
Jurisprudentie
BF0388
Datum uitspraak2008-08-27
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5195 WAZ + 06/5409 WAZ
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/5195 WAZ + 06/5409 WAZ
Statusgepubliceerd
Indicatie
Weigering WAZ-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag? Aangepast CBBS. Echter eerst in hoger beroep een als afdoende aan te merken toelichting op de geduide functies.
Uitspraak
06/5195 + 06/5409 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 7 augustus 2006, 05/402, (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Naam betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),
en
appellant,
alsmede op het hoger beroep van:
betrokkene,
tegen de eerder genoemde uitspraak van de rechtbank Almelo,
in het geding tussen:
beide hiervoor genoemde partijen.
Datum uitspraak: 27 augustus 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld, waaraan is toegevoegd een rapport van 17 augustus 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee.
Namens betrokkene heeft mr. D.G. Geerdink, advocaat te Oldenzaal, hoger beroep ingesteld.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend. Appellant heeft dit vergezeld doen gaan van een rapport van 13 oktober 2006 van de bezwaararbeidsdeskundige N. van Rhee voornoemd en van een rapport van 9 oktober 2006 van de bezwaarverzekeringsarts H.A.J. Reker. Betrokkene heeft daaraan toegevoegd een brief van 28 september 2006 van de door hem ingeschakelde arbeidsdeskundige H.J.G. Lansink te Enschede.
Appellant heeft op 18 oktober 2006 nog een nadere uiteenzetting gegeven.
Appellant heeft bij brieven van 6 en 17 maart 2008 met bijlagen (onder andere de rapporten van 4 maart en 17 maart 2008 van N. van Rhee voornoemd) vragen van de Raad beantwoord.
Namens betrokkene heeft bovengenoemde gemachtigde nog een rapport van 2 april 2008 van H.J.G. Lansink voornoemd in het geding gebracht, waarop appellant door middel van inzending van een rapport van 8 april 2008 van N. van Rhee heeft gereageerd.
Betrokkene heeft bij brief van 8 april 2008 zijn standpunt (nogmaals) toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2008. Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door A.G.G. Schoonderbeek. Betrokkene was in persoon aanwezig, bijgestaan door mr. M. Tijken, kantoorgenoot van bovengenoemde gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1 Betrokkene, werkzaam als zelfstandige in de meubelhandel, heeft zich in mei 2003 ziek gemeld in verband met psychische klachten alsmede met rug- en schouderklachten. Bij besluit van 13 oktober 2004 heeft appellant geweigerd hem een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen per
24 mei 2004, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene moet worden gesteld op minder dan 25%. Betrokkene heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. In het kader van dit bezwaar heeft betrokkene een rapport van 7 september 2004 van J.M.E. van Zandvoort, zenuwarts te Meppel, ingezonden. Na rapportage door de bezwaarverzekeringsarts H.A. Reker, die van oordeel was dat voldoende beperkingen met name op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren opgenomen, heeft appellant het bezwaar bij besluit van 28 februari 2005 (hierna het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In het kader van dit beroep zijn rapporten van 26 mei 2005, van 12 september 2005 en van 12 mei 2006 uitgebracht door N. van Rhee voornoemd. Namens betrokkene is een rapport van 23 augustus 2005 van H.J.G. Lansink voornoemd in het geding gebracht. Betrokkene heeft onder meer gesteld dat zijn beperkingen door appellant zijn onderschat, waartoe hij met name heeft gewezen op het eerder genoemde rapport van de arts Van Zandvoort. Ook is hij van oordeel dat een urenbeperking in aanmerking genomen zou moeten worden. In verband met zijn psychische klachten kan hij (een groot deel van) de geduide functies niet verrichten, waartoe hij heeft gewezen op genoemd rapport van H.J.G. Lansink; deze is onder meer van oordeel dat een deel van de functies in de productiesfeer ligt en deswege al moet worden aangenomen dat zulks een te grote werkdruk en een te hoog handelingstempo met zich brengt. Tevens heeft hij bezwaren geuit tegen enkele specifieke functies.
3. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Tevens heeft de rechtbank appellant veroordeeld in de proceskosten van betrokkene en appellant opgedragen om aan hem het betaalde griffierecht te vergoeden. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Ten aanzien van de arbeidskundige basis van dit besluit heeft de rechtbank, verkort weergegeven, geoordeeld, dat het CBBS-systeem ook na de aangebrachte aanpassingen nog steeds niet betrouwbaar is. In de eerste plaats omdat het bij de geautomatiseerde vergelijking van de zogenoemde matchende beoordelingspunten mogelijk is dat markeringen ontbreken; in de tweede plaats omdat het, volgens de rechtbank, nog steeds kan voorkomen dat bij een vergelijking op de niet matchende punten functies ten onrechte geschikt worden geacht.
