
Jurisprudentie
BF0440
Datum uitspraak2008-08-01
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 07/601
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 07/601
Statusgepubliceerd
Indicatie
Kaderwet EZ-subsidies
Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit in vergistingsinstallaties
Uitspraak
College van Beroep voor het bedrijfsleven
AWB 07/601 1 augustus 2008
27307 Kaderwet EZ-subsidies
Subsidieregeling opwekken duurzame electriciteit
in vergistingsinstallaties
Uitspraak in de zaak van:
A B.V., te B, appellante,
gemachtigde: ing. J.G.P. van Schaik, werkzaam bij VanWestreenen B.V.,
tegen
de Minister van Economische Zaken, verweerder,
gemachtigden: mr. C. Cromheecke en mr. J. van Essen, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem.
1. De procedure
Appellante heeft bij ongedateerde brief, bij het College binnengekomen op 14 augustus 2007, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 juli 2007.
Bij dit besluit verweerder het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor subsidie op grond van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistinginstallaties (hierna: Regeling) ongegrond verklaard.
Bij brief van 13 september 2007 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.
Bij brief van 1 november 2007 heeft verweerder een verweerschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Op 20 mei 2008 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij voor appellante zijn verschenen S. van Westreenen, werkzaam bij VanWestreenen B.V., en C, directeur van appellante. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
2. De grondslag van het geschil
2.1 In de Regeling is, voor zover hier van belang, bepaald:
“Artikel 2
De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een producent die duurzame elektriciteit opwekt met een vergistingsinstallatie die is aangesloten op het Nederlandse net.
Artikel 3
Geen subsidie als bedoeld in artikel 2 wordt verstrekt indien:
(…)
c. de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde vergunningen niet voor 18 augustus 2006 zijn aangevraagd.”
2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.
- Op 19 december 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend voor subsidie op grond van de Regeling ten behoeve van de oprichting en ingebruikname van een biomassavergistingsinstallatie op het perceel D te B.
- Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder de aanvraag van appellante afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling, aangezien gebleken is dat de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning niet voor 18 augustus 2006 door appellante is aangevraagd.
- Bij brief van 26 maart 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij is gevoegd een brief van de gemachtigde van appellante van 6 maart 2007, waarin onder meer het volgende is vermeld:
“ Op 21 juni 2006 heeft u VanWestreenen B.V. opdracht verleend om de milieu- en bouwvergunning aan te vragen. Op 4 juli 2006 is in overleg met, en op verzoek van, de gemeente de conceptaanvraag om milieuvergunning ingediend. Na de reactie van de gemeente is op 14 augustus 2006 de definitieve aanvraag om milieuvergunning ingediend, op datzelfde moment is aangevangen met het opstellen van de aanvraag om bouwvergunning met bijbehorende bouwtekeningen en berekeningen. Na correspondentie en verificatie is de definitieve aanvraag om bouwvergunning op 12 september 2006 ingediend.
Uit bovenstaand overzicht blijkt dat u reeds ver voor de, in de Subsidieregeling genoemde, datum van 18 augustus 2006 actief bezig was met de ontwikkeling van een vergistingsinstallatie. Mede daar u alles in goed overleg met de lokale overheid wilde aanvragen is de aanvraag om bouwvergunning in september aangevraagd.”
- Voorts is bij het bezwaarschrift gevoegd een brief van het college van burgemeester en wethouders van B van 6 maart 2007, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“ Op 4 juli 2006 is een conceptaanvraag om een milieuvergunning ingediend. In onze brief van 28 juli 2006 hebben wij aangegeven op welke punten de aanvraag aangevuld en gewijzigd dient te worden. In deze brief is tevens aangegeven dat er voor het bouwen van een mestvergistingsinstallatie planologische beperkingen kunnen zijn. (…) Op 14 augustus 2006 is de definitieve milieuvergunningaanvraag ingediend waarop wij op 6 november 2006 hebben besloten.
Aansluitend op het indienen van de milieuvergunningaanvraag is op 12 september 2006 een bouwvergunning aangevraagd. Deze bouwvergunning is op 17 november 2006 verleend. Het is gebruikelijk om eerst de milieuvergunning aan te vragen voordat de bouwvergunning wordt aangevraagd omdat op grond van de Wet milieubeheer aanpassingen in situering van de gebouwen nodig kan zijn in verband met afstands- en geluideisen.”
- Op 9 mei 2007 is appellante op haar bezwaren gehoord.
- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.
3. Het bestreden besluit
Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd en geoordeeld dat gebleken is dat de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning op 12 september 2006, dus na de in de Regeling gestelde datum van 18 augustus 2006, is aangevraagd.
De stelling van appellant dat zij, door vóór 18 augustus 2006 een concept voor een bouwvergunningaanvraag in te dienen, voldoet aan de eis van de Regeling, heeft verweerder verworpen. Verweerder is van opvatting dat met het indienen van een conceptaanvraag enkel plannen bekend worden gemaakt met betrekking tot de plaatsing van een vergistingsinstallatie. Er is in dat geval slechts sprake van een voornemen om, na afhandeling van de conceptaanvraag, over te gaan tot het indienen van een definitieve aanvraag. Het aan adviesbureau VanWestreenen B.V. verstrekken van de opdracht de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde vergunningen aan te vragen doet niets af aan het feit, dat de indieningsdatum van de bouwvergunningaanvraag door de gemeente op 12 september 2006 is gesteld.
