
Jurisprudentie
BF0376
Datum uitspraak2008-08-05
Datum gepubliceerd2008-12-31
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHD 103.004.532
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-12-31
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHD 103.004.532
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het hof neemt tot uitgangspunt dat het risico waartegen [appellant] zich had verzekerd zich heeft verwezenlijkt. Nu Interpolis zich op het standpunt stelt dat zij niet tot uitkering is verplicht dient zij de omstandigheden die dat standpunt rechtvaardigen te stellen en zo nodig te bewijzen.
Het hof is van oordeel dat voorshands is bewezen dat [appellant] zelf de auto heeft bestuurd ten tijde van het ongeval. Het hof baseert dit oordeel op het proces-verbaal van de politie en het onderzoek van [de expert van Interpolis], zoals weergeven in 4.2. onder f en h. Met name acht het hof van belang dat niemand een andere persoon dan [appellant] ter plaatse heeft gezien en dat [appellant] zijn stelling dat een ander heeft gereden op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen. Het aantreffen van de contactsleutel van de auto in zijn broekzak heeft [appellant] evenzeer onverklaard gelaten. [Appellant] heeft aangevoerd dat het feit dat de politierechter hem heeft vrijgesproken van het sub 2 ten laste gelegde bewijs oplevert van zijn stelling dat hij geen bestuurder was. Dat is onjuist. Art. 161 Rv bepaalt dat een op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan dwingend bewijs oplevert van dat feit. Daaruit kan niet worden afgeleid dat ook het omgekeerde geldt. Aan een vrijspraak kan niet automatisch bewijs worden ontleend van de stelling dat iemand een feit niet heeft begaan. In dit geval levert het vonnis geen bewijs op ten gunste van [appellant].
Uitspraak
typ. NJ
zaaknr. HD 103.004.532
ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,
sector civiel recht,
vierde kamer, van 5 augustus 2008,
gewezen in de zaak van:
[APPELLANT],
wonende te [...], gemeente [...],
appellant bij exploot van dagvaarding van
3 januari 2007,
procureur: mr. E.G.M. van Ewijk,
tegen:
de naamloze vennootschap N.V. INTERPOLIS SCHADE,
gevestigd te Tilburg,
geïntimeerde bij gemeld exploot,
procureur: mr. A.B.M. Kooijmans,
op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 8 november 2006 tussen appellant - [appellant] - als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerde - Interpolis - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 148941/HA ZA 05-
1211)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] twee grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog toewijzing van zijn vordering in conventie met afwijzing van de vordering in reconventie, met veroordeling van Inter-polis in de kosten van beide instanties.
2.2. Bij memorie van antwoord heeft Interpolis de grieven bestreden.
2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.
3. De gronden van het hoger beroep
Grief I houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] in strijd heeft gehandeld met art. 2 aanhef en lid 4 van de Algemene voorwaarden en niet zijn volle medewerking heeft gegeven aan Interpolis.
Grief II houdt in dat de rechtbank ten onrechte de reconventionele vordering toewijsbaar heeft geacht.
4. De beoordeling
4.1. In overweging 2.2. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.
4.2. Samengevat gaat het in dit hoger beroep om het volgende.
a. [appellant] heeft met Interpolis een motorrijtuigenverzekering gesloten. De verzekering omvat volledige cascodekking.
b. Art. 2 van de Algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst (verder te noemen: de Algemene voorwaarden) luidt als volgt:
De verzekerde is verplicht om zodra hij op de hoogte is van een gebeurtenis die voor ons tot een verplichting kan leiden:
(...)
4 ons zijn volle medewerking te verlenen en de leiding van de schaderegeling en de gerechtelijke procedures aan ons over te laten. Hij is ook verplicht alles na te laten wat de belangen van ons zou kunnen schaden.
c. Art. 4 van de Algemene voorwaarden luidt als volgt:
1 De verzekering geeft geen dekking als:
(...)
c. een verzekerde een verplichting uit de verzekering niet of niet tijdig is nagekomen en daardoor de belangen van ons heeft geschaad;
(...)
