Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0448

Datum uitspraak2008-08-26
Datum gepubliceerd2008-12-31
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHd 200.005.596
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof overweegt dat voor de beoordeling van de omvang van het aan [geïntimeerden] toekomende recht van noodweg dient te worden bezien of bij het ontbreken van gebruik van de litigieuze noodweg met een auto een behoorlijke exploitatie van de ingesloten erven bij een normale bestemming, gelet op de aard van die erven, onmogelijk is (vgl. HR 23 januari 1998, NJ 1998, 457). Het hof overweegt in dit verband dat het niet vanzelfsprekend is dat elke woning tot op het eigen perceel bereikbaar is met een auto en dat op het eigen perceel met een of meerdere auto's kan worden geparkeerd. Ook waar woningen zijn gelegen in stegen, of op woonerven waar geen auto's kunnen worden of mogen worden geparkeerd, alsmede bij hoogbouwcomplexen waar een centrale parkeerplaats is voorzien, zal het onder omstandigheden zo zijn dat auto's van bewoners (en bezoekers) op afstand dienen te worden geparkeerd. Aan een goede exploitatie van die woningen doet dat, zonder relevante bijkomende omstandigheden, welke in casu niet zijn aangevoerd, niet af. Aan de door [geïntimeerden] genoemde omstandigheden dat het risico op krassen of andere schade bij parkeren op de openbare weg groter is, en dat het onpraktisch is dat zij hun auto's niet op het eigen perceel kunnen uitladen, komt bij de toetsing aan voormeld criterium geen relevante betekenis toe. Deze omstandigheden gelden immers voor iedere woning zonder parkeergelegenheid op het eigen perceel. Ook de gestelde waardevermindering van de woningen kan niet als een relevante omstandigheid gelden, nu dit op zichzelf niet aan een behoorlijke exploitatie van de betreffende woningen in de weg staat. Op grond van het vooroverwogene is het hof voorshands van oordeel het vereiste van een behoorlijke exploitatie van de betreffende percelen niet meebrengt dat [appellant] aan [geïntimeerden] dient toe te staan dat zij het hun toekomende recht van noodweg ook met gebruikmaking van auto's uitoefenen. In zoverre treft ook grief 6 doel.


Uitspraak

typ. CB zaaknr. HD 200.005.596 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, eerste kamer, van 26 augustus 2008, gewezen in de zaak van: [APPELLANT], wonende te [...], appellant bij exploot van dagvaarding van 6 mei 2008, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: 1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1], 2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2], beiden wonende te [...], geïntimeerden bij gemeld exploot, niet verschenen, op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op 10 april 2008 in kort geding gewezen vonnis tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerden - [geïntimeerden] - als eisers. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 127219/KG ZA 08-81) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het beroepen vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1 Van voormeld vonnis tijdig in appel gekomen, heeft [appellant] bij memorie van grieven, onder overlegging van producties, vijf grieven (genummerd 1,2,3,4 en 6) aangevoerd en geconcludeerd zoals in het exploot van dagvaarding nader omschreven. 2.2 [geïntimeerden] zijn op de dienende dag niet verschenen, waarna tegen hen verstek is verleend. 2.3 [appellant] heeft vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1 Partijen zijn allen woonachtig aan de [...] te [...]. [appellant] bewoont het pand [adres a], dat direct aan de openbare weg is gelegen. De woningen van [geïntimeerden], aan de [adres b en c], zijn slechts door middel van een pad vanaf de openbare weg bereikbaar, welk pad evenwijdig loopt aan de tuin van [appellant] vanaf de openbare weg tot op de percelen van [geïntimeerden] (zoals ingetekend op productie 1 memorie van grieven). Het pad is gelegen op het perceel van [appellant] en het naastgelegen perceel nr. [A]. 4.1.2 De percelen aan de [...] maakten voorheen deel uit van een mijnwerkerskolonie van de Oranje-Nassau Mijnen, en zijn in/vanaf 1972 door de beheermaatschappij OGON aan particulieren verkocht en overgedragen. 