
Jurisprudentie
BF0363
Datum uitspraak2008-09-05
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/529148-05 (Promis)
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13/529148-05 (Promis)
Statusgepubliceerd
Indicatie
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11(oud) van de Opiumwet.
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet, gegeven verbod.
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/529148-05 (Promis)
Datum uitspraak: 5 september 2008
op tegenspraak
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres 5].
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 en 22 augustus 2008.
1. Telastelegging
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de vordering tot nadere omschrijving der feiten.
Aan verdachte is telastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 18 september 2005 tot en met 12 oktober 2005 te Amsterdam en/of Zwanenburg en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (naar Denemarken) heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van van de Opiumwet, (ongeveer) 345 kilogram hash, in elk geval meerdere kilo’s van een hoeveelheid van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
artikel 3/A Opiumwet juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht;
2.
hij op of omstreeks 28 maart 2006 te Zwanenburg, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- in een voertuig, (merk Fiat, type Ducato), ongeveer 803 kilo hash en/of
- in een loods aan de [adres 1] te Zwanenburg (ongeveer) 943 kilo hash en/of
- in een loods aan de [adres 2] te Zwanenburg (ongeveer) 210 kilo hash,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram, van een materiaal bevattende een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hashish), in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
artikel 3C Opiumwet juncto artikel 47 Wetboek van Strafrecht.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:
1.
in de periode van 18 september 2005 tot en met 12 oktober 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland naar Denemarken heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 345 kilogram hash;
2.
op 28 maart 2006 te Zwanenburg, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- in een voertuig, merk Fiat, type Ducato, ongeveer 803 kilo hash en
- in een loods aan de [adres 1] te Zwanenburg ongeveer 943 kilo hash en
- in een loods aan de [adres 2] te Zwanenburg ongeveer 210 kilo hash.
Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
4. Motivering bewezenverklaring, bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan
4.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen onder 1 en 2 is telastegelegd.
4.2. Bespreking (bewijs)verweren van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 telastegelegde, voor zover het de in de loodsen aan de [adres 1] en [adres 2] te Zwanenburg aangetroffen hash betreft, dient te worden vrijgesproken en heeft daartoe in het bijzonder het navolgende opgemerkt.
Ten aanzien van de verklaring van [medeverdachte 2].
Door de raadsman is gesteld dat de door [medeverdachte 2] ten overstaan van politie en rechter-commissaris afgelegde verklaringen niet tot het bewijs van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten mogen worden gebruikt en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
[medeverdachte 2] is in februari 2007 door de rechter-commissaris als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard dat hij CIE-informant is en dat hij de informatie dat de medeverdachte [medeverdachte 1] een wapen draagt aan de politie heeft gegeven. Hij heeft voorts verklaard dat de politie wist van zijn kleine hash-handel en dat die handel werd gedoogd. Dit is een onjuiste gang van zaken. Een CIE-informant mag geen informant zijn in een zaak waarin hij zelf verdachte is. Nu hij daarnaast zelf handelt in hash, is hij dus infiltrant. [medeverdachte 2] moet daarom als getuige worden gediskwalificeerd. Er is immers sprake van (een gevaar voor) dubbeltelling: [medeverdachte 2] treedt in het dossier op als verdachte, getuige en CIE-informant.
De officier van justitie is van mening dat geen sprake is van dubbeltelling. Dit verweer is al eerder door de rechtbank verworpen. Van een dubbeltelling is sprake als er twee verklaringen zijn die van twee bronnen afkomstig lijken te zijn terwijl het in werkelijkheid één bron betreft. [medeverdachte 2] heeft informatie gegeven over het wapen maar is daaromtrent niet als getuige gehoord. Het is een reuzensprong van het handelen in hash door [medeverdachte 2] naar het zijn van infiltrant. Daarvan is geen sprake; het is niet zo dat [medeverdachte 2] onder verantwoordelijkheid van de zaaksofficier van justitie in dit onderzoek als infiltrant heeft opgetreden.
De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt.
Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat [medeverdachte 2] in deze zaak heeft opgetreden als infiltrant. De enkele verklaring van [medeverdachte 2] dat hij zelf op kleine schaal in hash handelde en de politie dat zou weten, is daartoe volstrekt onvoldoende. De officier van justitie heeft voorts desgevraagd ter zitting verklaard dat [medeverdachte 2] niet onder zijn verantwoordelijkheid in deze zaak heeft opgetreden als infiltrant.
