Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0408

Datum uitspraak2008-08-18
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers02/801447-06 (ontneming)
Statusgepubliceerd


Indicatie

"Verdachte is eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren in verband met het meermalen overtreden van de Opiumwet, de deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en overtreding van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. De ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op een bedrag van € 346.207,50."


Uitspraak

RECHTBANK BREDA Sector strafrecht Parketnummer: 02/801447-06 beslissing van de rechtbank d.d. 18 augustus 2008 in de ontnemingszaak tegen [verdachte] geboren te Zvornik (Joegoslavië), [geboortedatum] wonende te [adres] raadsman mr. G.W.L.A.M. Koppen, advocaat te Breda heeft de officier van justitie de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven. 1 De procedure. De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken: - de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt; - het strafdossier onder parketnummer 801447-06 waaruit blijkt dat veroordeelde op 7 februari 2008 door de meervoudige strafkamer te Breda is veroordeeld terzake van de volgende strafbare feiten: feit 1: deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; feit 2: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; feit 4: medeplegen van een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit; feit 5: overtreding van artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (oud), terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, opzettelijk begaan, en overtreding van artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf van 6 jaar; - het rapport van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - de conclusie van eis en de repliek van de officier van justitie en de conclusie van antwoord en de dupliek van de verdediging in het kader van de schriftelijke procedure; - de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 7 juli 2008; - de overige stukken. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn de officier van justitie en de gemachtigde raadsman van veroordeelde, mr. Koppen, advocaat te Breda, gehoord. De veroordeelde is behoorlijk opgeroepen naar niet ter terechtzitting verschenen. 2 De beoordeling. Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de bewijsmiddelen, die de rechtbank te Breda ten grondslag heeft gelegd aan haar vonnis d.d. 7 februari 2008 onder parketnummer 801447-06. Het door medeveroordeelde [naam medeverdachte] gedane verzoek om getuigen te horen, hetgeen in geval van toewijzing zou moeten leiden tot aanhouding van een beslissing in deze zaak gelet op de mogelijke gevolgen in deze zaak, zal worden afgewezen. [naam medeverdachte] heeft het verzoek gedaan om zijn boekhouder te horen over de bij hem aangetroffen gelden (waaronder ponden), teneinde te kunnen onderbouwen dat die gelden afkomstig zijn uit de door hem en zijn partner gedreven VOF. Gelet op de uitdrukkelijke verklaring van de partner van [naam medeverdachte] dat haar bedrijf geen VOF meer is, dat zij alles alleen doet en dat zij niets weet omtrent de in beslag genomen ponden, had het op de weg van [naam medeverdachte] gelegen om dit verzoek verdergaand te onderbouwen. Ten aanzien van de overige getuigen is aangevoerd dat zij moeten worden gehoord om de grondslagen van de berekening te kunnen toetsen. Daarbij wordt echter op geen enkele wijze inzage gegeven in of stelling genomen ten aanzien van de gang van zaken zoals die volgens [naam medeverdachte] zou zijn geweest. De rechtbank stelt vast dat [naam medeverdachte] zijn betwisting van de grondslag van de berekening door het OM niet of nauwelijks heeft onderbouwd en voorts op geen enkele