4.1.3 Bij notariële akte d.d. 6 oktober 1972, verleden voor notaris [...] te [...], zijn Algemene Bepalingen vastgelegd die bedoeld waren om te worden gebruikt bij de overeenkomsten voor de respectieve te verkopen woningen. Deze akte (prod. 2 inleidende dagvaarding) bevat onder A.9 de volgende bepaling: "Indien in het verkochte perceel begrepen is een gedeelte van het ter plaatse aanwezige gemeenschappelijke voetpad (casu quo de ter plaatse aanwezige gemeenschappelijke weg) is dit een buurpad (casu quo is deze een buurweg) waarop het bepaalde in artikel 719 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing is. Voor zover in het verkochte geen gedeelte van een gemeenschappelijk voetpad (of weg) is begrepen, doch het verkochte wel grenst aan dit buurpad (deze buurweg) heeft de koper het recht van dit buurpad (deze buurweg) gebruik te blijven maken als uitweg in de zin van de artikelen 715 en volgende van het Burgerlijk Wetboek met dien verstande, dat het daarin bepaalde omtrent een schadevergoedingsplicht niet van toepassing is. (...)" 4.1.4 {Geïntimeerde sub 1] is sedert april 1988 eigenaar van het perceel [adres b]. In de transportakte d.d. 21 april 1988 (prod. 3 inleidende dagvaarding) wordt (onder Bijzondere bepalingen, art. 9) verwezen naar de in voormelde notariële akte van 1972 opgenomen Algemene Bepalingen, en worden deze Algemene Bepalingen beschouwd als woordelijk in de akte te zijn opgenomen en daarvan deel uit te maken. [Geïntimeerde sub 2] is sedert medio 2006 eigenaar van het perceel [adres c]. In de koopovereenkomst d.d. 13 april 2006 (prod. 4 inleidende dagvaarding) wordt in art. 6 lid 2 bepaald dat alle lasten en beperkingen voortvloeiende uit de op 29 november 1996 verleden akte van levering van OGON aan de rechtsvoorganger van [geïntimeerde sub 2] (waaronder begrepen de lasten en beperkingen uit de voormelde Algemene Bepalingen) worden aanvaard. 4.1.5 Tussen partijen is medio 2007 discussie ontstaan over de omvang waarin en de wijze waarop door [appellant] aan [geïntimeerden] gebruik moet worden toegestaan van het litigieuze pad. [appellant] was van mening dat [geïntimeerden] te veelvuldig per auto over het pad reden, ten gevolge waarvan hij overlast ondervond in de vorm van hinder en schade aan de omheining van zijn perceel. Een minnelijke regeling is tussen partijen niet bereikt. [appellant] heeft op enig moment een (met een ketting aan de omheining van zijn tuin bevestigde) afvalcontainer en een paal op het pad geplaatst, waarmee het rijden daarover met een auto feitelijk onmogelijk werd gemaakt. 4.1.6 [geïntimeerden] hebben [appellant] gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht. Zij hebben gevorderd, bij wege van voorlopige voorziening, [appellant] te bevelen om zorg te dragen voor verwijdering van de paal en de container, en deze of enig ander obstakel van het pad verwijderd te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat [appellant] daarmee in gebreke blijft. [geïntimeerden] stellen dat [appellant] zonder enig in rechte te respecteren belang is overgegaan tot het blokkeren van de weg voor het berijden met een auto, terwijl zij, [geïntimeerden], daarentegen een belang hebben bij het gebruik van de weg per auto. Zij hebben ter onderbouwing van hun gestelde belang aangevoerd dat zij de woningen destijds hebben gekocht in de wetenschap dat de percelen beschikten over een opstelplaats voor een of meer auto's, dat, nu zij hun auto's moeten parkeren langs de openbare weg, het risico op schade aan de auto's veel groter is en zich reeds heeft verwezenlijkt, en dat het een zeer onpraktische gang van zaken is wanneer zij hun auto's dienen uit te laden en vervolgens circa vijftig meter dienen te lopen om hun woningen te bereiken. Voorts hebben zij nog aangevoerd dat ook wanneer hulpdiensten onverhoopt benodigd mochten zijn, een optimale hulpverlening niet is gegarandeerd, en dat wanneer zij hun woningen nu zouden verkopen in de wetenschap dat er geen opstelplaats voor auto's meer zou zijn, de panden aanzienlijk minder waard zijn. 4.1.7 [appellant] heeft tegen de vordering gemotiveerd verweer gevoerd. 4.1.8 De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis vastgesteld dat de Algemene Bepalingen als opgenomen in de notariële akte van 1972, gelet op de producties 3 en 4 bij inleidende dagvaarding, van toepassing zijn op de koopovereenkomsten van [geïntimeerden], en dat ook [appellant] erkent aan deze bepalingen bij de koopovereenkomst te zijn gebonden. Tegen deze vaststelling is niet gegriefd, zodat hiervan zal worden uitgegaan. 