Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0444

Datum uitspraak2008-08-01
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 07/579
Statusgepubliceerd


Indicatie

Kaderwet EZ-subsidies Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven AWB 07/579 1 augustus 2008 27307 Kaderwet EZ-subsidies Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties Uitspraak in de zaak van: Maatschap A, te B (gemeente C), appellante, gemachtigde: mr. drs. C.C. van Harten, werkzaam bij GIBO Accountants en Adviseurs B.V., tegen de Minister van Economische Zaken, verweerder, gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem. 1. De procedure Appellante heeft bij brief van 31 juli 2007, bij het College binnengekomen op 7 augustus 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 26 juni 2007. Bij dit besluit verweerder het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor subsidie op grond van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistinginstallaties (hierna: Regeling) ongegrond verklaard. Bij brief van 8 oktober 2007 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Bij brief van 7 mei 2008 heeft appellante nadere stukken ingediend. Op 20 mei 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante zijn verschenen haar gemachtigde alsmede D, vennoot in de maatschap en E, beleidsmedewerker bij de afdeling Ruimtelijke Ordening van de gemeente C. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald: “Artikel 2 De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een producent die duurzame elektriciteit opwekt met een vergistingsinstallatie die is aangesloten op het Nederlandse net. Artikel 3 Geen subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien: (…) c. de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde vergunningen niet voor 18 augustus 2006 zijn aangevraagd.” 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Op 19 december 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van de oprichting en ingebruikname van een biomassavergistingsinstallatie op het perceel F te G (gemeente C). - Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling, aangezien gebleken is dat de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning niet voor 18 augustus 2006 door appellante is aangevraagd. - Bij brief van 5 maart 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel verweerder onder meer het volgende meegedeeld: “ Sinds oktober 2002 is de maatschap in gesprek met de gemeente over het bouwen van een vergistingsinstallatie. Op dat moment was er nog geen gemeentelijk beleid en geen provinciaal beleid hieromtrent. De voorbereidingen zijn daardoor tijdrovend geweest. Lopende het project heeft de maatschap zich door de gemeente laten adviseren over de procedurevolgorde waarin een en ander zou kunnen worden afgehandeld. Op basis hiervan is gestart met de milieuvergunning (is 14 maart 2006 afgegeven) en zijn daarop volgend stappen ondernomen om tot de formele bouwvergunning over te kunnen gaan. Sinds 2005 is de maatschap met de voorbereiding van de aanvraag voor de bouwvergunning bezig. In april 2006 hebben wij als provincie een verklaring afgegeven waarin staat dat wij geen bezwaar hebben tegen het vergroten van het bouwblok. (…) Meteen daarna is de maatschap gestart met het feitelijke aanvraagtraject van de bouwvergunning. (…)” - Op 12 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van C verweerder een brief van gelijke strekking als de hiervoor aangehaalde brief van het college van gedeputeerde staten van Overijssel gestuurd. - Bij brief van 23 maart 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. - Op 29 mei 2007 is appellante op haar bezwaren gehoord. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd en geoordeeld dat gebleken is dat de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning op 15 september 2006, dus na de in de Regeling gestelde datum van 18 augustus 2006, is aangevraagd. De stelling van appellante dat zij, door op 22 december 2004 een verzoek om wijziging van het vigerende bestemmingsplan in te dienen, voldoet aan de eis van de Regeling, heeft verweerder verworpen. Verweerder is van opvatting dat het doen van een verzoek tot wijziging van het bestemmingsplan niet hetzelfde is als het doen van een aanvraag voor het verkrijgen van de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning. De Regeling geeft verweerder niet de bevoegdheid om van de voorwaarden opgenomen in artikel 3 van de Regeling af te wijken. Het gaat bovendien om een gebonden bevoegdheid, zodat geen plaats is voor een belangenafweging. Voor een belangenafweging is slechts plaats indien uit een wettelijk voorschrift geen beperking voortvloeit met betrekking tot de inhoud van het besluit. Indien de wetgever het bestuursorgaan voorschrijft hoe gehandeld dient te worden - zoals het geval is bij artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling -, is het bestuursorgaan daaraan gebonden en is een belangenafweging niet meer aan de orde. 4. Het standpunt van appellante Appellante wijst erop dat zij voor 18 augustus 2006 de vereiste vergunningprocedures in gang heeft gezet. De gemeente heeft op 22 december 2004 meegedeeld mee te willen werken aan het verlenen van een vrijstelling van het bestemmingsplan. Op 14 april 2006 is de verklaring van geen bezwaar afgegeven voor de