Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0458

Datum uitspraak2008-07-08
Datum gepubliceerd2008-12-31
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHD 103.004.607
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aan de conclusie van de deskundige dat er onder de door [appellant] overgelegde kopie van het stuk van 16 oktober 2003 kennelijk een soort fantasiehandtekening is gezet, kan geen bewijs worden ontleend. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat er onvoldoende grond bestond om er van uit te kunnen gaan dat [geïntimeerde] de handtekening heeft geplaatst (vonnis van 1 maart 2006, rechtsoverweging 2, 2e alinea). Tegen dit oordeel is geen grief gericht. Voorts is het hof, anders dan [appellant], van oordeel dat niet voldoende is dat [geïntimeerde] in het telefoongesprek tussen haar en de broer van [appellant] niet heeft ontkend een bedrag van [appellant] te hebben geleend dan wel niet heeft ontkend dat zij een bedrag moest terugbetalen. Het gaat er om of met het door [appellant] (alleen in eerste aanleg) gedeponeerde bandje met daarop het telefoongesprek, waarvan de uitgetypte versie door [appellant] is overgelegd bij conclusie na enquête en contra-enquête, aanvullend bewijs is geleverd dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat de verklaring van [appellant] dat [geïntimeerde] op 16 oktober 2003 een bedrag van EUR 10.000,- van hem heeft geleend, voldoende geloofwaardig is. Op dit punt komt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Het hof acht het volgende van belang. Na enige tijd met [broer van appellant] te hebben gesproken, vraagt [geïntimeerde] met wie zij spreekt, waarop [broer van appellant] antwoordt dat zij met de broer met [appellant] spreekt. Kennelijk was het voor [geïntimeerde] aanvankelijk niet duidelijk met wie zij sprak. Nadat dit haar wel duidelijk was geworden, heeft [geïntimeerde] op opmerkingen van [broer van appellant] over een lening van EUR 10.000,- gezegd "I must look the paper", "I think this sort of things I should talk with him" en dat er sprake was van "a little bit misunderstanding". Onduidelijk is op welk "paper" [geïntimeerde] doelde. Bovendien dienen de uitingen van [geïntimeerde] te worden bezien in het licht van het feit dat het gesprek in het Engels werd gevoerd, dat dit niet de eigen taal van [geïntimeerde] is en dat het telefoongesprek voor [geïntimeerde] onverwachts kwam zodat zij zich daarop, anders dan [broer van appellant], niet heeft kunnen voorbereiden. Het hof kent geen beslissende betekenis toe aan de omstandigheid dat [geïntimeerde] tijdens de comparitie en als getuige in contra-enquête heeft ontkend in een telefoongesprek met [broer van appellant] over geld te hebben gesproken. Niet alleen staat niet vast dat [geïntimeerde] volledig heeft begrepen wat [broer van appellant] zei of vroeg, maar ook is van belang dat [geïntimeerde] niet inhoudelijk is ingegaan op de opmerkingen van [broer van appellant] over een geldlening, zodat [geïntimeerde] van mening kon zijn dat zij met [broer van appellant] niet over geld had gesproken.


