Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0459

Datum uitspraak2003-04-29
Datum gepubliceerd2008-12-31
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC0100022/RO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Naar het oordeel van het hof kan uit de getuigenverklaringen niet worden afgeleid dat het trottoir ter plaatse behept was met een "gebrek" als bedoeld in art. 6:174 BW. Er is immers niet meer komen vast te staan dan dat ter hoogte waar [appellante] is gevallen, zich een zeer geringe en glooiend verlopende oneffenheid bevond. Dat één of meer andere mensen in dezelfde periode daar zouden zijn gevallen bewijst niet dat het trottoir op de plek waar [appellante] is gevallen, zodanige oneffenheden vertoonde dat van een gebrek sprake was. Daarmee is niet komen vast te staan dat het trottoir niet voldeed aan de eisen die men daaraan onder de gegeven omstandigheden mocht stellen. Aldus faalt de primaire stelling van [appellante]. Haar subsidiaire stelling moet verworpen worden op grond van hetgeen is overwogen in r.o. 4.6 van het tussenarrest.


Uitspraak

typ. MB rolnr. C0100022/RO ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, eerste kamer, van 29 april 2003, gewezen in de zaak van: [APPELLANTE], e/v [...], wonende te Horst, appellante, procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergman, tegen: de GEMEENTE HORST, zetelende te Horst, geïntimeerde, procureur: mr. J.E. Lenglet, als vervolg op het tussenarrest van dit hof in deze zaak van 18 juni 2002. 6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep Ter uitvoering van de in het tussenarrest gegeven bewijsopdracht heeft op 15 oktober 2002 een getuigenverhoor aan de zijde van [appellante] plaatsgevonden en op 23 januari 2003 een tegenverhoor aan de zijde van de gemeente. Hiervan is telkens proces-verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen de stukken opnieuw aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd. 7. De verdere beoordeling van het geschil 7.1. [appellante] is toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het trottoir waarop zij in de gemeente Horst op 18 september 1998 ten val is gekomen zodanige oneffenheden vertoonde dat sprake was van een gebrek als bedoeld in art. 6:174 BW. 7.2. Aan de zijde van [appellante] zijn als getuigen gehoord [appellante] zelf, mevrouw [...], die ter hoogte van de plek waar [appellante] ten val is gekomen een kapsalon drijft, en mevrouw [...], die in dezelfde tijd als [appellante] ook vóór de kapsalon is gevallen. [appellante] heeft verklaard dat er ter plaatse waar zij is gevallen, een duidelijke uitholling overdwars was, maar over de omvang en de diepte daarvan kon zij niets zeggen. De getuige [kapster] heeft verklaard dat de stoep daar ongelijk was en dat in de stoep daar een wat dieper gat was, maar hoe diep of hoe groot kon zij niet zeggen. De getuige [...] heeft verklaard dat zij aanneemt dat zij is gevallen doordat zij met haar voet zwikte in een oneffenheid in de stoep ter plaatse en dat er in de stoep een aantal stenen scheef lagen, maar zij kon niet aangeven hoe diep of groot de oneffenheid was. 7.3. Aan de zijde van de gemeente zijn als getuigen gehoord de gemeenteambtenaren [ambtenaar 1] en [ambtenaar 2]. [ambtenaar 1 en 2] hebben direct na de melding van het ongeval van [appellante] die plaats bezocht en de foto's gemaakt die zijn overgelegd bij conclusie van antwoord. De enige oneffenheid die zij daar kon vinden was een verzakking van ongeveer 60 tot 70 centimeter doorsnede en 1 1/2 tot 2 centimeter diep op het diepste punt ([ambtenaar 1]), door [ambtenaar 2] omschreven als een matige, heel geleidelijk verlopende oneffenheid van 2 tot 2 1/2 centimeter op het diepste punt. Omdat de gemeente een dergelijke geringe verzakking niet als schade beschouwt is deze plek niet terstond hersteld maar pas een paar maanden later, toen de bestrating na werkzaamheden opnieuw is gelegd, aldus de getuigen. Zij hebben voorts uiteengezet dat- en op welke wijze twee maal per jaar onderhoud aan de bestrating wordt uitgevoerd. 7.4. Naar het oordeel van het hof kan uit de getuigenverklaringen niet worden afgeleid dat het trottoir ter plaatse behept was met een "gebrek" als bedoeld in art. 6:174 BW. Er is immers niet meer komen vast te staan dan dat ter hoogte waar [appellante] is gevallen, zich een zeer geringe en glooiend verlopende oneffenheid bevond. Dat één of meer andere mensen in dezelfde periode daar zouden zijn gevallen bewijst niet dat het trottoir op de plek waar [appellante] is gevallen, zodanige oneffenheden vertoonde dat van een gebrek sprake was. Daarmee is niet komen vast te staan dat het trottoir niet voldeed aan de eisen die men daaraan onder de gegeven omstandigheden mocht stellen. Aldus faalt de primaire stelling van [appellante]. Haar subsidiaire stelling moet verworpen worden op grond van hetgeen is overwogen in r.o. 4.6 van het tussenarrest. 7.5. Geen van beide grieven van [appellante] treft dan ook doel. Het vonnis, waarvan beroep, zal worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep als na te melden. 8. De uitspraak Het hof: Bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Roermond van 14 september 2000, tussen partijen gewezen; Veroordeelt [appellante] in de proceskosten in hoger beroep, voor zover tot op heden aan de zijde van de gemeente gevallen en begroot op € 504,27 voor verschotten, de getuigentaxen ad € 195,70 daaronder begrepen, en € 2.313,-- voor salaris procureur. Dit arrest is gewezen door mrs. Feith, De Kok en De Groot-van Dijken en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 april 2003.