wijze inzage heeft gegeven in de gang van zaken zoals die volgens [naam medeverdachte] zou zijn geweest. Gelet op het veroordelend vonnis en het bewijsrechtelijke kader dat bij ontnemingszaken geldt, had dit wel op zijn weg gelegen. Nu veroordeelde echter slechts zijn betrokkenheid bij de strafbare feiten ontkent en de bewijsmiddelen uit het ontnemingsproces-verbaal kaal betwist, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige opgegeven getuigen te (laten) horen. Het verzoek wordt dan ook afgewezen. De rechtbank zal een beslissing nemen over de vordering tot ontneming. Zij vindt in het dossier voldoende aanknopingspunten om daarover een uitspraak te doen. Dat er hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van 7 februari 2008 staat een dergelijke beslissing niet in de weg en de rechtbank ziet daarin ook geen aanleiding om de zaak aan te houden. Het verweer van veroordeelde dat niet is komen vast te staan dat hij zowel bij de productie van amfetamine als van MDMA is betrokken, wordt verworpen. Uitgangspunt daarbij is dat de rechtbank in haar veroordelend vonnis ten aanzien van hem zowel een betrokkenheid bewezen heeft verklaard ten aanzien van de MDMA als amfetamine. Veroordeelde heeft in het kader van zijn betwisting, geen inzage gegeven in de werkwijze van de organisatie waarbij hij was betrokken en de werkzaamheden en handelingen die hij daarin heeft verricht, specifiek ten aanzien van de MDMA, hetgeen bij zo’n verweer wel op zijn weg had gelegen. Afgezien van het feit dat een dergelijke specifieke taakverdeling in een organisatie die zich bezighoudt met de productie van drugs ook niet gebruikelijk is, maakt bovendien hetgeen uit het dossier naar voren komt, voldoende aannemelijk dat de handelingen van veroordeelde zich tot meer uitstrekten dan de amfetamine. De rechtbank verwijst naar en neemt over de hiervoor genoemde bewijsmiddelen in de strafzaak en daarnaast specifiek hetgeen omtrent de rol van de diverse betrokkenen nog wordt genoemd in het in het proces-verbaal van ontneming . Voor de periode waarin de productie heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen gehanteerd in de strafzaak, uitgaan van december 2005 tot en met augustus 2006. Gelet op hetgeen de rechtbank hierna tot uitgangspunt zal nemen bij de berekening, is de precieze periode echter niet of niet van doorslag¬gevend belang. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling de verklaringen van [naam medeverdachte 2] . Zij acht die om redenen zoals neergelegd in het vonnis van 7 februari 2008, betrouwbaar. Waar ten aanzien van de hoeveelheden niet steeds eenduidig is verklaard, zal de rechtbank daarbij zoveel als mogelijk is, bezien of er objectieve bewijsmiddelen voorhanden zijn die wél eenduidig zijn. [naam medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij (ongeveer) 2500 liter aceton heeft gekocht en 150 liter methanol. De door [naam medeverdachte 3] genoemde hoeveelheid aceton wordt ook genoemd door [naam medeverdachte 4] , die met [naam medeverdachte 3] meeging wanneer deze aceton kocht. Deze hoeveelheden heeft [naam medeverdachte 3] geleverd aan [naam medeverdachte 2]. Aceton wordt gebruikt voor de productie van MDMA en methanol voor amfetamine. Door [naam medeverdachte 2] wordt verklaard dat hij zelf ook methanol kocht , maar nu niet wordt verklaard om welke hoeveelheden het ging, zal de rechtbank bij haar verdere beoordeling daarmee geen rekening houden en zich verder baseren op de niet bestreden hoeveelheden die zijn geleverd door [naam medeverdachte 3]. De rechtbank heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam medeverdachte 3] te twijfelen, nu hetgeen hij verklaart omtrent de leveringen wordt ondersteund door [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] openheid