Uitspraak

rolnr. HD 103.004.607 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, vierde kamer, van 8 juli 2008, gewezen in de zaak van: [appellant], wonende te [...], appellant bij exploot van dagvaarding van 22 januari 2007, procureur: mr. M.C.W. van der Zanden, tegen: [geïntimeerde], wonende te [...], gemeente [...], geïntimeerde bij voormeld exploot, procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, op het hoger beroep tegen het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 8 november 2006 tussen appellant - hierna [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie. ------------------------------------------------------------ 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 65080/HA ZA 04-1070) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan vooraf gaande vonnissen van 16 februari 2005, 1 juni 2005, 20 juli 2005 en 1 maart 2006. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. [appellant] is van het vonnis van 8 november 2006 tijdig in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 8 november 2006 voor zover in conventie gewezen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van EUR 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. 2.2. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de grief van [appellant] bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring althans tot afwijzing van de vorderingen van [appellant], met bekrachtiging van het bestreden vonnis en met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep. 2.3. Vervolgens hebben partijen de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep [appellant] betoogt met zijn grief dat de rechtbank de vordering van [appellant] ten onrechte heeft afgewezen en dat [appellant] ten onrechte in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] is veroordeeld. In het bijzonder klaagt [appellant] erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het op band opgenomen telefoongesprek tussen [broer van appellant] - de broer van [appellant] - en [geïntimeerde] niet kan bijdragen tot het bewijs dat [appellant] diende te leveren, namelijk dat [appellant] op 16 oktober 2003 een bedrag van EUR 10.000,- aan [geïntimeerde] heeft geleend. Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de beslissing in conventie. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in deze zaak om het volgende, voor zover in hoger beroep van belang. a.Gedurende de periode juli 2003 tot januari 2004 hebben [appellant] en [geïntimeerde] een relatie gehad. b.Namens [appellant] heeft zijn advocaat, mr. P.H.G. van Vugt, bij brief van 3 november 2004 [geïntimeerde] gesommeerd een bedrag van EUR 9.600,- binnen vijf dagen terug te betalen. Voorts is [geïntimeerde] bij deze brief in gebreke gesteld. Mr. Van Vugt heeft voormeld bedrag van EUR 9.600,- bij brief van 5 november 2004 gecorrigeerd in EUR 10.000,-. c. [geïntimeerde] heeft bij brief van 18 november 2004 onder meer als volgt gereageerd op voormelde brieven van 3 en 5 november 2004: In de brieven staat dat ik van u een bepaald bedrag heb geleend, maar bent u daar zelf ook zeker van? U kennelijk niet. Aangezien de twee brieven die u mij heeft gestuurd blijkt dat u zelf niet zeker weet van het zogenaamd geleend bedrag dat ik zou hebben geleend van u. 4.2. [appellant] heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg gedagvaard en gevorderd dat de rechtbank [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling aan [appellant] van een bedrag van EUR 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 november 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure, de kosten van een door [appellant] ten laste van [geïntimeerde] gelegd beslag daaronder begrepen. 4.3. [appellant] heeft de volgende stellingen aan zijn vordering ten grondslag gelegd. [appellant] heeft aan [geïntimeerde] een bedrag geleend van EUR 10.000,-. Daartoe hebben [appellant] en [geïntimeerde] op 16 oktober 2003 een onderhandse akte opgemaakt en ondertekend. [appellant] heeft op 16 oktober 2003 een bedrag van EUR 9.600,- aan [geïntimeerde] overhandigd. Het resterende bedrag van EUR 400,- heeft betrekking op vooraf door [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen rente. Tussen partijen is afgesproken dat [geïntimeerde] het geleende bedrag van EUR 10.000,- zou terugbetalen op 16 oktober 2004. [geïntimeerde] heeft dit bedrag niet terugbetaald. Bij brief van 3 november 2004 (gecorrigeerd bij brief van 5 november 2004) is [geïntimeerde] gesommeerd het bedrag van EUR 10.000,- terug te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. [geïntimeerde] heeft niet aan deze sommatie voldaan. 