4.1.9 De voorzieningenrechter heeft vervolgens geoordeeld, naar het hof begrijpt, dat ingevolge het onder A.9 van de Algemene Bepalingen opgenomen beding, aan [geïntimeerden] het recht toekomt om de (in de eerste alinea van dat artikel genoemde buurweg/buurpad) als "noodweg" te gebruiken nu dit beding er kennelijk toe strekt uitwerking te geven aan de partijbedoeling dat voor hun ingesloten percelen een uitweg wordt verleend naar de openbare weg en het beding verwijst naar het voormalige artikel 715 (oud) BW dat zag op de noodweg. Het hof volgt deze uitleg, nu hiertegen geen grief is gericht, en [geïntimeerden] bij inleidende dagvaarding hebben gesteld dat het de tweede alinea van artikel A.9 is die op hen van toepassing is. Voor zover [geïntimeerden] blijkens het bezigen van de term "buurweg" in het vervolg van de dagvaarding, wellicht hebben bedoeld dat zij niettemin rechten kunnen ontlenen aan de kwalificatie als buurweg in de eerste alinea van voormeld artikel, kan dit zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, in het kader van dit kort geding niet aan de orde komen. 4.1.10 De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de omvang van het gebruik van de litigieuze noodweg moet worden bepaald aan de hand van de in de notariële akte van 1972 tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, en dat, nu de omvang van het gebruik van de noodweg niet letterlijk volgt uit de gebezigde bewoordingen in die akte, het gebruik dient te worden afgeleid uit de strekking van de overige partijafspraken en de wijze waarop partijen het gebruik sedert jaren invulling hebben gegeven. De voorzieningenrechter heeft op basis daarvan geoordeeld dat het gebruik van de noodweg met auto's sedert het tot stand komen van voornoemde Algemene Bepalingen in 1972 kennelijk de partijbedoeling is geweest en dat het gebruik met auto's is bedoeld als behorend tot het normale gebruik, en heeft geconcludeerd dat de omvang van de beperking van het eigendomsrecht van [appellant] derhalve mede inhoudt het dulden van het gebruik van de noodweg met auto's. Bijgevolg achtte de voorzieningenrechter het voorshands voldoende aannemelijk dat ook een bodemrechter zal oordelen dat [appellant], door zonder overleg een paaltje en een container te plaatsen, waardoor hij een einde heeft gemaakt aan een sinds meer dan twintig jaar bestaand gebruik van de noodweg met auto's, op onrechtmatige wijze zijn eigen belangen heeft laten prevaleren boven de belangen van [geïntimeerden], en dientengevolge gehouden is tot herstel van de doorgang in de vorige toestand. De voorzieningenrechter wees de gevorderde voorziening toe, met dien verstande dat de litigieuze weg, in afwijking van het petitum van de dagvaarding, werd aangeduid als "noodweg', en de gevorderde dwangsom werd verminderd tot € 200,-- per dag met een maximum van € 10.000,--. Tegen dit toewijzend oordeel is het appel gericht. 4.2 Het hof zal eerst ingaan op grief 4, waarmee [appellant] de aanwezigheid van een spoedeisend belang van [geïntimeerden] bij de gevraagde voorziening bestrijdt. De grief treft geen doel. Het hof is van oordeel dat de aard van het onderhavige geval, waarin een voorziening wordt gevraagd die ertoe strekt een einde te maken aan de door [geïntimeerden], als eisers, als onrechtmatig aangemerkte beperking van het hun toekomende recht op gebruik van de litigieuze weg, meebrengt dat [geïntimeerden] een spoedeisend belang bij hun vordering hebben. Het hof acht het beroep van [appellant] op het enkele tijdsverloop tot aan het aanspannen van de onderhavige procedure bij de voorzieningenrechter onvoldoende om aan de vordering het spoedeisend belang te ontzeggen. Dat geldt evenzeer voor het door [appellant] gevoerde betoog dat hulpdiensten van brandweer en ambulance, gezien de afmetingen van de door hen gebruikte voertuigen, in ieder geval de weg niet zouden kunnen gebruiken om de betreffende woningen van [geïntimeerden] te bereiken. Zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, is de niet adequate bereikbaarheid voor hulpdiensten door [geïntimeerden] slechts als een aanvullend voorbeeld, naast de overige door hen genoemde feiten en omstandigheden, aangevoerd. 4.3 De overige grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Het hof overweegt als volgt. 4.3.1 De voorzieningenrechter heeft - naar het oordeel van het hof terecht - als uitgangspunt genomen dat de omvang van het gebruik van de litigieuze noodweg moet worden bepaald aan de hand van de in de notariële akte van 1972 tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte (HR 2 december 2005, NJ 2007,5). 