2 Als bij schade een onvolledige of onware opgave wordt gedaan, kan de verzekerde geen enkel recht aan de verzekering ontlenen.
d. Art. 4 van de Bijzondere voorwaarden motorrijtuig-verzekering (verder te noemen: de Bijzondere voorwaarden) luidt als volgt:
(...)
Van de verzekering is uitgesloten:
(...)
5. schade die is ontstaan terwijl de bestuurder van het motorrijtuig ten tijde van de gebeurtenis zo onder invloed van alcoholhoudende drank (...) verkeerde,
- dat hij niet in staat kon worden geacht het motorrijtuig naar behoren te besturen,
(...)
Als de bestuurder een ademtest (...) weigert, staat dat gelijk aan het bepaalde in de vorige zin.
e. [appellant] is eigenaar van een personenauto. Deze auto is op 30 juli 2004 beschadigd geraakt als gevolg van een eenzijdig ongeval. De auto is via een greppel in de tuin van [gedupeerde] te [...] terecht gekomen en heeft aldaar schade aangericht. [appellant] heeft de schade gemeld aan Interpolis. Interpolis heeft terzake van de aan de tuin aangerichte schade een bedrag van € 3.155,- voldaan aan de opstalverzekeraar van [de gedupeerde].
f. Van de aanrijding is proces-verbaal opgemaakt door de politie. Daarin staat onder meer vermeld dat [appellant] ter plaatse van het ongeval is aangetroffen, dat zijn adem rook naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank, dat hij bloeddoorlopen ogen had, met dubbele tong sprak en onvast ter been was. [appellant] heeft de politie medegedeeld dat hij de eigenaar van het voertuig was, maar dat hij niet daarmee had gereden. Volgens [appellant] was een ander als bestuurder opgetreden, maar hij weigerde herhaaldelijk te vertellen wie dat was. Ook weigerde hij mee te werken aan een ademonderzoek. Vermeld is ook dat de dag na het ongeval een anonieme telefonische mededeling door de politie is ontvangen, waarbij is gezegd dat [appellant] in de auto had gereden.
g. [appellant] is strafrechtelijk vervolgd wegens weigering mee te werken aan een ademonderzoek op 30 juli 2004 en vanwege het veroorzaken van gevaar op de weg. Hij is bij vonnis van 25 oktober 2004 veroordeeld terzake van het eerste feit en vrijgesproken terzake van het tweede feit.
h. Een expert van Bureau Speciale Zaken van Interpolis, [...], heeft de toedracht van het ongeval onderzocht en een onderzoeksrapport opgemaakt. Hij heeft daarin onder andere vermeld dat hem uit een gesprek met de verbalisant het volgende was gebleken:
Na de aanrijding is de politie ter plaatse gekomen. Verzekerde stond onvast ter been bij zijn voertuig. De politie heeft gevraagd wie de bestuurder van het voertuig was, verzekerde kon geen naam noemen, een vage kennis zou gereden hebben. Hij ontkende te hebben gereden. Verzekerde had de contactsleutel van de auto in zijn broekzak. In de omgeving van de schadelocatie is geen tweede persoon aangetroffen.
[De expert van Interpolis] heeft ook gesproken met [de gedupeerde] en een buurtonderzoek ingesteld. Uit die gesprekken bleek dat niemand na het ongeval een tweede persoon bij de auto heeft gezien, men zag alleen [appellant] uit de struiken komen.
Dinsdag 10 augustus 2004 sprak [de expert van Interpolis] met [appellant]. Deze verklaarde dat hij op 30 juli 2004 iemand had gezocht om hem naar huis te rijden, omdat hij overstuur was. Toevallig kwam een zekere [persoon] aanlopen, die [appellant] een paar weken eerder was tegengekomen. Deze [persoon] reed [appellant] naar huis en veroorzaakte het ongeval. [Persoon] liep na het ongeval hard weg en is verdwenen. [appellant] begreep dat zijn verhaal over [de persoon] mistig was, maar kon niets meer over hem vertellen.