4.4. [geïntimeerde] heeft betwist enig bedrag van [appellant] te hebben geleend. [geïntimeerde] heeft ontkend een door [appellant] in het geding gebrachte onderhandse akte (inl. dagv., prod. 1) te hebben ondertekend. 4.5. De rechtbank heeft bij vonnis van 16 februari 2005 een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie heeft op 26 april 2005 plaatsgehad. Bij vonnis van 1 juni 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vraag of de op de door [appellant] overgelegde onderhandse akte voorkomende handtekening is geplaatst door [geïntimeerde], moet worden beantwoord door een deskundige. Bij vonnis van 20 juli 2005 heeft de rechtbank mevrouw R. ter Kuile-Haller tot deskundige benoemd. De rechtbank heeft bij vonnis van 1 maart 2006 geoordeeld dat er onvoldoende grond bestond om ervan uit te kunnen gaan dat [geïntimeerde] de betwiste handtekening onder de door [appellant] overgelegde akte van 16 oktober 2003 heeft geplaatst. Bij dit vonnis van 1 maart 2006 heeft de rechtbank voorts [appellant] toegelaten bewijs te leveren van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat [geïntimeerde] op 16 oktober 2003 van [appellant] een bedrag geeft geleend van EUR 10.000,-. Op 16 mei 2006 zijn [appellant] en zijn broer [...] als getuigen in enquête gehoord. Op 18 juli 2006 is [geïntimeerde] in contra-enquête als getuige gehoord. 4.6. [appellant] heeft bij akte depot ter griffie een bandje in het geding gebracht waarop volgens [appellant] een telefoongesprek tussen [de broer van appellant] en [geïntimeerde] was opgenomen. Dit bandje is in aanwezigheid van en door partijen op 18 juli 2006 beluisterd, in aansluiting aan het horen van [geïntimeerde] als getuige. [appellant] heeft een transcriptie van het gesprek overgelegd. 4.7. De rechtbank heeft bij vonnis van 8 november 2006 in conventie de vordering van [appellant] afgewezen en in reconventie [appellant] geboden het door hem gelegde beslag op te heffen onder verbeurte van een dwangsom. [appellant] is bij dit vonnis in de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde], zowel in conventie als in reconventie, veroordeeld, daaronder begrepen het door [geïntimeerde] betaalde deel in de deskundigenkosten. Voorts is [appellant] veroordeeld tot betaling van het in debet gestelde deel in de deskundigenkosten. 4.8. In rechtsoverweging 2.2.1. van het bestreden vonnis heeft de rechtbank voorop gesteld dat de verklaring van [appellant] als getuige op grond van artikel 164, lid 2 Rv omtrent door hem te bewijzen feiten geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. In rechtsoverweging 2.2.2. van dit vonnis heeft de rechtbank de vraag of er naast de getuigenverklaring van [appellant] voldoende onvolledig bewijs voorhanden is, ontkennend beantwoord op grond van de volgende overwegingen. Tegenover de verklaring van [appellant] staat de ontkennende verklaring van [geïntimeerde]. Het door [appellant] overgelegde bewijs van opname van EUR 9.600,- van zijn rekening kan niet gelden als onvolledig bewijs. De overgelegde handgeschreven overeenkomst van lening kan evenmin als bewijs dienen, nu de deskundige heeft geconcludeerd dat de handtekening op die overeenkomst waarschijnlijk niet door [geïntimeerde] is vervaardigd. De getuigenverklaring van [broer van appellant] voegt niets toe aan de verklaring van [appellant], nu de wetenschap van [broer van appellant] enkel is gebaseerd op hetgeen hij van zijn broer heeft vernomen en op een door [broer van appellant] met [geïntimeerde] gevoerd telefoongesprek dat op zichzelf niet kan bijdragen tot het bewijs, aangezien [geïntimeerde] in dit telefoongesprek de gestelde lening niet heeft erkend, noch een toezegging tot terugbetaling heeft gedaan. 