4.3.2 De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de omvang van het gebruik van de noodweg niet letterlijk volgt uit de gebezigde bewoordingen in de notariële akte. De voorzieningenrechter heeft daartoe, naar het hof begrijpt, in aanmerking genomen dat in de betreffende bepaling in algemene bewoordingen wordt gesproken over het recht om gebruik te maken van een "gemeenschappelijk voetpad (of weg)", zonder dat dit naar de concrete situatie ter plaatse wordt gespecificeerd, en zonder nadere aanduiding van de wijze waarop het gebruik als noodweg kan of dient te worden uitgeoefend. Ook naar het oordeel van het hof zijn de in de akte gebezigde bewoordingen niet voldoende concludent om daaruit de partijbedoeling ter zake de omvang en wijze van gebruik van de betreffende noodweg af te leiden. Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling (eerst bij memorie van grieven) dat het gebruik van de benaming "voetpad" in de akte doorslaggevend dient te zijn. Ook aan de door [appellant] bij memorie van grieven overgelegde brief van 9 juni 2008 van notaris [...], die destijds de betreffende akte heeft verleden, komt niet de waarde toe die [appellant] daaraan toekent. Dat destijds de term "voetpad" is gebezigd "die aansloot bij het toen geldende art. 733 (oud) BW dat duidelijk stelt dat de term "voetpad" uitsluitend betreft de bevoegdheid om daarover te mogen gaan, i.c. als voetpad te dienen", zoals de notaris verklaart, is niet voldoende om de partijbedoeling terzake de concrete, door de eigenaar van perceel nr. [a] aan de eigenaren van de percelen nr. [b] en [c] toe te stane wijze van gebruik te doen vaststaan. Het hof verwerpt voorts de stelling van [appellant] dat uit de omstandigheid dat het pad is voorzien van stoeptegels zoals deze ook op trottoirs worden gebruikt reeds zou volgen dat nimmer iets anders dan een voetpad is bedoeld. Uit de destijds aangebrachte bestrating kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat een gebruik van de litigieuze noodweg per auto niet was toegestaan. 4.3.3 De voorzieningenrechter heeft voorts overwogen dat, bij gebreke van duidelijke bewoordingen in de akte, het bedoelde gebruik van de noodweg dient te worden afgeleid uit de strekking van de overige partijafspraken en de wijze waarop partijen het gebruik sedert jaren invulling hebben gegeven. De voorzieningenrechter heeft als vaststaand aangenomen dat de litigieuze noodweg "sinds jaar en dag" breed genoeg is om met de auto te berijden en al lange tijd als zodanig wordt gebruikt, daartoe overwegende dat [geïntimeerden sub 1] daar al meer dan twintig jaar woont en reeds bij de aanvaarding van zijn woning constateerde dat gebruik van de noodweg met de auto als het normale gebruik van de noodweg werd aanvaard. Hiertegen heeft [appellant] bij grief 1 uitdrukkelijk verweer gevoerd. [appellant] beroept zich er op dat hij in eerste aanleg heeft betwist dat de noodweg al gedurende tenminste twintig jaar met de auto berijdbaar is en wordt bereden, en voert aan dat dit gestelde gebruik door [geïntimeerden sub 1] op geen enkele wijze is onderbouwd. Voorts verzet [appellant] zich bij grief 2 tegen het volgen door de voorzieningenrechter van de stelling van [geïntimeerden sub 2] dat hij lijdt aan een aandoening waardoor hij in de toekomst in steeds ernstigere mate belemmerd zal worden in zijn mobiliteit, en hij de woning aan de [...] heeft gekocht in de wetenschap dat de woning per auto bereikbaar is en over een opstelplaats voor meerdere auto's op het eigen perceel beschikt. [appellant] betwist het aldus gestelde, en voert aan dat ook dit feitelijke onderbouwing mist. Het hof overweegt dat door [appellant] met de grieven terecht wordt betoogd dat de voorzieningenrechter niet van de juistheid van deze, niet nader onderbouwde stellingen van [geïntimeerden] heeft kunnen uitgaan. Het hof is met [appellant] van mening dat de voorzieningenrechter zijn oordeel over de partijbedoeling ter zake het gebruik van de noodweg niet (mede) op deze betwiste stellingen van [geïntimeerden] heeft mogen baseren. Nu de voorzieningenrechter zijn oordeel inzake de kennelijke partij-bedoeling sedert 1972 voor het overige slechts heeft gebaseerd op de enkele omstandigheid dat [appellant] gedurende de acht jaren dat hij aan de [...] woont, niet over het gebruik van de noodweg per auto heeft geklaagd, en daaruit naar het voorlopige oordeel van het hof de destijds bedoelde omvang van het gebruik van de noodweg niet kan worden afgeleid, kan het oordeel in het bestreden vonnis niet in stand blijven. 