geeft over zijn eigen rol. Gesteld noch gebleken is dat bij de productie van amfetamine zowel methanol als aceton werd gebruikt. De rechtbank zal er daarom met de verdediging en de officier van justitie van uitgaan dat methanol alleen werd gebruikt voor de productie van amfetamine en aceton alleen voor MDMA. Op basis van hetgeen in het proces-verbaal van ontneming wordt vermeld over de bij de productieprocessen gebruikte verhoudingen van de grondstoffen, die niet bestreden zijn, gaat de rechtbank uit van het volgende: Amfetamine: o 5 liter amfetamine base o 1 liter zwavelzuur 98% o 5 liter methanol MDMA: o 1 liter MDMA base o 3 tot 5 liter aceton o 0,5 liter zoutzuuroplossing 36 % Amfetamine. Uitgaande van voornoemde verhoudingen en van de door [naam medeverdachte 3] genoemde hoeveelheden methanol (150 liter), zou bij de productie van amfetamine 150 liter amfetamine base moeten zijn gebruikt. Op basis van de verklaringen van [naam medeverdachte 2], zou geoordeeld kunnen worden dat er 240 liter is verwerkt, zoals in het proces-verbaal van ontneming op blz 10 ook is berekend. De rechtbank neemt op grond van hetgeen zij hiervoor ten aanzien van de leveringen door [naam medeverdachte 3] heeft overwogen, de door hem geleverde hoeveelheid tot uitgangspunt, hetgeen betekent dat voor de berekening tot uitgangs¬punt moet worden genomen dat er 150 liter amfetamine base is gebruikt. Op basis van het niet weersproken uitgangspunt dat met 1 liter amfetamine base 1,5 tot 2 kilo amfetamine kan worden geproduceerd, kan de geproduceerde hoeveelheid amfetamine worden vastgesteld op 225 tot 300 kg. De rechtbank zal in het voordeel van veroordeelde uitgaan van de laagste hoeveelheid. Mitsdien van 225 kilo. Die hoeveelheid wijkt niet zodanig af van de door [naam medeverdachte 2] opgegeven geproduceerde hoeveelheid (200 kg) dat daarin aanleiding zou zijn om voornoemde uitgangspunten niet te volgen. Voor de berekening van het wederrechtelijk voordeel zal de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging (conform hetgeen [verdachte] betoogd) op de 225 kilo de aangetroffen hoeveelheid van 30 kilo in mindering brengen, zodat 195 kilo resteert. MDMA Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen omtrent de aankoop van aceton, zal de rechtbank ook hier uitgaan van de door [naam medeverdachte 3] genoemde hoeveelheid van 2500 liter. Op basis van de hiervoor weergegeven verhoudingen tussen het aantal liters aceton en het aantal liters MDMA base, en van de door [naam medeverdachte 3] genoemde hoeveelheden aceton, zouden, afhankelijk van de gekozen verhouding, de volgende hoeveelheden MDMA base gebruikt kunnen zijn: 500 liter MDMA base bij een verhouding van 5 liter aceton op 1 liter base; 625 liter MDMA base bij een verhouding van 4 liter aceton op 1 liter base; 833 liter MDMA base bij een verhouding van 3 liter aceton op 1 liter base. Deze hoeveelheden MDMA base zouden op basis van de door [naam medeverdachte 2] opgegeven productieverhouding van 1 : 1,1, respectievelijk 550 kilo, 688 kilo en 916 kilo MDMA hebben opgeleverd. In het proces-verbaal van ontneming komen met betrekking tot de geproduceerde hoeveelheden twee zaken naar voren. Op basis van de door [naam medeverdachte 2] opgegeven vergoeding voor de vervaardiging van MDMA, wordt in het proces-verbaal van ontneming op blz 10, berekend dat er 666 liter MDMA base verwerkt zou moeten zijn. Dat getal past binnen de hiervoor weergegeven verhoudingen. In het proces-verbaal wordt echter ook aangegeven (blz 9) dat [naam medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij 469 liter base heeft omgezet in 520 kilo. Naar deze verklaring heeft veroordeelde ook verwezen (blz 25 van zijn Conclusie van Antwoord) bij zijn betoog dat er