Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0393

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-11
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/4961 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Zorgvuldigheid?


Uitspraak

06/4961 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 juli 2006, 06/675 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 10 september 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad stukken ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2008. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.W. Beers. II. OVERWEGINGEN 1. Feiten en omstandigheden waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming. 1.1. De Raad verwijst voor een uitvoeriger uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1.1. Bij besluit van 29 oktober 2001 heeft de rechtsvoorganger van het Uwv (hierna: het Uwv) geweigerd appellante met ingang van 24 mei 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Bij besluit van 17 juli 2002 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 29 oktober 2001 ongegrond verklaard. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellante op de datum die in dit geding van belang is, 24 mei 1999, weliswaar medische beperkingen ondervond voor het verrichten van arbeid en daardoor niet geschikt was voor het verrichten van de eigen arbeid, maar dat zij met haar beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de ten aanzien van haar geselecteerde functies. Vergelijking van de aan die functies verbonden loonwaarde met het maatmanloon levert volgens het Uwv geen verlies aan verdienvermogen op. 1.1.2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij uitspraak van 16 juni 2003 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellante met ingang van 24 mei 1999 een uitkering ingevolge de WAO is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad heeft bij uitspraak van 6 januari 2006, LJN AV2174, die uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. 2. Alleen appellante is in hoger beroep gekomen. Zij bestrijdt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank de gevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Zij stelt zich op het standpunt dat haar een WAO-uitkering dient te worden toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 3. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. 3.1. Terecht is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het de arbeidsongeschiktheidsschatting betreft, op een deugdelijke grondslag berust. De Raad onderschrijft hetgeen zij daaromtrent heeft overwogen. 3.2. Appellante wenst voorts kennelijk aan te voeren dat haar psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. Zij stelt daartoe dat de verzekeringsarts ten onrechte geen psychiatrisch onderzoek heeft verricht. De Raad kan appellante hierin niet volgen. Uit de rapportage van 11 augustus 1999 van de verzekeringsarts R. Pels blijkt dat deze appellante tijdens het spreekuur op 6 augustus 1999 psychiatrisch heeft onderzocht. De gegevens, neergelegd in dit rapport, zijn, evenals die welke voorkomen in de brief van 27 oktober 2001 van de behandelend arts voor zenuw- en zielsziekten, G.T. Calor, door de bezwaarverzekeringsarts P.L.M. Momberg beoordeeld, blijkens zijn rapport van 2 juli 2002. Voor zover appellante met haar grief beoogt te betogen dat het bestreden besluit door de rechtbank ook had behoren te worden vernietigd op de grond dat dit besluit wat betreft de psychische gesteldheid van appellante op 24 mei 1999 op een ondeugdelijke grondslag berust, treft die klacht geen doel. Met de rechtbank acht de Raad de rapporten van Pels en van Momberg een toereikende grondslag voor dit aspect van het verzekeringsgeneeskundig oordeel dat aan dat besluit ten grondslag ligt. 3.3. Appellante bestrijdt dat het besluit met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen, nu het arbeidskundig onderzoek meer dan twee jaar na het verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden, alsmede ruim na de datum die in dit geding van belang is. De Raad ziet dit argument niet slagen omdat uit de desbetreffende gedingstukken blijkt dat de gezondheidstoestand van appellante beoordeeld is naar de datum 24 mei 1999, de datum die in dit geding van belang is, en dat ook de arbeidskundige beoordeling naar die datum heeft plaatsgevonden. 3.4. Gezien hetgeen is overwogen in 3.1 tot en met 3.3 moet de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, worden bevestigd. 4. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008. (get.) T. Hoogenboom. (get.) I.R.A. van Raaij. RB