4.3. [appellant] heeft van Interpolis gevorderd de schade aan zijn auto te vergoeden. Interpolis heeft dat geweigerd, aanvankelijk baseerde zij zich op art. 4 lid 5 van de Bijzondere voorwaarden, later op art. 2 lid 4 en art. 4 lid 1 sub c en lid 2 van de Algemene voorwaarden. [appellant] heeft Interpolis op 13 juli 2005 gedagvaard tot betaling van het bedrag van de door hem aan de auto geleden schade, € 11.310,46, te vermeerderen met de wettelijke rente en met € 904,- uit hoofde van buitengerechtelijke incassokosten. Interpolis heeft verweer gevoerd tegen die vordering en van haar kant in reconventie betaling gevorderd van € 3.155,- met de wettelijke rente. Dit is het bedrag dat zij op grond van de WAM heeft uitgekeerd aan de opstalverzekeraar van [gedupeerde]. Omdat [appellant] volgens Interpolis geen enkel recht met betrekking tot de onderhavige schade aan de verzekering kan ontlenen wenst Interpolis dit bedrag op [appellant] te verhalen op basis van art. 14 van de van toepassing zijnde Bijzondere voorwaarden motorrijtuigverzekering.
4.4. In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] door zijn houding jegens Interpolis onmiskenbaar heeft gehandeld in strijd met art 2 aanhef en lid 4 van de Algemene voorwaarden en niet zijn volle medewerking heeft gegeven aan Interpolis ter zake van een gebeurtenis die voor Interpolis tot een verplichting kan leiden. Zij heeft daarom de vordering jegens Interpolis afgewezen en de reconventionele vordering van Interpolis toegewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
4.5. Het hof zal bij zijn oordeel over de zaak het volledige verweer van Interpolis betrekken, nu dat op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde zou komen indien een grief van [appellant] slaagt.
Er zijn twee mogelijkheden:
A. [appellant] was zelf bestuurder ten tijde van het ongeval;
B. [appellant] was niet zelf bestuurder.
4.6. Interpolis stelt zich primair op het standpunt dat situatie A. zich heeft voorgedaan. In dat geval heeft [appellant] volgens Interpolis een onware opgave gedaan, door mede te delen dat een ander de auto had bestuurd. [appellant] kan dan op grond van art. 4 lid 2 van de Algemene voorwaarden geen enkel recht aan de verzekering ontlenen. Bovendien behoeft Interpolis dan op basis van art. 4 lid 5 van de Bijzondere voorwaarden de schade niet uit te keren, omdat [appellant] onder invloed van alcohol verkeerde en de gevorderde ademanalyse heeft geweigerd, zo stelt Interpolis.
4.6.1. Indien situatie B van toepassing is heeft [appellant] volgens Interpolis zijn uit art. 2 lid 4 en art 4 lid 1 sub c en lid 2 van de Algemene voorwaarden voortvloeiende verplichtingen geschonden door de identiteit van de bestuurder niet kenbaar te maken, waardoor de belangen van Interpolis zijn geschonden.
4.6.2. [appellant] heeft betwist dat hij bestuurder van de auto was op 30 juli 2004. Hij heeft aangevoerd dat hij krachtens het vonnis van de politierechter is vrijgesproken van het ten laste gelegde feit dat hij als bestuurder van zijn motorrijtuig de tuin van [de gedupeerde] is ingereden, hetgeen volgens hem dwingend bewijs oplevert. Omdat daarmee vaststaat dat hij geen bestuurder was ten tijde van het ongeval, kan Interpolis volgens [appellant] ook geen beroep doen op art. 4 lid 5 van de Bijzondere voorwaarden. Hij heeft op zichzelf niet weersproken dat hij onder invloed van alcohol verkeerde. [appellant] betwist voorts dat hij zijn medewerking heeft geweigerd aan Interpolis, omdat hij immers heeft meegewerkt aan het onderzoek door [de expert van Interpolis].
4.7. Het hof neemt tot uitgangspunt dat het risico waartegen [appellant] zich had verzekerd zich heeft verwezenlijkt. Nu Interpolis zich op het standpunt stelt dat zij niet tot uitkering is verplicht dient zij de omstandigheden die dat standpunt rechtvaardigen te stellen en zo nodig te bewijzen.