minder is geproduceerd dan in het proces-verbaal wordt berekend. Deze hoeveelheid van 469 liter wijkt niet zodanig af van de hiervoor weergegeven verhoudingen aceton : base, dat hij daarom ongeloofwaardig is. Zeker nu de diverse verklaringen zijn gebaseerd op schattingen en herinneringen uit het geheugen. Waarom deze verklaring niet wordt gehanteerd, wordt door de officier van justitie niet aangeven. De rechtbank ziet in vorenstaande reden om uit te gaan van een hoeveelheid van 500 liter base die gebruikt is voor de productie van MDMA, welke hoeveelheid wordt afgeleid uit de door [naam medeverdachte 3] genoemde hoeveelheid geleverde aceton. Dat levert een hoeveelheid op van geproduceerde MDMA van 550 kilo. Voor de berekening van het wederrechtelijk voordeel zal de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging (conform hetgeen veroordeelde heeft betoogd) op de 550 kilo de aangetroffen hoeveelheid van 150 kilo in mindering brengen, zodat 400 kilo resteert. De rechtbank acht op basis van hetgeen in het proces-verbaal van ontneming naar voren is gebracht als aanwijzingen voor het produceren van pillen, waaronder in het bijzonder hetgeen is verklaard omtrent de tabletteermachine en de bij de doorzoeking aangetroffen 3500 pillen, vaststaan dat de amfetamine werd gebruikt voor de productie van pillen. Dat is voor een organisatie als waarvan veroordeelde deel uitmaakte ook de meest lucratieve vorm, zoals uit de berekening opgenomen in het proces-verbaal van ontneming blijkt, hetgeen door veroordeelde niet is weersproken. Veroordeelde geeft niet aan waarom zijn organisatie zich tot de minder lucratieve vorm beperkt zou hebben. Het had dan ook op de weg van veroordeelde gelegen om aannemelijk te maken dat de productie van de pillen door anderen plaatsvond en hij daarbij geen betrokkenheid had. Dat is niet gebeurd. Op grond van de verklaring van [naam medeverdachte 2] en de informatie van het NFI uit mei 2004, gaat de rechtbank er van uit dat van elke kilo MDMA 10.000 pillen werden vervaardigd. Daarvan uitgaande en van een hoeveelheid MDMA van 400 kilo, betekent dit dat er 4 miljoen pillen zijn geproduceerd. Daarop dienen, zoals zowel de officier van justitie als veroordeelde hebben betoogd, de aange¬troffen 3500 pillen in mindering te worden gebracht, zodat voor de berekening van het voordeel moet worden uitgegaan van 3.996.500 pillen. Dat er los MDMA poeder is verkocht blijkt niet of onvoldoende uit het proces-verbaal. [naam medeverdachte 2] verklaart weliswaar dat hij MDMA poeder afleverde, maar dat betreft afleveringen aan de mededaders. Over wat zij met die MDMA hebben gedaan, verklaart hij niet. Verder noemt hij geen hoeveelheden, maar slechts een waarde. Dat alles is te weinig om op grond daarvan aan te nemen dat er ook los poeder werd verkocht. De rechtbank laat daarom de vraag welke waarde aan het MDMA poeder kan worden toegekend in geval van verkoop buiten beschouwing. De bruto opbrengst. Bij de vaststelling van de bruto opbrengst dienen op grond van hetgeen is aangevoerd in het proces-verbaal van ontneming en door de verdediging, de volgende zaken te worden beoordeeld: 1 De verkoopprijs van de amfetamine; 2 De verkoopprijs van de pillen; 3 Welke kosten dienen daarop in mindering te worden gebracht. Wat betreft dat laatste zijn de volgende zaken genoemd: a De kosten verbonden aan de productie van de niet verkochte hoeveelheden amfetamine en MDMA; b De vraag of rekening moet worden gehouden met het gebruik van versnijdingsmiddel; c De inkoopkosten van de grondstoffen, namelijk: - de MDMA en amfetamine base dan wel de grondstoffen benodigd voor de vervaardiging daarvan; - andere grondstoffen, zoals methanol en aceton; - de aan medeverdachten betaalde vergoedingen; - de huur van het