Zoals de rechtbank reeds ter zitting van 8 maart 2007 heeft geoordeeld, is een situatie waarin zich (de mogelijkheid van) een dubbeltelling voordoet, niet aan de orde. Er is geen sprake van een situatie waarin een getuige zowel op naam als anoniem een verklaring zou hebben afgelegd die voor het bewijs “dubbel” zou kunnen worden gebruikt. Het dossier bevat uitsluitend verklaringen die op naam zijn afgelegd. Dat [medeverdachte 2] voorts de verstrekker zou zijn van de informatie dat verdachte in het bezit is van een pistool, welke informatie in een CIE-proces-verbaal is opgenomen, maakt dit niet anders. [medeverdachte 2] is hieromtrent niet gehoord en overigens is het bezit van een pistool niet aan verdachte ten laste gelegd.
Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Er bevindt zich geen stemvergelijkend onderzoek van het NFI in het dossier, waaruit blijkt dat verdachte [alias 1 verdachte ] of [alias 2 verdachte] is. Bovendien komen er nogal wat johnny’s in het dossier voor.
[medeverdachte 3] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat de [naam van verdachte] hem niets zegt. [medeverdachte 4] heeft hem wel eens iets verteld over [alias 3 verdachte], maar [medeverdachte 3] verklaart dat hij niet weet of het waar is wat [medeverdachte 4] hem heeft verteld. [medeverdachte 3] herkent verdachte niet van de foto die de rechter-commissaris hem toont. De verklaringen van [medeverdachte 3] leveren geen bewijs tegen verdachte. [medeverdachte 4] heeft als getuige ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte niet herkent. Zijn verklaring komt authentiek over. [medeverdachte 2] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat volgens hem [alias 1 medeverdachte 5] en [alias 2 medeverdachte 5], die hij daar een keer heeft ontmoet, één en dezelfde zijn. [alias 1 medeverdachte 5] is [medeverdachte 5], zo blijkt uit het dossier. [medeverdachte 2] is nooit aan [alias 3 verdachte], die volgens [medeverdachte 1] de baas was, voorgesteld.
Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde.
Verdachte heeft verklaard dat hij [medeverdachte 6] één keer heeft geholpen omdat die stotterde. Verdachte wist echter niet hoeveel verdovende middelen er in de bus, die [medeverdachte 6] bestuurde, zaten en de officier van justitie dicht verdachte een veel te grote rol toe. Van de overige partijen hash die in de loodsen van [medeverdachte 6] waren aangetroffen had verdachte geen wetenschap. Hij had een andere reden om daar aanwezig te zijn. Hij hielp de vriendin van [medeverdachte 6] met het opbouwen en afbreken van haar strandtent. Die spullen bevonden zich in de loods van [medeverdachte 6]. De enkele aanwezigheid van verdachte in de loods is dan ook niet voldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
4.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht voor haar beslissing dat verdachte het hiervoor onder 3 bewezengeachte heeft begaan het volgende van belang.
- Het rechercheonderzoek “Artemis” is op 21 maart 2005 opgestart, naar aanleiding van op
15 en 16 maart 2005 bij de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland binnengekomen informatie dat [medeverdachte 7], [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] zich bezig houden met de handel in verdovende middelen . Uit de in dit onderzoek opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken op het nummer van [medeverdachte 9] blijkt dat [medeverdachte 9] contact heeft met [alias 1 medeverdachte 10], waarna ook het nummer van [alias 1 medeverdachte 10], [telefoonnummer 1] wordt getapt (taplijn 21). Op dit nummer komen er gesprekken van [alias 1 medeverdachte 1] met telefoonnummer [telefoonnummer 2] binnen. Vervolgens wordt dit nummer van [alias 1 medeverdachte 1] getapt (taplijn A27). Later in het onderzoek blijkt de onbekende [alias 1 medeverdachte 10] te zijn genaamd [medeverdachte 10] . De identiteit van [alias 1 medeverdachte 1] is vastgesteld naar aanleiding van een telefoongesprek van [alias 1 medeverdachte 1] op 18 juli 2005 om 15.11 uur met een BMW-dealer in Zaandam. In dit gesprek stelt hij zich voor als [medeverdachte 1] en noemt hij het kenteken van zijn auto. Het kenteken blijkt op naam gesteld te zijn van [medeverdachte 1]. Na raadpleging van het X-polsysteem van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland en het de landelijke bevolkingsadministratie kan worden vastgesteld dat [alias 1 medeverdachte 1] is genaamd [medeverdachte 1], geboren op [geboortedatum] 1961, wonende [adres 3] . De ingestelde taps lopen door en worden uitgebreid.