4.8. Het hof is van oordeel dat voorshands is bewezen dat [appellant] zelf de auto heeft bestuurd ten tijde van het ongeval. Het hof baseert dit oordeel op het proces-verbaal van de politie en het onderzoek van [de expert van Interpolis], zoals weergeven in 4.2. onder f en h. Met name acht het hof van belang dat niemand een andere persoon dan [appellant] ter plaatse heeft gezien en dat [appellant] zijn stelling dat een ander heeft gereden op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen. Het aantreffen van de contactsleutel van de auto in zijn broekzak heeft [appellant] evenzeer onverklaard gelaten. [Appellant] heeft aangevoerd dat het feit dat de politierechter hem heeft vrijgesproken van het sub 2 ten laste gelegde bewijs oplevert van zijn stelling dat hij geen bestuurder was. Dat is onjuist. Art. 161 Rv bepaalt dat een op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan dwingend bewijs oplevert van dat feit. Daaruit kan niet worden afgeleid dat ook het omgekeerde geldt. Aan een vrijspraak kan niet automatisch bewijs worden ontleend van de stelling dat iemand een feit niet heeft begaan. In dit geval levert het vonnis geen bewijs op ten gunste van [appellant].
4.9. [appellant] heeft in eerste aanleg aangeboden zijn stellingen te bewijzen door geschriften en een getuigenverklaring van zichzelf. In hoger beroep heeft zijn bewijsaanbod betrekking op zijn stelling dat hij niet zijn medewerking heeft geweigerd aan Interpolis. [appellant] heeft aangeboden te bewijzen dat hij wel degelijk navraag en onderzoek heeft gedaan naar de door hem genoemde [persoon]. Het hof is van oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld om hem toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen hetgeen het hof voorshands bewezen acht. [appellant] heeft uitsluitend gesteld dat een zekere [persoon] heeft gereden, welke stelling hij op geen enkele manier heeft verduidelijkt of onderbouwd. Ondanks zijn aankondiging in eerste aanleg heeft hij geen geschrift overgelegd waaruit steun voor zijn standpunt kan worden geput. Evenmin heeft hij zijn stelling in hoger beroep nader toegelicht. Dat betekent dat het in 4.8. weergegeven oordeel definitief is. Nu vaststaat dat [appellant] als bestuurder is opgetreden heeft Interpolis op de door haar aangevoerde gronden terecht uitkering uit hoofde van de verzekering geweigerd.
4.10. Ten overvloede overweegt het hof dat, indien zou moeten worden aangenomen dat [appellant] niet de bestuurder van de auto is geweest, het hof het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat [appellant] niet zijn volle medewerking heeft verleend aan Interpolis, zodat art. 2 lid 4 van de Algemene voorwaarden van toepassing is. [appellant] heeft immers aanvankelijk geweigerd aan de politie te vertellen wie de bestuurder was en tegenover [de expert van Interpolis] heeft hij naar eigen zeggen een mistig verhaal verteld, waarbij hij zei niets méér te kunnen verklaren. [appellant] stelt in hoger beroep wel dat hij op alle mogelijke manieren heeft getracht de identiteit van de derde te achterhalen, zonder resultaat, maar hij heeft niet medegedeeld wat hij daartoe dan heeft ondernomen en wat zijn bevindingen waren.
4.11. [appellant] heeft niet weersproken dat Interpolis er belang bij heeft zich te beroepen de artikelen 2 en 4 van de Algemene voorwaarden en art. 4 lid 5 van de Bijzondere voorwaarden (zie art. 7:941 lid 4 BW) en dat zij daarmee niet in strijd handelt met de goede naam van het verzekeringsbedrijf.
4.12. De conclusie is dat de vordering van [appellant] niet toewijsbaar is, zodat grief I niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden.
4.13. Grief II is gericht tegen de toewijzing van de reconventionele vordering. Uit het voorgaande blijkt dat het hof van oordeel is dat [appellant] geen rechten kan ontlenen aan de verzekering. Door [appellant] is niet weersproken dat Interpolis in dat geval op basis van art. 14 van de Bijzondere voorwaarden motorrijtuigverzekering het door haar aan de opstalverzekeraar van [gedupeerde] betaalde bedrag van [appellant] kan terugvorderen. Grief II faalt dus.
4.14. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Interpolis begroot op € 399,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris van de procureur;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en De Klerk-Leenen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 augustus 2008.