pand waar het laboratorium was gevestigd; - overige kosten ter zake inkoop dan wel gebruik van productiemiddelen, zoals tabletteermachine, diepvrieskisten e.d en gebruikte voertuigen. Ad 1: De door de officier van justitie tot uitgangspunt genomen verkoopprijs van € 1350,-- per kilo, is niet bestreden. De rechtbank zal daarvan dan ook uitgaan. Dat levert een bruto opbrengst op van € 263.250,-- ter zake de amfetamine. Ad 2: De door de officier van justitie tot uitgangspunt genomen verkoopprijs van € 0,40 per pil, is niet bestreden. Ofschoon gesteld kan worden dat de waarde hoger moet zijn, nu klaarblijkelijk bij de berekening wordt uitgegaan van de verkoop van onversneden pillen (zie hierna ad 3b), zal de recht¬bank ten gunste van veroordeelde uitgaan van € 0,40 per pil. Dat levert een bruto opbrengst op van € 1.598.600,-- ter zake de MDMA. Ad 3 a; Het betoog van de verdediging dat als aftrekbare kosten ook in aanmerking genomen dienen te worden de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van de vervaardiging van de MDMA en amfetamine die in beslag zijn genomen, wordt verworpen. Het uitgangspunt van de Hoge Raad is immers dat op grond van de wetsgeschiedenis (weergegeven in HR 1 juli 1997, NJ 1998, 242) moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Dat voordeel omvat mitsdien ook de waarde van de geproduceerde MDMA en amfetamine die op het moment van de doorzoeking nog aanwezig waren, maar nog niet verkocht. De MDMA had immers voor de productie van pillen kunnen worden gebruikt, waarna de pillen hadden kunnen worden verkocht, en de amfetamine zo had kunnen worden verkocht. Daarmee vertegenwoordigden deze stoffen in potentie een waarde. Dat zich ten aanzien van die zaken het risico heeft gerealiseerd dat aan criminele activiteiten inherent is, namelijk dat die stoffen in beslag werden genomen voordat zij konden worden verkocht, staat er niet aan in de weg dat zij een waarde vertegenwoordigen. De officier van justitie had op grond hiervan de waarde van deze zaken bij de bruto opbrengst kunnen betrekken. Nu daarvoor niet is gekozen, zal de rechtbank, zoals hiervoor al tot uitgangspunt genomen, die stoffen niet in de berekening betrekken. Het spreekt voor zich dat dan de op die hoeveelheden MDMA en amfetamine betrekking hebbende kosten buiten beschouwing dienen te blijven. Ad 3 b: De rechtbank is uit andere zaken bekend dat er bij het produceren van pillen zo niet in alle gevallen dan toch in ieder geval in een zeer aanzienlijk deel van de gevallen een versnijdingsmiddel wordt gebruikt. Indien in deze zaak bekend zou zijn in hoeveel gevallen dat zo is en in welke verhouding dat dit gemiddeld genomen gebeurt, zou dat aanleiding hebben kunnen zijn om het aantal geproduceerde pillen hoger vast te stellen en daarmee een hogere bruto opbrengst. Dergelijke gegevens ontbreken echter, zodat de rechtbank daaraan zal voorbijgaan. Ad 3c: * Amfetamine base en MDMA base. In het proces-verbaal van ontneming wordt de inkoopwaarde van 1 liter amfetamine base gesteld op € 1.200,--. De verdediging heeft de juistheid van dat bedrag niet bestreden. De rechtbank zal daarvan dan ook eveneens uitgaan. Zoals hiervoor overwogen gaat de rechtbank uit van 195 kilo geproduceerde amfetamine. Daarvoor is 130 liter amfetamine base nodig (195 : 1,5). Dat levert een inkoopwaarde op van € 156.000,-- voor de amfetamine base. In het proces-verbaal van ontneming wordt de inkoopwaarde van 1 liter MDMA base bepaalt op € 2.400,--. De verdediging heeft de juistheid van dat bedrag niet bestreden. De rechtbank zal daarvan dan ook eveneens uitgaan. De rechtbank is hiervoor tot het oordeel gekomen dat bij de berekening moet worden uitgegaan van 400 kilo geproduceerde MDMA. Daarvoor is afgerond 364 liter MDMA base nodig (400 : 1,1). Dat levert een inkoopwaarde op van € 873.600,-- voor de MDMA base. * Andere grondstoffen, zoals methanol en aceton. Voor de verwerking van 130 liter amfetamine base is op basis van de hiervoor weergegeven, niet bestreden verhoudingen tussen de grondstoffen, 26 liter zwavelzuur en 130 liter methanol nodig. Voor de verwerking van 364 liter MDMA base is op basis van de hiervoor weergegeven uitgangspunten 1820 liter aceton nodig en 182 liter zoutzuur. De officier van justitie gaat ten aanzien van de inkoopprijs van de aceton en methanol uit van de vergoeding die [naam medeverdachte 3] volgens zijn verklaring daarvoor kreeg, namelijk € 4,-- per liter. Ten aanzien van de zwavelzuur gaat de officier van justitie uit van een bedrag van € 4,40 per liter en ten aanzien van het zoutzuur van € 5,60 per liter. De verdediging heeft deze uitgangspunten niet bestreden De rechtbank zal daarvan dan ook eveneens uitgaan. Dat levert de volgende bij de berekening in mindering te brengen bedragen op: 130 liter methanol à € 4,-- = € 520,-- 26 liter zwavelzuur à € 4,40 (afgerond) = € 115,-- 1820 liter aceton à € 4,-- = € 7.280,-- 182 liter zoutzuur à € 5,60 (afgerond) = € 1.020,-- Totale inkoopprijs andere grondstoffen = € 8.935,-- * De huur van het pand waar het laboratorium was gevestigd. Gelet op het niet door de verdediging bestreden standpunt van de officier van justitie dat het totale bedrag uitgegeven aan de huur van het pand waar het laboratorium was gevestigd, € 11.550,-- bedroeg, zal ter zake van huur € 11.550,-- in mindering worden gebracht. * De aan medeverdachten en/of medeveroordeelden betaalde vergoedingen. - [naam medeverdachte 2] en [naam mede[naam medeverda[naam medeverdachte 5]] Allereerst geldt hier als aftrekpost de door de officier van justitie genoemde en door de verdediging niet bestreden vergoeding van € 5.000,-- die [naam medeverdachte 2] volgens zijn verklaring zou hebben ontvangen inzake de aflevering van een partij amfetamine bij Ikea. Voor wat betreft de overige vergoedingen, zal de rechtbank de uitgangspunten van de officier van justitie overnemen dat aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] € 37,50 per geproduceerde kilo MDMA werd betaald en € 25,-- per geproduceerde kilo amfetamine, nu die uitgangspunten niet door de verdediging zijn bestreden. De rechtbank heeft hiervoor gemotiveerd aangegeven waarom de kosten verbonden aan de in beslag genomen hoeveelheden niet bij de beoordeling worden betrokken. Op grond daarvan zullen slechts de vergoedingen worden afgetrokken die aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] zijn betaald ter zake van de hoeveelheden die in de berekening worden meegenomen. Dat levert de volgende aftrekbare kosten op: Vergoeding [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] inzake MDMA 400 x € 75,-- = € 30.000,-- Vergoeding [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] inzake amfetamine 195 x € 50,-- = € 9.750,-- Vergoeding [naam medeverdachte 2] voor de aflevering bij Ikea € 5.000,- Totaal betaalde vergoedingen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] = € 44.750,- - [naam medeverdachte 6] Medeveroordeelde [naam medeverdachte 6] dient volgens de rechtbank te worden aangemerkt als de assistent van veroordeelde. [naam medeverdachte 6] verrichte hand- en spandiensten en was verantwoordelijk voor de opslag van zowel grondstoffen als eindproducten. Nu [naam medeverdachte 6] niet aannemelijk heeft gemaakt wat hij met zijn werkzaamheden heeft verdiend en het dossier geen aanknopingspunten daaromtrent geeft, zal de rechtbank deze verdiensten schatten. Er zijn geen aanwijzingen dat veroordeelde meedeelde in de buit. Gelet op zijn rol acht de rechtbank een vergoeding per maand meer voor de hand