4.9. [appellant] stelt in hoger beroep dat met het bandje met daarop het opgenomen telefoongesprek tussen [broer van appellant] en [geïntimeerde] wel het bewijs is geleverd dat [geïntimeerde] van [appellant] EUR 10.000,- heeft geleend, zeker in combinatie met de conclusie van de deskundige dat de door [geïntimeerde] betwiste handtekening een soort fantasiehandtekening is en dat niet kan worden uitgesloten dat [geïntimeerde] deze handtekening destijds heeft geplaatst. Volgens [appellant] kan uit de transcriptie van het telefoongesprek worden geconcludeerd dat er tussen [broer van appellant] en [geïntimeerde] wel degelijk is gesproken over de geldlening. Bovendien zou [geïntimeerde] op geen enkele wijze in dit gesprek hebben ontkend dat zij geld zou hebben geleend van [appellant]. [geïntimeerde] heeft immers, daarnaar gevraagd, geantwoord "I don't know, I must look" en "I don't know, I must look the paper". 4.10. Het hof overweegt als volgt. Aan de conclusie van de deskundige dat er onder de door [appellant] overgelegde kopie van het stuk van 16 oktober 2003 kennelijk een soort fantasiehandtekening is gezet, kan geen bewijs worden ontleend. De rechtbank heeft immers geoordeeld dat er onvoldoende grond bestond om er van uit te kunnen gaan dat [geïntimeerde] de handtekening heeft geplaatst (vonnis van 1 maart 2006, rechtsoverweging 2, 2e alinea). Tegen dit oordeel is geen grief gericht. Voorts is het hof, anders dan [appellant], van oordeel dat niet voldoende is dat [geïntimeerde] in het telefoongesprek tussen haar en de broer van [appellant] niet heeft ontkend een bedrag van [appellant] te hebben geleend dan wel niet heeft ontkend dat zij een bedrag moest terugbetalen. Het gaat er om of met het door [appellant] (alleen in eerste aanleg) gedeponeerde bandje met daarop het telefoongesprek, waarvan de uitgetypte versie door [appellant] is overgelegd bij conclusie na enquête en contra-enquête, aanvullend bewijs is geleverd dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat de verklaring van [appellant] dat [geïntimeerde] op 16 oktober 2003 een bedrag van EUR 10.000,- van hem heeft geleend, voldoende geloofwaardig is. Op dit punt komt het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Het hof acht het volgende van belang. Na enige tijd met [broer van appellant] te hebben gesproken, vraagt [geïntimeerde] met wie zij spreekt, waarop [broer van appellant] antwoordt dat zij met de broer met [appellant] spreekt. Kennelijk was het voor [geïntimeerde] aanvankelijk niet duidelijk met wie zij sprak. Nadat dit haar wel duidelijk was geworden, heeft [geïntimeerde] op opmerkingen van [broer van appellant] over een lening van EUR 10.000,- gezegd "I must look the paper", "I think this sort of things I should talk with him" en dat er sprake was van "a little bit misunderstanding". Onduidelijk is op welk "paper" [geïntimeerde] doelde. Bovendien dienen de uitingen van [geïntimeerde] te worden bezien in het licht van het feit dat het gesprek in het Engels werd gevoerd, dat dit niet de eigen taal van [geïntimeerde] is en dat het telefoongesprek voor [geïntimeerde] onverwachts kwam zodat zij zich daarop, anders dan [broer van appellant], niet heeft kunnen voorbereiden. Het hof kent geen beslissende betekenis toe aan de omstandigheid dat [geïntimeerde] tijdens de comparitie en als getuige in contra-enquête heeft ontkend in een telefoongesprek met [broer van appellant] over geld te hebben gesproken. Niet alleen staat niet vast dat [geïntimeerde] volledig heeft begrepen wat [broer van appellant] zei of vroeg, maar ook is van belang dat [geïntimeerde] niet inhoudelijk is ingegaan op de opmerkingen van [broer van appellant] over een geldlening, zodat [geïntimeerde] van mening kon zijn dat zij met [broer van appellant] niet over geld had gesproken. 4.11. Aan het bewijsaanbod van [appellant] in hoger beroep gaat het hof voorbij, nu [appellant] niet aangeeft op welke punten de eerder gehoorde getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij in eerste aanleg reeds verklaard hebben. 4.12. De slotsom is dat de grief geen doel treft en dat het vonnis van 8 november 2006, voor zover bestreden, zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de ook in het hoger beroep in het ongelijk gestelde partij, uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd, worden veroordeeld in de proceskosten. 5. De uitspraak Het hof: I. bekrachtigt het vonnis van 8 november 2006 voor zover dit aan het oordeel van het hof is voorgelegd; II. veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op EUR 396,- aan vast recht en op EUR 894,- aan salaris procureur; III. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Huijbers-Koopman en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 juli 2008.