.
Aldus is aan de eisen van art. 359 lid 1 Sv voldaan en faalt het middel.
4.1. Het tweede middel klaagt over schending van het eerste lid van art. 27 Sr omdat het hof heeft bevonden dat het voorarrest in mindering dient te worden gebracht bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf. Volgens de stellers van het middel diende het voorarrest in mindering te worden gebracht op de opgelegde werkstraf.
4.2. Bij Wet van 7 september 2000, Stb. 2000, 365 (taakstraffen) is art. 27 Sr aangepast aan de nieuwe terminologie. De memorie van toelichting stelt dat inhoudelijk de regeling hetzelfde blijft.(2)
Gelet op dit onderdeel van de wetsgeschiedenis zal HR 28 januari 1997, NJ 1997, 408 geacht moeten worden zijn gelding te hebben behouden. Het middel slaagt. De Hoge Raad kan evenwel zelf de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in mindering brengen op de opgelegde werkstraf.(3)
5.1. Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de benadeelde partij zich in hoger beroep ook in de strafzaak tegen verdachte weer heeft gevoegd.
5.2. Het proces-verbaal van 19 september 2006 in hoger beroep houdt in dat het hof, evenals de advocaat-generaal en de raadsman, ervan uitgaat dat, hoewel de antwoordbrief van de benadeelde partij de oorspronkelijke vordering te handhaven is binnengekomen in de zaak van medeverdachte [medeverdachte], de benadeelde partij zich in hoger beroep ook in de onderhavige zaak opnieuw heeft gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
5.3. Volgens de stellers van het middel is deze gang van zaken in strijd met het in de wetsgeschiedenis (Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 29) beklemtoonde belang van de verdachte zich op een behoorlijke wijze te kunnen voorbereiden op de vordering van de benadeelde partij. Tevens zou deze gang van zaken in strijd zijn met de wettelijke regeling omdat daarin limitatief is opgesomd op welke wijze de benadeelde partij zich in het strafproces kan voegen.
5.4. Ik ben een andere mening toegedaan. De belangen van verdachte zijn in deze zaak niet geschaad omdat het hof heeft vastgesteld dat de advocaat er ook van is uitgegaan dat de benadeelde partij zich in de zaak tegen verdachte ook in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd en geen protest heeft aangetekend tegen de behandeling van de vordering. Bovendien blijkt dat de advocaat heeft verklaard dat verdachte de vordering van benadeelde partijen niet betwist en ruiterlijk toegeeft dat hij vindt dat hij dat bedrag moet betalen, zij het dat de advocaat aangeeft wel te kunnen begrijpen dat de politierechter de vordering enkel heeft toegewezen voor het bedrag van het horloge.(4)
Het middel faalt.
6. Het eerste en de derde middel falen en kunnen naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het tweede middel is gegrond maar zal niet tot cassatie behoeven te leiden als de Hoge Raad eigenhandig een correctie aanbrengt en de tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis in aftrek brengt op de opgelegde werkstraf.
Ambtshalve heb geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
7. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad een correctie aanbrengt met betrekking tot de aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht en overigens het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Kamerstukken II 2003/04, 29255, nr. 8, blz. 2.
2 Kamerstukken II 1997/98, 26114, nr. 3, blz. 16.
3 Zie bijvoorbeeld HR 18 maart 2008, LJN BC2339.
4 Vgl. HR 16 maart 1993, NJ 1993, 585.
Uitspraak
28 oktober 2008
Strafkamer
nr. S 00248/07
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 3 oktober 2006, nummer 21/003710-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad een correctie aanbrengt met betrekking tot de aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht en overigens het beroep zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd overeenkomstig art. 27 Sr de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering te brengen bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf, alsmede heeft verzuimd te bepalen volgens welke maatstaf de aftrek zal geschieden.
3.2. Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Het Hof heeft daarbij in strijd met art. 27, eerste lid, Sr beslist dat de door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van de uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd "bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht" (vgl. HR 28 januari 1997, NJ 1997, 408). De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De verdachte heeft op 16 oktober 2006 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot strafvermindering.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het aantal uren te verrichten taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis en de bepaling van de aftrek van de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd;
vermindert het aantal uren taakstraf in die zin dat dit 216 uren bedraagt;
vermindert de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 108 dagen beloopt;
beveelt dat de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, in dier voege dat voor iedere dag twee uren zullen worden afgetrokken van het totaal aantal uren;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 28 oktober 2008.