Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0366

Datum uitspraak2008-08-21
Datum gepubliceerd2008-09-19
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers06/3250 WWB + 06/3251 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering bijstandsuitkering. Verblijfsrecht op grond van EG-verdrag? Hof van Justitie. Geen onvoorwaardelijk recht. Toereikende bestaansmiddelen? Verblijfsgerechtigde werkzoekenden gelijk behandelen met nationale werkzoekenden? Onderscheid tussen werkzoekenden en zij die reeds werkzaam zijn of zijn geweest. Objectieve rechtvaardiging?


Uitspraak

06/3250 WWB 06/3251 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Naam appellant 1] en [naam appellant 2], wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 april 2006, 05/1590 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Echt-Susteren (hierna: College). Datum uitspraak: 21 augustus 2008 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2008. Namens appellanten is verschenen mr. Hilkens voornoemd. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.W.M.J. Wijsma. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante [S.] (hierna: [S.]) heeft de Duitse nationaliteit en is per 1 maart 2003 in Nederland gaan samenwonen met appellant [L.] (hierna: [L.]) die de Nederlandse nationaliteit heeft. 1.2. Bij besluit van 6 mei 2003 is de aan [L.] toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet per 1 maart 2003 gewijzigd in een bijstandsuitkering aan appellanten naar de norm voor gehuwden. Hierbij is aangegeven dat [S.] een aanvraag voor een verblijfsvergunning dient in te dienen bij de Vreemdelingendienst waarna aan de hand van de verblijfstitel het recht op bijstand van [S.] opnieuw zal worden bekeken. 1.3. Bij besluit van 7 december 2004 heeft de Minister voor vreemdelingenzaken en integratie de aanvraag van [S.] van 26 mei 2004 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. [S.] mocht het tegen dat besluit ingestelde bezwaar in Nederland afwachten. Aan [S.] is een verblijfsaantekening voor gemeenschapsonderdanen (sticker in paspoort) verstrekt geldig van 22 december 2004 tot 22 juni 2005, welke is afgegeven op 4 januari 2005. Hierbij is aangekruist dat een beroep op de publieke middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. 1.4. Op 17 januari 2005 heeft [S.] zich laten uitschrijven bij de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) en is zij teruggekeerd naar Duitsland. Met ingang van die datum is de bijstandsuitkering van [L.] omgezet in een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. In verband met het vertrek van [S.] naar Duitsland is haar bezwaar tegen het besluit van 7 december 2004 buiten behandeling gelaten, waartegen geen rechtsmiddel is aangewend. Op 17 februari 2005 heeft [S.] zich weer laten inschrijven in de GBA in Nederland, alwaar zij is geregistreerd met de verblijfscode 30. 1.5. Op 3 maart 2005 hebben [S.] en [L.] zich gemeld bij het CWI te Roermond voor de aanvraag van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor gehuwden per 17 februari 2005. Bij deze inschrijving is [S.] geregistreerd als werkzoekende en is aangegeven dat [S.] een vijftal sollicitaties heeft verricht. 1.6. Bij besluit van 29 maart 2005 is de aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud naar de norm voor gehuwden op grond van de WWB afgewezen op de grond dat [S.] weliswaar rechtmatig in Nederland verblijft, maar dat aan deze verblijfstitel de voorwaarde wordt gesteld dat zij geen beroep mag doen op de openbare kas. 1.7. Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft het College het tegen het besluit van 29 maart 2005 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard onder de overweging dat de EU-onderdaan die in Nederland verblijft gedurende de vrije termijn van zes maanden een verblijfsrecht heeft welke van rechtswege vervalt bij een bijstandsaanvraag. Op grond van het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland bestaat er ingevolge artikel 11, tweede lid van de WWB dientengevolge eveneens geen recht op bijstand. Voorts is artikel 16 van de WWB niet van toepassing geacht. 2. De rechtbank heeft het standpunt van het College onderschreven en het tegen het besluit van 30 augustus 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Ter zitting van de Raad is medegedeeld dat [S.] in juli 2005 naar Duitsland is vertrokken en sindsdien geen sprake meer is van een gezamenlijke huishouding. 3. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 3.1. In artikel 11, eerste lid, van de WWB is bepaald dat iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege. In het tweede lid van artikel 11 van de WWB (oud) is bepaald dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld wordt de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. In artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 is bepaald dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-Verdrag) dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte. 3.2. De Raad stelt voorop dat voor de beoordeling van de aanspraak op bijstand naar de gehuwdennorm van belang is de verblijfsrechtelijke status van [S.] op 17 februari 2005. Naar het oordeel van de Raad heeft [S.] door haar uitschrijving bij de GBA op 17 januari 2005 en vervolgens door haar vertrek naar Duitsland haar rechtmatige verblijfsstatus in Nederland verloren. Hieruit volgt dat voor [S.] bij binnenkomst in Nederland op 17 februari 2005 een nieuwe vergunningsvrije termijn van (naar de destijds geldende regelgeving) zes maanden is gaan lopen waarin zij als unieburger in beginsel een verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen. Aangezien [S.] onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie (EU) en aan het gemeenschapsrecht een verblijfsrecht meende te kunnen ontlenen, acht de Raad het aangewezen eerst te beoordelen of [S.] ten tijde in dit geding van belang een verblijfsrecht toekwam op grond van het gemeenschapsrecht. Daartoe overweegt de Raad dat de rechtmatigheid van het verblijf van een EU-onderdaan rechtstreeks voortvloeit uit het gemeenschapsrecht zoals dat is neergelegd in het EG-Verdrag en de daaruit voortvloeiende richtlijnen en verordeningen. 