Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0413

Datum uitspraak2008-09-02
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers390746 \ AL VERZ 08-2154
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Meerderjarigenbewind. De kantonrechter wijst het verzoek van bewindvoerder tot machtiging voor het aangaan van een vermogensbeheerovereenkomst af. Uitgangspunt is dat bewindvoerder in staat is zonder inschakeling van derden het beheer over het onderbewindgestelde vermogen te voeren. Geen noodzaak tot het inschakelen van een derde gelet op relatief eenvoudige wijze van beleggen. Voorts is van belang dat rechthebbende gedurende zijn verdere leven voor zijn levensonderhoud afhankelijk zal zijn van het inkomen uit het onderbewindgestelde vermogen. Ook wegen mee de aanzienlijke beheerskosten en het feit dat de wijze van beheer krachtens de overeenkomst voor een belangrijk deel aan de bevoegdheid van de bewindvoerder en daarmee aan het toezicht van de kantonrechter wordt onttrokken.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector kanton Locatie Haarlem zaaknr: 390746 AL VERZ 08-2154 BM nr.: 44114 MACHTIGING De kantonrechter; Gezien het verzoekschrift van 14 juli 2008 ingediend door [bewindvoerder] en ingekomen ter griffie van deze sector op 15 juli 2008, waarin (achteraf) toestemming wordt verzocht tot het aangaan van een vermogensbeheerovereenkomst met Philipse & Co B.V. Op 15 augustus 2008 heeft [bewindvoerder] een mondelinge toelichting op het verzoek gegeven. Uitgangspunt bij de benoeming van een professionele bewindvoerder is dat hij zelfstandig dat wil zeggen zonder inschakeling van derden in staat is het beheer over het onderbewindgestelde vermogen te voeren. Waar het hier betreft een relatief eenvoudige wijze van belegging met een laag tot zeer laag risicoprofiel geldt dat eens te meer. Daarbij speelt in het bijzonder een rol dat het betreft een vermogen ontstaan uit een verzekeringsuitkering aan een thans jong-meerderjarige die gedurende zijn verdere leven voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van het inkomen uit dat vermogen. Voor het onderbrengen van dit vermogensbeheer bij derden ziet de kantonrechter ook in het onderhavige geval onvoldoende grond, mede gezien de niet onaanzienlijke beheerskosten die daarmee gepaard gaan. Uit de vermogensrapportage over het 2e kwartaal 2008 blijkt het in totaal te gaan om een bedrag aan beheerkosten van ruim € 8.000,00. Daarbij komt dat de wijze van beheer krachtens artikel 4 van deze overeenkomst voor een belangrijk deel aan de beoordeling van Philipse & Co wordt overgedragen en dus aan de bevoegdheid van de bewindvoerder en daarmee aan het toezicht van de kantonrechter wordt onttrokken. De bewindvoerder heeft nog als belang aangevoerd het beperken van risico van aansprakelijkheid ingeval achteraf zou blijken dat het door hem gevoerde beheer niet aan de daartoe te stellen eisen voldoet. Waar het in het algemeen bij onderbewindstelling en ook in dit geval gaat om een vorm van risico mijdend vermogensbeheer, vanwege het belang op lange termijn van de rechthebbende en de kwalificaties van de bewindvoerder die juist vanwege zijn expertise als zodanig is benoemd, acht de kantonrechter vrees voor aansprakelijkheid in de zin van artikel 1:444 BW niet doorslaggevend, nog daargelaten dat dit belang niet de onderbewindgestelde doch de bewindvoerder zelf betreft. Tenslotte kan de bewindvoerder in geval van gerede twijfel over een wijze van belegging indien nodig deskundig advies van derden inwinnen indien daartoe de noodzaak zou bestaan. Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek tot het verlenen van machtiging voor het sluiten van de vermogensbeheerovereenkomst zal worden afgewezen. BESCHIKKENDE: Wijst het verzoek tot het verlenen van machtiging af; Stelt de bewindvoerder in de gelegenheid een alternatief beleggingsplan aan de kantonrechter ter goedkeuring voor te leggen. Aldus gegeven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 september 2008 door mr. J.J. Udo de Haes, kantonrechter en door deze en de griffier ondertekend. U kunt binnen drie maanden na de hiervoor vermelde uitspraakdatum tegen deze beslissing in hoger beroep gaan bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het beroep moet namens u worden ingesteld door een advocaat.