liggend. Gelet op de aan [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] betaalde vergoedingen schat de rechtbank de verdiensten voor [naam medeverdachte 6] op € 7.500,= per maand. De rechtbank zal het terug te betalen bedrag derhalve vaststellen op € 67.500,=. Dit betekent dat wegens de aan [naam medeverdachte 6] betaalde vergoeding € 67.500,-- in mindering dient te worden gebracht. * Overige kosten ter zake inkoop dan wel gebruik van productiemiddelen, zoals tabletteermachine, diepvrieskisten e.d en gebruikte voertuigen. In het proces-verbaal van ontneming worden de aanschafkosten van de 7 diepvriezers die bij de productie van MDMA werden gebruikt, op basis van de verklaring van [naam medeverdachte 2] gesteld op € 4.100,--. Dit bedrag is door de verdediging niet bestreden. Nu dat bedrag de rechtbank ook niet onredelijk voorkomt, zal dat bedrag als kosten in mindering worden gebracht. Ter zake van de kosten van overig materiaal dat bij de productie is gebruikt, zal de rechtbank een bedrag opnemen van in totaal € 3.000,--. Dat bedrag vormt een schatting, nu er geen aanwijzingen zijn waarop meer nauwkeurig en bedrag kan worden bepaald. Op grond hiervan dient ter zake van overige kosten een bedrag van in totaal € 7.100,-- in mindering te worden gebracht. Wederrechtelijk verkregen voordeel Vorenstaande levert de navolgende berekening op van het voordeel: bruto opbrengst: amfetamine: € 263.250,-- . MDMA: € 1.598.600,-- ----------------- Totale bruto opbrengst: € 1.861.850,-- Aftrekbare kosten: Inkoop amfetamine base € 156.000,-- Inkoop MDMA base € 873.600,-- Inkoop andere grondstoffen € 8.935,-- Huur pand € 11.550,-- Vergoedingen [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 5] € 44.750,-- Vergoedingen [naam medeverdachte 6] € 67.500,-- Overige materialen € 7.100,-- ----------------- Totaal kosten € 1.169.435 ----------------- Totaal wederrechtelijk voordeel € 692.415,-- Door de verdediging zijn geen omstandigheden aangevoerd, anders dan die welke hiervoor al zijn besproken, op basis waarvan een verdeling van het voordeel over [naam medeverdachte] en [verdachte] worden vastgesteld. Nu in het dossier ook geen aanwijzingen zijn te vinden, zal de rechtbank voornoemd bedrag hoofdelijk over hen verdelen. Door de verdediging is ten slotte aangevoerd dat veroordeelde niet de draagkracht heeft om aan de Staat enig geldbedrag te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Vooropgesteld dient te worden dat noch uit art. 36e Wetboek van Strafrecht noch uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit dat de draagkracht van de veroordeelde in het algemeen een verplichte maatstaf vormt bij het bepalen van het te betalen geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Slechts indien aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, dient de rechter gebruik te maken van zijn matigingsbevoegdheid. In casu heeft de veroordeelde naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat hij in de toekomst naar redelijke verwachting geen draagkracht zal hebben. De conclusie van de verdediging, inhoudende dat de vordering dient te worden afgewezen omdat de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel niet kan terugbetalen, treft derhalve geen doel. 3 De beslissing. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 346.207,50. Zij legt Van Rijsbergen de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 346.207,50 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze beslissing is gegeven door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Dekker en mr. Prenger, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Korsten en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 augustus 2008. Mr. Dekker is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.