4. Het standpunt van appellante
Appellante wijst erop dat zij al begin 2006 de nodige stappen heeft ondernomen om de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde vergunningen te verkrijgen. Hiertoe is zij tijdig in overleg getreden met de gemeente. Alvorens de bouwvergunningaanvraag kon worden ingediend moest er eerst een definitieve aanvraag voor de benodigde milieuvergunning worden ingediend. Wanneer op voorhand duidelijk was geweest dat de subsidieregeling per 18 augustus 2006 zou worden stopgezet, had appellante wel eerder een bouwvergunningaanvraag ingediend. Dit was ook mogelijk geweest, maar appellante heeft de nadere besluitvorming omtrent het project binnen de gemeente afgewacht.
Voorts wijst appellante erop dat in de subsidieregeling zoals die in de Elektriciteitswet 1998 was opgenomen, geen subsidieplafond was gegeven. Bovendien was er geen einddatum voor de subsidie in deze wettelijke regeling opgenomen. Appellante mocht er derhalve op vertrouwen dat iedere aanvraag zou worden gehonoreerd. Dat de subsidieregeling voor het opwekken van duurzame energie met onmiddellijke ingang is stopgezet, is dan ook in strijd met het vertrouwensbeginsel en de rechtszekerheid. Bovendien is sprake van onbehoorlijk bestuur.
Tot slot wijst appellante erop dat verweerder andere aanvragen wel heeft ingewilligd. Deze aanvragers hebben dezelfde procedure gevolgd als appellante. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dient verweerder appellante op gelijke wijze te behandelen. Daarnaast had verweerder in zijn besluitvorming een belangenafweging moeten maken.
5. De beoordeling van het geschil
5.1 Het College staat voor de vraag of verweerder terecht de subsidieaanvraag van appellante heeft afgewezen op de grond dat niet is voldaan aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling, omdat de voor de ingebruikname van haar vergistingsinstallatie verleende bouwvergunning is aangevraagd na 18 augustus 2006. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
5.2 In de toelichting op de Regeling is ten aanzien van het criterium van artikel 3, onder c, onder meer het volgende vermeld:
“Tot slot dienen de benodigde vergunningen voor de vergistingsinstallatie voor 18 augustus 2006 te zijn aangevraagd. Dit omdat deze regeling een overgangsfaciliteit is voor bedrijven die voor kleinschalige vergistingsinstallaties MEP-subsidie hadden willen aanvragen. De overgangsfaciliteit is opgesteld omdat het niet redelijk wordt geacht dat producenten van kleinschalige vergistingsinstallaties, die in de verwachting dat zij tussen 18 augustus 2006 en 31 december 2006 subsidie zouden kunnen aanvragen reeds bepaalde stappen hebben gezet, in het geheel niet meer voor subsidie in aanmerking komen.”
5.3 Naar het oordeel van het College gaat het bij de voorwaarde van artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling - gelet op het doel en de strekking van deze bepaling - om een in voldoende mate geconcretiseerde vergunningaanvraag, die ook als zodanig is aan te merken. Er dient sprake te zijn van een schriftelijke aanvraag in de zin van de Woningwet. Bovendien moet het naar het oordeel van het College gaan om een lopende aanvraag van vóór 18 augustus 2006.
Bij het vorenstaande neemt het College in aanmerking dat het bij de Regeling gaat om een uitzondering op de hoofdregel - het op nul stellen van de subsidie -, die om een strikte uitleg en toepassing vraagt. De uitleg die verweerder thans geeft aan artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling strookt met de kennelijke bedoeling van de Regeling en is derhalve niet onjuist.
5.4 Het College is met verweerder van oordeel dat het voeren van overleg met het bevoegd gezag niet kan worden aangemerkt als het aanvragen van de voor de ingebruikname van de vergistingsinstallatie benodigde bouwvergunning in de zin van artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling. Het College overweegt voorts dat niet gebleken is van een bij de aanvang van dat overleg reeds ingediende in voldoende mate geconcretiseerde bouwvergunningaanvraag, die ook als zodanig is aan te merken. De brief van de gemachtigde van appellante van 6 maart 2007 noch de brief van het college van burgemeester en wethouders van B van dezelfde datum geven aanleiding tot een ander oordeel. Gelet hierop moet in het onderhavige geval 12 september 2006 worden aangemerkt als datum van indiening van de bouwvergunningaanvraag. Hieruit vloeit voort dat door appellante niet is voldaan aan de voorwaarde voor subsidieverlening van artikel 3, aanhef en onder c, van de Regeling.
Voor zover appellante heeft aangevoerd dat het in bezwaar gehandhaafde besluit tot weigering van de gevraagde subsidie een schending oplevert van het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid is het College van oordeel, dat de bij en krachtens artikel 72m van de Elektriciteitswet 1998 geregelde (MEP-)subsidie noch de vaststaande feiten aanknopingspunt bieden voor het oordeel dat appellante zonder meer kon vertrouwen dat deze subsidieregeling tot in lengte van dagen door verweerder gecontinueerd zou worden. Het College kan appellante derhalve niet volgen in haar betoog dat het bestreden besluit is genomen in strijd met het vertrouwensbeginsel en het beginsel van rechtszekerheid.
Ook het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel faalt, aangezien zij niet heeft geëxpliciteerd in welke andere, met de onderhavige zaak vergelijkbare, gevallen producenten van duurzame elektriciteit wel in aanmerking zijn gekomen voor subsidie op grond van de Regeling
5.5 Het vorenstaande in aanmerking genomen heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar tegen het primaire besluit terecht ongegrond verklaard.
5.6 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.
5.7 Voor een vergoeding van proceskosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht ziet het College geen aanleiding.
6. De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. van der Ham en mr. M.J. Kuiper, in tegenwoordigheid van mr. A. Douwes als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2008.
De voorzitter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
w.g. M.A. van der Ham w.g. A. Douwes