4.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort gezegd - benadrukt, dat de aangebrachte aanpassingen in het CBBS- systeem wel degelijk voldoen aan de in de rechtspraak van de Raad opgenomen eisen en dat de relatie tussen de belastbaarheid van de verzekerde en de belasting van de geselecteerde functies in het systeem wel voldoende helder en inzichtelijk is.
4.2. In het namens betrokkene ingestelde hoger beroep is in grote lijnen het eerder aangevoerde herhaald en gewezen op de in hoger beroep overgelegde rapporten van H.J.G. Lansink voornoemd.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad acht evenals de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk. Daarbij wijst de Raad erop, dat met de door de zenuwarts Van Zandvoort aangegeven beperkingen rekening is gehouden bij het vaststellen van de FML, terwijl de FML ook nog meer en andere beperkingen bevat dan genoemd door bedoelde arts. Dat appellant is uitgegaan van onjuiste of te weinig beperkingen is de Raad niet gebleken.
5.3. Met betrekking tot het arbeidskundige deel van de schatting merkt de Raad allereerst op, dat de Raad in zijn uitspraken van 12 oktober 2006, onder meer LJN AY9971, genoegzaam aannemelijk heeft geacht dat het aangepaste CBBS-systeem, zowel bij de matchende als de niet matchende beoordelingspunten, mogelijke overschrijdingen in de geselecteerde functies van de belastbaarheid van de verzekerde alle onderkent en signaleert. Met dit onderkennen en signaleren wordt bereikt dat voor alle betrokkenen op betrekkelijk eenvoudige wijze kenbaar is dat een gemotiveerde toelichting noodzakelijk is ter onderbouwing van de passendheid van de desbetreffende functies. Op dit punt slaagt het hoger beroep van appellant derhalve.
5.4. Dit betekent dat nog wel het antwoord op de vraag voorligt – waaraan de rechtbank niet is toegekomen – of in het onderhavige geval de arbeidskundige grondslag van de schatting voldoende gemotiveerd en deugdelijk is. De Raad constateert, dat uiteindelijk vier functies zijn geduid, te weten productiemedewerker textiel(geen kleding), gereedschapsmaker, wikkelaar/samensteller en boekhouder/loonadministrateur. De Raad kan daarlaten wat er zij van de geschiktheid voor betrokkene van de tweede functie (gereedschapsmaker) en dus ook daarlaten wat er zij van de relatie van de voor deze functie geldende aanvullende opleidingseis in relatie tot de leeftijd van betrokkene. De drie resterende functies, inclusief de in hoger beroep bijgeduide functie coupeuse/ productiemedewerker textiel – welke geheel in het verlengde ligt van de hiervoor als eerste genoemde functie – kunnen immers op zich de schatting dragen. De in beroep en hoger beroep op deze functies gegeven toelichtingen – met name opgenomen in de rapporten van 12 september 2005, van 4 maart en van 17 maart 2008 van de bezwaararbeidsdeskundige Van Rhee – acht de Raad voldoende adequaat en inzichtelijk. Met name is in het genoemde rapport van 12 september 2005 voldoende gemotiveerd aangegeven, dat de in de functie van productiemedewerker textiel voorkomende productienorm niet meer is dan een streefcijfer en dat van frequent (meer dan eens per week) voorkomende productiepieken en van deadlines zonder de mogelijkheid van uitstel geen sprake is. Overigens komen bij de in dit opzicht relevante items 1.9.7 en 1.9.8. op de zogenoemde resultaat functiebeoordeling geen signaleringen voor. De Raad verwerpt de stelling van de door betrokkene ingeschakelde arbeidsdeskundige, dat uit de aard van de hier aan de orde zijnde “productiematige” functies zou voortvloeien dat er sprake is van stress en tempodruk. Uit de door de (bezwaar)arbeidsdeskundige bij de bij deze schatting gehanteerde specifieke functies gegeven toelichting volgt, dat daarvan bij bedoelde functies geen of niet in relevante mate sprake is. Bij de functie van boekhouder merkt de Raad op, dat betrokkene slechts beperkt is ten aanzien van directe en veelvuldige klantcontacten. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit acht de Raad dan ook voldoende deugdelijk.
5.5. Nu echter een als afdoende aan te merken toelichting op de geduide functies eerst in de fase van (hoger) beroep is verstrekt, dient het bestreden besluit, zij het op andere gronden dan die welke de rechtbank aan haar uitspraak ten grondslag heeft gelegd, te worden vernietigd. Wel bestaat gelet op het voren overwogene aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.
(get.) J. Riphagen.
(get.) M. Lochs.
TM