- Aan [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 11], [medeverdachte 2], [medeverdachte 12] en [medeverdachte 13] is een fosloserie getoond. Fosloserie 2 foto 9 betreft een foto van [medeverdachte 1] . Allen hebben [medeverdachte 1] van voornoemde foto herkend als degene die zij [alias 2 medeverdachte 1] of [alias 3 medeverdachte 1] noemen .
Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde.
De bewijsmiddelen
- Op 12 oktober 2005 is [medeverdachte 3] in Denemarken bij de grens met Duitsland aangehouden. In de vrachtauto van [medeverdachte 3] zijn dozen met verdovende middelen in beslaggenomen . Gelet op een rapport van het Gerechtelijk laboratorium in Denemarken en het veroordelend vonnis van [medeverdachte 3] in Denemarken, betreft het ongeveer 345 kilo hash .
- De verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] omtrent dit transport .
[medeverdachte 3] heeft onder meer verklaard dat hij ongeveer veertien dagen voor het transport door [medeverdachte 4] is benaderd om een partij hash naar Denemarken te rijden. Omdat hij al een andere vracht had gepland kon hij niet eerder vertrekken dan op 11 oktober 2005. [medeverdachte 4] heeft deze verklaring bevestigd en heeft verklaard dat hij [medeverdachte 3] in opdracht van verdachte heeft benaderd voor het transport. Het betrof een lading van 300 à 400 kilo hash. Zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 4] hebbben verklaard dat [medeverdachte 3] op 11 oktober 2005 naar de schuur van [persoon 1] in Binnenwijzend is gereden, alwaar de partij hash in de vrachtwagen is geladen. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] waren daar beiden aanwezig. Na het laden heeft [medeverdachte 4] [persoon 2] opgehaald. Beiden fungeerden als voorrijder bij het transport. Zij hebben [medeverdachte 3] bij de grensovergang gebeld en doorgegeven dat de kust veilig was. [medeverdachte 4] heeft voorts verklaard dat verdachte de dozen hash naar de boerderij van [persoon 1] heeft gebracht. [medeverdachte 1] is er met zijn personenauto naar toe gereden, iemand anders bestuurde de bus met de dozen hash.
- Diverse telefoongesprekken in de periode van 18 september 2005 tot en met 12 oktober 2005 tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [alias 1 verdachte] . Deze gesprekken betreffen het regelen van een chauffeur, het regelen van de dag en het tijdstip van het transport alsmede het laden van de dozen hash in de vrachtwagen en doorgeven van de plaats van aflevering in Denemarken. De inhoud van deze gesprekken sluit bovendien aan op voornoemde verklaringen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]. Uit de gesprekken blijkt bovendien dat [medeverdachte 1] regelmatig bij [medeverdachte 4] informeert of al bekend is wanneer [medeverdachte 3] zal gaan rijden en dat hij [alias 1 verdachte] al dan niet desgevraagd op de hoogte houdt van de stand van zaken.
- Het onderzoek waaruit blijkt dat [alias 1 verdachte] is genaamd [verdachte]. De identiteit van
[alias 1 verdachte] is vastgesteld naar aanleiding van een gesprek van [alias 1 verdachte] op 13 januari 2006 om 13.00 uur waarin hij een afspraak maakt om die middag om 13.00 uur bij zijn vriendin langs te gaan en de observatie die vervolgens op het woonadres van die vriendin, te weten [adres 4] is gestart. Gezien is dat de man die voornoemd perceel binnengaat, is komen aanrijden in een BMW, voorzien van kenteken [kentekennummer 1]. Blijkens navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer staat dit kenteken op naam van [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende [adres 5]. Daarnaast is door stemherkenning vastgesteld dat deze man dezelfde man is die gebruik maakt van het nummer [telefoonnummer 3] (A46) .
- De verklaring van [medeverdachte 4] op 7 maart 2006 dat hij in 2004 samen met [medeverdachte 13] een transport dat geregeld was door [medeverdachte 1] en [alias medeverdachte 5] naar Denemarken heeft gereden. Ze moesten laden in Zwanenburg, over de brug naar links en dan naar rechts een industrieterrein op. Ze hebben 3 à 4 honderd kilo hash vervoerd .