3.3. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen (HvJEG) van 29 april 2004, Orfanopoulus, C-482/01 en C-493/01, stelt de Raad vervolgens vast dat er bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht geen onvoorwaardelijk recht van onderdanen van een lidstaat bestaat om op het grondgebied van een andere lidstaat te reizen en te verblijven. Dit volgt uit de bepalingen inzake het vrije verkeer van personen en diensten in titel III van het derde deel en die van het tweede deel van het EG-Verdrag, en meer in het bijzonder artikel 18. Bij het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen van afgeleid recht zijn met betrekking tot dit verblijfsrecht beperkingen en voorwaarden vastgesteld. Een EU-onderdaan is aan te merken als gemeenschapsonderdaan in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 indien hij rechten kan ontlenen aan het EG-Verdrag. Het rechtmatig verblijf van economisch niet-actieve EU-onderdanen in een ander EU-land was ten tijde in geding geregeld in Richtlijn 90/364/EEG (hierna: Richtlijn 90/364) van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (Pb. 1990, L 80). Aan deze richtlijn kon [S.] evenwel geen verblijfsrecht ontlenen omdat zij niet voldeed aan de in artikel 1 van die richtlijn opgenomen voorwaarde dat de migrant over toereikende bestaansmiddelen beschikt. 3.4. De vraag of [S.] ten tijde hier van belang een verblijfsrecht kon ontlenen aan artikel 18 van het EG-Verdrag beantwoordt de Raad eveneens ontkennend. Uit de arresten van het HvJEG van 17 september 2002, Baumbast, C-413/99, en van 7 september 2004, Trojani, C-456/02, volgt dat het aan iedere burger van de Europese Unie toekomende recht om op het grondgebied van de lidstaten te verblijven niet onvoorwaardelijk is en slechts wordt toegekend onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het EG-Verdrag en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Als een van deze beperkingen en voorwaarden geldt onder meer de in artikel 1 van Richtlijn 90/364 genoemde voorwaarde dat een persoon over toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland komt. Deze beperking moet worden toegepast met inachtneming van de grenzen die het gemeenschapsrecht stelt en overeenkomstig de algemene beginselen ervan, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel. In de omstandigheden waarin [S.] ten tijde hier van belang verkeerde, kon zij aan artikel 18 van het EG-Verdrag niet het recht ontlenen op het grondgebied van Nederland te verblijven, omdat zij, zoals hiervoor vastgesteld, niet over toereikende bestaansmiddelen beschikte. Niet kan worden gezegd dat het tegenwerpen van de middeleneis een verdergaande beperking oplevert van het verblijfsrecht van [S.] dan noodzakelijk is met het oog op het met die eis gediende belang. 3.5. Voorts stelt de Raad vast dat [S.], gelet op de onherroepelijk geworden weigering tot het verlenen van een verblijfsvergunning bij besluit van 7 december 2004, ten tijde hier van belang niet wettig in Nederland verbleef, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h van de Vreemdelingenwet 2000, zodat zij in zoverre geen aanspraak kon maken op het in artikel 12 van het EG-Verdrag neergelegde fundamenteel beginsel van gelijke behandeling. 3.6. Wat betreft de namens [S.] opgeworpen stelling dat zij moet worden aangemerkt als een verblijfsgerechtigde werkzoekende en in die hoedanigheid recht heeft op gelijke behandeling met nationale werkzoekenden overweegt de Raad het volgende. Zoals onder meer blijkt uit de arresten van HvJEG van 26 februari 1991, Antonissen, C-292-89, en van 23 maart 2004 Collins, C-138/02, ontleent een EG-werkzoekende rechtstreeks aan artikel 39 van het EG-Verdag een verblijfsrecht gedurende een redelijke termijn om werk te zoeken in andere lidstaten. Onderdanen van lidstaten die nog geen dienstbetrekking hebben gevonden in de ontvangende lidstaat waar zij werk zoeken, worden onderscheiden van die welke reeds werkzaam zijn in deze lidstaat of er hebben gewerkt en die, ofschoon zij thans geen dienstbetrekking hebben, als werknemers worden aangemerkt. De onderdanen van de lidstaten die zich verplaatsen om werk te zoeken, hebben slechts recht op gelijkheid van behandeling wat de toegang tot de arbeid betreft, terwijl zij die reeds tot de arbeidsmarkt zijn toegetreden, overeenkomstig artikel 7, tweede lid, van verordening (EEG) nr. 1612/68 recht hebben op dezelfde sociale en fiscale voordelen als de nationale werknemers. Naar het oordeel van de Raad betekent dit dat een werkzoekende als [S.], die nog niet gedurende een redelijke termijn effectief naar werk heeft gezocht en waar een band met de arbeidsmarkt van de lidstaat waarin naar werk wordt gezocht ontbreekt geen recht heeft op een sociale bijstandsuitkering, onder dezelfde voorwaarden als eigen onderdanen, tenzij de weigering van een dergelijke uitkering niet op objectieve gronden valt te rechtvaardigen. De Raad ziet in het geval van [S.] geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de weigering van bijstand naar de norm voor gehuwden ten tijde van belang niet objectief gerechtvaardigd zou zijn. 3.7. Gelet op het vorenstaande kan niet worden aangenomen dat [S.] ten tijde hier van belang een verblijfsrecht in Nederland had op grond waarvan zij ingevolge artikel 11 van de WWB voor het recht op (gehuwden)bijstand met een Nederlander kon worden gelijkgesteld. Dit betekent dat de rechtbank het besluit van het College tot weigering van een uitkering aan appellanten naar de norm voor gehuwden op grond van artikel 11 van de WWB terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking. 3.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2008. (get.) T.L. de Vries. (get.) C. de Blaeij. OA