Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0521

Datum uitspraak2008-09-12
Datum gepubliceerd2008-09-12
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers24-002499-07
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte is in zijn eigen woning mishandeld door het slachtoffer. Nadat verdachte had gezien dat het slachtoffer zijn woning verliet, is hij naar zijn slaapkamer gegaan, heeft daar een revolver uit een tasje gepakt, is met de geladen revolver naar de achterdeur gelopen en heeft vanuit de deuropening vier keer gericht op het vluchtende slachtoffer geschoten. Het hof oordeelt dat verdachte voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden over zijn besluit om te schieten op het slachtoffer en veroordeelt verdachte voor moord tot tien jaar gevangenisstraf. De verdachte heeft aangevoerd dat het buitensporig handelen van verdachte het gevolg was een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de mishandeling. Het hof vindt dat niet aannemelijk en verwerpt het beroep op noodweer-exces.


Uitspraak

Parketnummer: 24-002499-07 Parketnummer eerste aanleg: 07-440152-07 Arrest van 12 september 2008 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 oktober 2007 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1943] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen, verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat te Deventer. Het vonnis waarvan beroep De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De officier van justitie en de verdachte zijn op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 10 juni 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en - al dan niet - na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een of meer schot(en) op het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Voorbedachte raad De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade heeft doodgeschoten. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is voldoende, dat komt vast te staan dat verdachte tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende gang van zaken vast. Op 10 juni 2007 heeft [slachtoffer] aangebeld bij de woning van verdachte. Verdachte heeft de deur open gedaan en kreeg kort daarop een klap van [slachtoffer]. Verdachte werd vervolgens door [slachtoffer] zijn woning in geduwd en in de woning is verdachte door [slachtoffer] mishandeld. Verdachte is tijdens die mishandeling ten val gekomen. Toen verdachte op de grond lag zag hij dat [slachtoffer] zijn slaapkamer in liep, er even later weer uit kwam en richting de achterdeur van de woning van liep. Verdachte is vervolgens opgestaan en naar de slaapkamer gelopen, waar al jaren een revolver met kogels in een tas aan een stoel hing. Verdachte heeft het wapen gepakt en is de slaapkamer weer uitgelopen. Op dat moment zag hij [slachtoffer] in zijn achtertuin wegvluchten. Verdachte is vervolgens naar de achterdeur gelopen. Toen verdachte in de deuropening stond zag hij [slachtoffer] in de brandgang gebukt weglopen. Verdachte heeft zijn arm met het wapen omhoog gebracht en heeft vier kogels in de richting van [slachtoffer] afgevuurd. Eén van de kogels is in de zijkant van het lichaam van [slachtoffer] binnengedrongen. [slachtoffer] is kort daarna aan zijn verwondingen overleden. Gelet op voormelde loop der gebeurtenissen is het hof van oordeel dat verdachte voorafgaande aan zijn geweldadig handelen voldoende tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit om met zijn revolver op [slachtoffer] te schieten. Immers, uit de hierboven geschetste feitelijke gang van zaken komt een drietal momenten naar voren waarop verdachte de tijd had - zij het een kort moment - om over zijn voorgenomen daad na te denken. Verdachte heeft op deze drie momenten (bewuste) keuzes heeft gemaakt die tot zijn uiteindelijke daad hebben geleid. Dit betreft het moment waarop verdachte besluit om naar zijn slaapkamer te lopen om zijn revolver te halen, het moment waarop verdachte besluit om met het geladen revolver achter [slachtoffer] aan te lopen en het moment waarop verdachte besluit om gericht om op de wegvluchtende [slachtoffer] te schieten. Er heeft naar het oordeel van het hof voor verdachte derhalve de tijd en de gelegenheid bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Bewezenverklaring Het hof acht ten aanzien van verdachte bewezen dat: hij op 10 juni 2007 in de gemeente[gemeente] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen schoten op het lichaam van die [slachtoffer] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: moord. Strafbaarheid De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof betoogd dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging omdat hij heeft gehandeld uit noodweer-exces. Hij stelt hiertoe dat de ogenblikkelijke aanranding door [slachtoffer] weliswaar was geëindigd op het moment dat verdachte met zijn revolver op [slachtoffer] schoot, doch dat verdachte heeft gehandeld vanuit een hevige gemoedsbeweging die het directe gevolg was van de aanranding door [slachtoffer]. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Het hof gaat uit van de juistheid van de verklaring van de verdachte dat hij in zijn eigen woning door [slachtoffer] ernstig is mishandeld. Deze mishandeling leverde een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op waartegen verdediging was geboden. Echter die aanranding was geëindigd vlak nadat verdachte op de grond was gevallen, waarna [slachtoffer] - nadat hij in de slaapkamer van verdachte was geweest - de woning van verdachte verliet. Verdachte is, op het moment dat hij [slachtoffer] in richting de achterdeur zag lopen, naar de slaapkamer gelopen om zijn revolver te pakken. Vervolgens is verdachte eveneens naar de achterdeur gelopen en heeft hij een viertal schoten in de richting van de wegvluchtende [slachtoffer] gelost. Aldus stelt het hof vast dat de situatie van de aanranding op het moment van het schieten door verdachte was beëindigd, waardoor de noodzaak tot verdediging niet meer heeft bestaan. Van noodweer-exces kan evenwel ook sprake zijn indien, hoewel de noodweersituatie weliswaar was geëindigd op het moment van het handelen door verdachte, het handelen van verdachte het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsgemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgegane aanranding. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Vlak voor het moment dat verdachte besloot om naar de slaapkamer te gaan om zijn revolver te pakken zag verdachte dat [slachtoffer] zijn woning aan het verlaten was. Verdachte had op dat moment de mogelijkheid om zich aan de situatie te ontrekken door in zijn woning te blijven of door zijn woning te verlaten via de voordeur. Verdachte heeft echter bewust - gewapend met zijn revolver - de confrontatie met [slachtoffer] weer opgezocht. De handelingen van verdachte getuigen naar het oordeel van het hof van een zekere weloverwogenheid en doelgerichtheid en niet van een hevige gemoedsbeweging. Het hof is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het excessieve handelen van verdachte het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige en voor het handelen van de verdachte doorslaggevende gemoedsbeweging, veroorzaakt door de daaraan voorafgegane aanranding. Het beroep op noodweer-exces wordt derhalve verworpen. Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht. Strafmotivering Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Op 10 juni 2007 heeft verdachte het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroofd. Verdachte heeft na te zijn mishandeld het recht in eigen handen genomen en heeft met een revolver op [slachtoffer] geschoten. [slachtoffer] is door één van de door verdachte afgevuurde kogels dodelijk geraakt. Het bewezenverklaarde betreft een zeer ernstig feit, waarvoor slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur een passende straf is. Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met het volgende. Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. Verdachte heeft op deze wijze het leven van [slachtoffer] vroegtijdig beëindigd. Daarnaast heeft hij de nabestaanden van het slachtoffer veel onherstelbaar leed berokkend, zoals door de moeder van het slachtoffer in haar schriftelijke slachtofferverklaring is verwoord. Het hof zal bij het bepalen van de strafmaat, ten voordele van de verdachte, rekening houden met de bijzondere omstandigheid dat [slachtoffer] de woning van verdachte was binnengedrongen en verdachte in zijn eigen woning ernstig heeft mishandeld. Uit het verdachte betreffende uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 22 mei 2008 blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Al hetgeen hiervoor is overwogen, in samenhang beschouwd, kan niet tot een ander oordeel leiden dan dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan door de advocaat-generaal gevorderd dient te worden opgelegd. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij; veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren; beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht. Dit arrest is aldus gewezen door mr. S. Zwerwer, voorzitter, mr. O. Anjewierden en mr. G. Dam, in tegenwoordigheid van mr. M. Koster als griffier, zijnde mr. Zwerwer voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.