- De verklaring van [medeverdachte 4] op 9 maart 2006 dat hij begin 2004 een partij hash naar Zweden heeft gereden en dat de partij is geladen bij een loods op een industrieterrein in Zwanenburg. [medeverdachte 4] is eerst naar een parkeerterrein in Zwanenburg/Halfweg gereden, bij de suikerfabriek, waar hij de aanhanger heeft afgekoppeld. Daar heeft hij [verdachte] ontmoet. Vervolgens is hij naar een loods op een industrieterrein in Zwanenburg gereden, waar de dozen hash zijn ingeladen .
- De verklaring van [medeverdachte 4] op 9 maart 2006 wanneer hij met de verbalisanten is gaan rijden naar verschillende locaties waar [medeverdachte 4] over heeft verklaard. [medeverdachte 4] wijst [adres 1] te Zwanenburg aan als de plaats waar hij een partij hash van ongeveer 5000 kilogram naar toe heeft gebracht. Hij heeft de partij uit Mijdrecht opgehaald met een vrachtwagen. [medeverdachte 4] is rechtstreeks de loods ingereden. Bij het lossen van de partij was verdachte ook aanwezig. [medeverdachte 4] verklaart ook dat hij eens een partij hash de loods aan [adres 2] te Zwanenburg in heeft gereden .
- De verklaring van [medeverdachte 3] op 20 maart 2006 dat hij [verdachte] uit Amstelveen een keer heeft gezien in Zwaag op het industrieterrein van de oude veiling. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] waren er ook bij. Volgens [medeverdachte 3] bleek uit deze ontmoeting dat [medeverdachte 1] voor en met [verdachte] werkte. Het was duidelijk dat zij zorgden voor de distributie van de hash. [verdachte] is een grote Hollandse kerel .
- De verklaring van [medeverdachte 12] dat hij in de eerste helft van 2004 een rit naar Kristianstadt in Zweden heeft gereden in opdracht van [medeverdachte 15] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 12] heeft geladen in Halfweg of Zwanenburg bij een grote kale man, die daar samen met [medeverdachte 1] was. Het waren ongeveer 20 dozen .
-De eigen waarneming van de rechtbank ter zitting van 21 en 22 augustus 2008 dat verdachte aan de door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 12] gegeven beschrijving van verdachte voldoet.
- De verklaring van [medeverdachte 2] op 15 augustus 2006 dat [medeverdachte 4] één keer hash geladen heeft in Zwanenburg uit een loods in Halfweg op een bedrijventerrein. [medeverdachte 2] is er twee keer geweest. Hij heeft daar gesproken met [verdachte] en [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] herkent verdachte op fotonummer 4 van de Foslo serie Artemis deel 3 –A als [verdachte]. Hij heeft hem in Zwanenburg ontmoet. [verdachte] reed altijd met een gele bus. [verdachte] heeft [medeverdachte 2] verteld dat hij op Schiphol heeft gewerkt .
- Het proces-verbaal van samenstellen Foslo Serie Artemis deel 1 tot deel 8, inhoudende onder meer dat Fosloserie 3-A fotonummer 4 een foto van verdachte betreft .
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij ruim 20 jaar op Schiphol heeft gewerkt.
Overweging rechtbank ten aanzien van het verweer en conclusie
Door de raadsman is gesteld dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank deelt, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, deze stelling niet. De identiteit van [alias 1 verdachte] is onder meer vastgesteld op grond van een observatie. De stemherkenning heeft weliswaar niet plaatsgevonden door het NFI, maar de rechtbank acht geen omstandigheden aannemelijk geworden om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De rechtbank neemt daarbij voorts het volgende in aanmerking. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat een [verdachte] bij Zwanenburg betrokken is en dat er partijen hash bij een loods in Zwanenburg worden gelost en geladen. [medeverdachte 2] herkent verdachte van een foto als de [verdachte] die hij in Zwanenburg heeft ontmoet met [medeverdachte 1], en die hem heeft verteld dat hij op Schiphol heeft gewerkt. Verdachte heeft bevestigd dat hij op Schiphol heeft gewerkt. Dit in combinatie met de inhoud van de telefoongesprekken van [alias 1 verdachte] en de observatie, leidt naar het oordeel van de rechtbank dat vastgesteld kan worden dan [alias 1 verdachte] verdachte is.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder
1 telastegelegde feit heeft begaan.