bouwblokvergroting. Ondertussen was de milieuvergunning ook al afgegeven. Daarna is de laatste aanvraag, de bouwaanvraag, klaargemaakt en is de bouwvergunning op 19 oktober 2006 verleend. De snelheid waarmee deze aanvraag is vergund geeft aan dat de procedures goed zijn doorlopen. Er is dan ook voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling. Bij brief van 7 mei 2008 heeft appellante ter ondersteuning van haar beroep een brief van het college van burgemeester en wethouders van C van 6 mei 2008 in het geding gebracht, waarin onder meer het volgende is gesteld: “ Op 22 december 2004 hebben wij een verzoek van de maatschap A ontvangen om te komen tot de benodigde vergunningen voor het realiseren van een vergistingsinstallatie en het uitbreiden van het agrarische bouwblok. Dit betekende concreet een vraag naar een bouwvergunning en een milieuvergunning. Hierop heeft de gemeente op 15 maart 2005 een positieve uitspraak gedaan, inhoudend het verlenen van de benodigde medewerking om tot vergunningverlening over te kunnen gaan. De grondslag van deze uitspraak is de Wet op de Ruimtelijke Ordening/Woning wet en de Wet milieubeheer. (…) Het betreffende bestemmingsplan voor de locatie van het maatschap bood op dat moment niet de feitelijke en planologische ruimte om een vergistingsinstallatie te realiseren. Van gemeentewege wordt dan altijd geadviseerd om eerst de planologische procedure in het kader van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te doorlopen, zodat er meer zekerheid bestaat over de te verkrijgen bouwvergunning. (…) Dit proces (…) heeft circa 1½ jaar geduurd, gemeente en de maatschap A hebben in dit traject gezamenlijk opgetrokken, met het doel de verlening van de benodigde vergunningen.” 5. De beoordeling van het geschil 5.1 Het College staat voor de vraag of verweerder terecht de subsidieaanvraag van appellante heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling, omdat de voor de ingebruikname van haar vergistingsinstallatie verleende bouwvergunning is aangevraagd na 18 augustus 2006. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. 5.2 In de toelichting op de Regeling is ten aanzien van het criterium van artikel 3, onder c, onder meer het volgende vermeld: “ Tot slot dienen de benodigde vergunningen voor de vergistingsinstallatie voor 18 augustus 2006 te zijn aangevraagd. Dit omdat deze regeling een overgangsfaciliteit is voor bedrijven die voor kleinschalige vergistingsinstallaties MEP-subsidie hadden willen aanvragen. De overgangsfaciliteit is opgesteld omdat het niet redelijk wordt geacht dat producenten van kleinschalige vergistingsinstallaties, die in de verwachting dat zij tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 subsidie zouden kunnen aanvragen reeds bepaalde stappen hebben gezet, in het geheel niet meer voor subsidie in aanmerking komen.” 5.3 Naar het oordeel van het College gaat het bij de voorwaarde van artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling - gelet op het doel en de strekking van deze bepaling - om een in voldoende mate geconcretiseerde vergunningaanvraag, die ook als zodanig is aan te merken. Niet vereist is dat, zoals verweerder in zijn verweerschrift heeft betoogd, hiervoor een officieel aanvraagformulier als bedoeld in het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning wordt gehanteerd. Er dient echter wel sprake te zijn van een schriftelijke aanvraag in de zin van de Woningwet. Bovendien moet het naar het oordeel van het College gaan om een lopende aanvraag van vóór 18 augustus 2006. Bij het vorenstaande neemt het College in aanmerking dat het bij de Regeling gaat om een uitzondering op de hoofdregel - het op nul stellen van de subsidie -, die om een strikte uitleg en toepassing vraagt. De uitleg die verweerder thans geeft aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling strookt met de kennelijke bedoeling van de Regeling en is derhalve niet onjuist. 5.4 Het College is met verweerder van oordeel dat het indienen van een verzoek om wijziging van het vigerende bestemmingsplan niet kan worden aangemerkt als het aanvragen van de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning in de zin van artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling. Het College overweegt voorts dat niet gebleken is van een bij dat verzoek reeds ingediende in voldoende mate geconcretiseerde bouwvergunningaanvraag, die ook als zodanig is aan te merken. De brief van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 5 maart 2007 en de brieven van het college van burgemeester en wethouders van C van 12 maart 2007 en 6 mei 2008 leiden niet tot een ander oordeel. Gelet hierop moet in het onderhavige geval 15 september 2006 worden aangemerkt als datum van indiening van de bouwvergunningaanvraag. Hieruit vloeit voort dat door appellante niet is voldaan aan de voorwaarde voor subsidieverlening van artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling. 5.5 Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het primaire besluit terecht ongegrond verklaard. 5.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is. 5.7 Voor een vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet het College geen aanleiding. 6. De beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. van der Ham en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Douwes