4.3.4 Het hof is van oordeel dat de partijbedoeling inzake de omvang van het gebruik van de noodweg niet zonder nadere bewijsvoering is vast te stellen, waarvoor in het kader van dit kort geding geen gelegenheid is. 4.3.5 Het hof overweegt dat voor de beoordeling van de omvang van het aan [geïntimeerden] toekomende recht van noodweg dient te worden bezien of bij het ontbreken van gebruik van de litigieuze noodweg met een auto een behoorlijke exploitatie van de ingesloten erven bij een normale bestemming, gelet op de aard van die erven, onmogelijk is (vgl. HR 23 januari 1998, NJ 1998, 457). Het hof overweegt in dit verband dat het niet vanzelfsprekend is dat elke woning tot op het eigen perceel bereikbaar is met een auto en dat op het eigen perceel met een of meerdere auto's kan worden geparkeerd. Ook waar woningen zijn gelegen in stegen, of op woonerven waar geen auto's kunnen worden of mogen worden geparkeerd, alsmede bij hoogbouwcomplexen waar een centrale parkeerplaats is voorzien, zal het onder omstandigheden zo zijn dat auto's van bewoners (en bezoekers) op afstand dienen te worden geparkeerd. Aan een goede exploitatie van die woningen doet dat, zonder relevante bijkomende omstandigheden, welke in casu niet zijn aangevoerd, niet af. Aan de door [geïntimeerden] genoemde omstandigheden dat het risico op krassen of andere schade bij parkeren op de openbare weg groter is, en dat het onpraktisch is dat zij hun auto's niet op het eigen perceel kunnen uitladen, komt bij de toetsing aan voormeld criterium geen relevante betekenis toe. Deze omstandigheden gelden immers voor iedere woning zonder parkeergelegenheid op het eigen perceel. Ook de gestelde waardevermindering van de woningen kan niet als een relevante omstandigheid gelden, nu dit op zichzelf niet aan een behoorlijke exploitatie van de betreffende woningen in de weg staat. 4.3.6 Op grond van het vooroverwogene is het hof voorshands van oordeel het vereiste van een behoorlijke exploitatie van de betreffende percelen niet meebrengt dat [appellant] aan [geïntimeerden] dient toe te staan dat zij het hun toekomende recht van noodweg ook met gebruikmaking van auto's uitoefenen. In zoverre treft ook grief 6 doel. 4.3.7 Het voorgaande betekent dat het bestreden vonnis dient te worden vernietigd, en het hof bijgevolg de toewijsbaarheid van de gevorderde voorziening opnieuw dient te beoordelen. 4.3.8 Naar het voorlopig oordeel van het hof moet worden geconstateerd dat het door [geïntimeerden] gestelde, en aan hun vordering ten grondslag gelegde belang bij een ongestoorde toegang over de noodweg met een auto onvoldoende is komen vast te staan. Bijgevolg is niet gebleken van een zwaarder wegend belang aan de zijde van [geïntimeerden] boven het belang van [appellant] om het berijden van het op zijn grond gelegen pad met auto's te verhinderen. 4.4 Nu [geïntimeerden] geen andere feiten en omstandigheden hebben aangevoerd, en voorts niet is gesteld of gebleken dat door de aanwezigheid van de afvalcontainer en de paal op de weg de toegang voor [geïntimeerden] over die weg bij gebruik anders dan bij auto wordt beperkt of verhinderd, dient de gevorderde voorziening naar het voorlopig oordeel van het hof te worden afgewezen. 4.5 [geïntimeerden] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en wel gezamenlijk, nu voor een hoofdelijke kostenveroordeling als door [appellant] gevorderd in het onderhavige geval rechtens geen ruimte is. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, met het oog op de redelijke termijn voor nakoming als bedoeld in art. 6:82 BW, eerst vanaf 14 dagen na de dag van deze uitspraak toewijzen. 5. De uitspraak Het hof: vernietigt het beroepen vonnis, en opnieuw rechtdoende: wijst het gevorderde alsnog af; veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellant] worden begroot: - op € 254,-- aan verschotten en € 816,-- voor salaris procureur in eerste aanleg, op de voet van art. 243 Rv. te voldoen aan de griffier van de rechtbank Maastricht, - op € 388,44 aan verschotten en € 894,-- voor salaris procureur voor het hoger beroep, op de voet van artikel 243 Rv. te voldoen aan de griffier van dit hof; bepaalt dat voormelde bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, en dat over deze bedragen wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening. Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Hendriks-Jansen en Riemens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 26 augustus 2008.