Ten aanzien van het onder 2 telastelegde.
De bewijsmiddelen
- Diverse telefoongesprekken op 27 maart 2006 en 28 maart 2006 tussen verdachte en [alias 1 medeverdachte 17] waaruit blijkt dat zij een afspraak maken elkaar te ontmoeten. Verdachte zal op 27 maart 2006 zijn auto parkeren op de grote parkeerplaats bij het AC restaurant en de Mc Donalds bij afslag 17 op de A27 richting Breda en [alias 1 medeverdachte 17] zal zijn sleutel oppakken. Verdachte zou zijn auto 28 maart 2006 ’s ochtends weer ophalen. Op 28 maart 2006 ’s ochtends hebben verdachte en [alias 1 medeverdachte 17] wederom contact met elkaar. Ze hebben het over twee van diezelfde blauwe dingen. Dezelfde als de vorige keer. 27 stuks. [alias 1 medeverdachte 17] gaat tellen. Ze spreken af elkaar te ontmoeten .
- Het proces-verbaal van observatie op 27 maart 2006 dat is gestart naar aanleiding van de gemaakte afspraak tussen verdachte en [alias 1 medeverdachte 17] bij de Mc Donalds. Gezien wordt dat verdachte zijn auto parkeert op een parkeerterrein bij de Mc Donalds aan de [adres 6] te Oosterhout, vlakbij de Fiat Ducato met kenteken [kentekennummer 2]. Verdachte en de bestuurder van de bus stappen uit. Wanneer verdachte en de bestuurder de kofferbak van de auto van verdachte openen wordt gezien dat er een kartonnen doos in staat, omwikkeld met tape. Een man met een meditteraan uiterlijk maakt contact met [verdachte]. De bestuurder van de Ducato rijdt weg en maakt contact met de bestuurder van een Volkswagen Golf. De Ducato rijdt achter de Golf aan naar Bavel .
- Het proces-verbaal van observatie van 28 maart 2006, waarin gezien wordt dat de Ducato op de Rijksweg A2 ter hoogte van Maarsen in de richting van Amsterdam rijdt en dat verdachte achter de bus rijdt. Ter hoogte van de afslag Aalsmeer haalt verdachte de bus in en rijdt door. De Ducato stopt op het bedrijventerrein aan de [adres 7] te Zwanenburg. De auto van verdachte staat daar reeds geparkeerd. Verdachte en [medeverdachte 16], de bestuurder van de Fiat Ducato, worden aangehouden .
- Het proces-verbaal van aanhouding van [medeverdachte 16] en het proces-verbaal van inbeslagneming, waarin wordt vermeld dat er 15 grijze pakketten van in totaal 493,87 kilogram en 10 blauwe pakketten van in totaal 309,23 kilogram op 28 maart 2006 zijn aangetroffen in de Fiat Ducato. Deze pakketten zijn inbeslaggenomen .
- Het proces-verbaal van doorzoeking [adres 1] te Zwanenburg, waaruit blijkt dat er op 28 maart 2006 het volgende is aangetroffen:
op de begane grond onder de trap 5 dozen inhoudende 88,48 kilogram hash,
in de zolder/bergruimte op de 1e etage 3 roodkleurige plasticzakken, inhoudende 12,39 kilogram hash, 13 dozen inhoudende 304,96 kilogram hash en 21 dozen inhoudende 536,08 kilogram en in de kantoorruimte een mobiele telefoon, merk Nokia, kleur grijs (DOM-97-KANT-004) .
- Het proces-verbaal van doorzoeking [adres 2], te Zwanenburg en het proces-verbaal van inbeslagneming, waarin wordt vermeld dat in zeecontainer 12 acht dozen met daarin op hash gelijkende waar en op de dozen een plastic pakket met een aantal plakken op hash gelijkende waar zijn aangetroffen. Rechtsachter in de container, in de onmiddellijke omgeving waar de dozen waren aangetroffen was een opening in de wand gemaakt, die leidde naar de ruimte nummer 20. De ruimte nummer 20 werd gebruikt voor de opslag van strandattributen, zoals strandstoelen en dergelijke .
- Een verslag van onderzoek waaruit blijkt dat de in de auto, op de zolder/bergruimte en in de loods aangetroffen verdovende middelen hash zijn .
- De verklaring van verdachte op 7 april 2006 dat de mobiele telefoon die tijdens de doorzoeking is aangetroffen in de kantoorruimte van de [adres 1] (DOM87/kant/04) van hem is .
- De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij [medeverdachte 6] heeft geholpen bij de levering van de hash in de bus. Hij heeft een paar telefoontjes voor hem doorgegeven, omdat [medeverdachte 16] stotterde. Verder heeft verdachte verklaard dat hij wel eens in de loods aan de [adres 2] te Zwanenburg kwam.
Overweging van de rechtbank ten aanzien van het verweer en conclusie
Door de raadsman is gesteld dat verdachte geen wetenschap had van de partijen hash in de loodsen in de [adres 1] en [adres 2] in Zwanenburg.
De rechtbank acht deze stelling niet aannemelijk geworden en gaat hieraan dan ook voorbij. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Gelet op hetgeen hiervoor reeds ten aanzien van het onder 1 telastegelegde is opgemerkt, blijkt dat verdachte betrokken is bij de handel in hash, waarbij er hash van en naar [adres 1 en 2] werd getransporteerd. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij wel eens in de loods kwam in verband met het opbouwen en afbreken van de strandtent Venice Beach. Blijkens voornoemd proces-verbaal van doorzoeking waren deze spullen opgeslagen in [adres 1], container 20, en bevond de toegang van deze container zich achter in de container met nummer 12, waar de dozen met hash zijn aangetroffen. Daarnaast hing de jas van verdachte ten tijde van zijn aanhouding op 28 juni 2006 over een stoel in het kantoor, gevestigd in [adres 1]. Dit alles in onderlinge samenhang bezien en voorts gelet op de inhoud van voornoemde telefoongesprekken, waarin onder meer wordt gesproken over diezelfde als de vorige keer, acht de rechtbank het dan ook niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij zelf heeft verklaard, slechts éénmalig behulpzaam is geweest bij het vervoer van de lading hash die in de bus is aangetroffen. Naar het oordeel van de rechtbank kan het dan ook niet anders zijn dan dat verdachte wetenschap had van het feit dat er hash in de loodsen was opgeslagen en in zijn machtssfeer viel, in de zin van de Opiumwet.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 2 telastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
346 dagen met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht als mede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaar.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft met zijn mededaders een grote hoeveelheid hash vanuit Nederland naar Denemarken uitgevoerd. Verdachte had bij dit transport de contacten met de afnemers en vervulde samen met verdachte [medeverdachte 1] een sturende rol. Op 28 maart 2006 heeft verdachte met een mededader ruim 800 kilo hash in een bestelbus vervoerd. In twee loodsen waartoe verdachte de toegang had zijn voorts grote hoeveelheden hash aangetroffen. Blijkens verklaringen van enkele medeverdachten dienden de loodsen als opslagruimte voor hash en is verdachte verschillende keren aanwezig geweest bij het lossen van (vracht)auto’s met hash bij deze loodsen of het laden van hash in (vracht)wagens vanuit deze loodsen, bestemd voor of afkomstig uit het buitenland. De internationale illegale handel in softdrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het drugsgebruik te reguleren, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen dienen daarom krachtig te worden bestreden.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging mede gelet op een de verdachte betreffend uittreksel van het justitieel documentatieregister van de Centrale Justitiële Documentatie, gedateerd
17 juli 2008, waaruit blijkt dat verdachte reeds drie keer eerder is veroordeeld voor handel in verdovende middelen.
Gelet hierop en gelet op de ernst van de bewezen feiten acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden. Voorts acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, opdat verdachte, voor wie immers na aftrek van het gedeelte dat hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf resteert, zich gedurende de proeftijd bewust zal blijven van het feit dat hem een gevangenisstraf boven het hoofd hangt indien hij gedurende die tijd wederom met Justitie in aanraking zou komen.
Verbeurdverklaring
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten de onder nummers 1, 7 t/m 11 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, vermelde voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het in rubriek 3 onder 2 bewezen geachte is begaan.
8. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 47 en 57 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11(oud) van de Opiumwet.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
9. Beslissing
Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet, gegeven verbod.
Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 346 dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.
Beveelt dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Verklaart verbeurd:
- De onder de nummers 1 en 7 t/m 11 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen.
Gelast de teruggave aan verdachte van:
- De onder de nummer 2 t/m 6 en 12 t/m 46 op de als bijlage aan dit vonnis gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerpen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,
mrs. I.M. Bilderbeek en J.G. Sillevis Smitt, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.N. van Rappard, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 september 2008.