Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0344

Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers374870 / CV EXPL 08-2394
Statusgepubliceerd
SectorSector kanton


Indicatie

Eiseres, kabelexploitant, vordert van gedaagde achterstallig abonnementsgeld in verband met het door eiseres aan gedaagde geleverde analoge t.v.-signaal, na opzegging door gedaagde van digitale televisie. Het beroep van gedaagde op artikel 3:35 BW (gerechtvaardigd vertrouwen) slaagt, nu eiseres de opzegging ongeclausuleerd heeft geaccepteerd en vanaf juni 2002 geen bedragen meer heeft geïncasseerd, zonder gedaagde te laten weten dat hij tot eind 2002 geen abonnementskosten behoefde te betalen en waarom niet, terwijl voorts gesteld noch gebleken is dat eiseres gedaagde erop heeft gewezen dat opzegging van de digitale televisie niet de beëindiging van het gehele contract tot gevolg zou hebben en ook de toepasselijke voorwaarden hieromtrent geen enkele duidelijkheid verschaffen. De vordering wordt afgewezen.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector kanton Locatie Haarlem zaak/rolnr.: 374870 / CV EXPL 08-2394 datum uitspraak: 3 september 2008 VONNIS VAN DE KANTONRECHTER inzake de besloten vennootschap UPC NEDERLAND B.V. te Amsterdam eisende partij in conventie verwerende partij in reconventie hierna te noemen UPC gemachtigde: Van Arkel gerechtsdeurwaarders tegen [gedaagde] te [woonplaats] gedaagde partij in conventie eisende partij in reconventie hierna te noemen [gedaagde] gemachtigde: mr. A.L. Miedema In conventie en in reconventie De procedure UPC heeft [gedaagde] op 20 februari 2008 gedagvaard en gevorderd (in conventie) conform de dagvaarding. [gedaagde] heeft geantwoord en een tegenvordering (in reconventie) ingesteld. Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, hebben partijen over en weer schriftelijk gereageerd, UPC als laatste. De feiten 1. UPC verzorgt in de gemeente Haarlem de levering van het signaal voor de ontvangst van radio- en televisieprogramma’s via een centraal antennesysteem. De ontvangst van televisieprogramma’s kan via een analoog of een digitaal signaal plaatsvinden. 2. [gedaagde] heeft in december 2001 met UPC een overeenkomst gesloten, waarbij [gedaagde] heeft aangegeven het televisiesignaal digitaal te willen ontvangen. 3. Op 26 maart 2002 heeft [gedaagde] de apparatuur voor de ontvangst van het digitale televisiesignaal bij de winkel van UPC te Haarlem ingeleverd. 4. Na op 24 mei 2002 een bedrag van € 86,15 te hebben geïncasseerd, heeft UPC in 2002 geen bedragen meer van de rekening van [gedaagde] afgeschreven. 5. Vanaf 13 januari 2003 tot en met 14 augustus 2003 heeft UPC maandelijks via automatische incasso een bedrag van telkens € 7,60 van de bankrekening van [gedaagde] afgeschreven. 6. Op 10 september 2003 heeft [gedaagde] een bedrag van € 16,70 aan UPC voldaan. 7. Op 12 september 2003 en 12 december 2003 heeft UPC een bedrag van respectievelijk € 7,60 en € 6,10 via automatische afschrijving geïncasseerd . 8. In de periode vanaf 21 januari 2004 tot en met 1 november 2005 heeft UPC maandelijkse bedragen van de bankrekening van [gedaagde] afgeschreven. 9. De op 30 augustus 2005, 4 oktober 2005 en 1 november 2005 geïncasseerde bedragen zijn gestorneerd. 10. Bij factuur van 29 november 2005 heeft UPC [gedaagde] een bedrag van € 64,27 in rekening gebracht in verband met (onder andere) abonnementskosten “Standaardpakket Radio/TV gemeente Haarlem”. 11. Bij brief van 6 januari 2006 heeft [gedaagde] tegen voornoemde factuur bezwaar aangetekend, waarbij hij onder meer het volgende heeft opgemerkt: “Ik heb geen idee waar deze rekening toe dient, aangezien ik in 2002 alle diensten met betrekking tot de UPC heb opgezegd en deze ook zijn beëindigd.” 12. Bij facturen van 6 januari 2006 en 9 februari 2006 heeft UPC [gedaagde] respectievelijk € 127,24 en € 85,57 in rekening gebracht. Blijkens de specificatie van de laatste factuur heeft deze mede betrekking op: “Beëindiging UPC Standaardpakket Radio/TV Gem. Haarlem”. 13. Bij brief van 13 maart 2006 heeft [gedaagde] tegen de factuur van 9 februari 2006 bezwaar gemaakt, waarbij hij wederom heeft gesteld in juni 2002 alle diensten van UPC te hebben opgezegd. [gedaagde] heeft voorts opgemerkt alle betalingen vanaf juni 2002 terug te vorderen. 14. Bij brief van 28 april 2006 heeft de incassogemachtigde van UPC [gedaagde] gesommeerd tot betaling van € 129,82 inclusief rente en buitengerechtelijke incassokosten. 15. Bij brief van 19 mei 2006 heeft [gedaagde] aan de incassogemachtigde van UPC laten weten het niet met de vordering eens te zijn, waarbij hij onder meer het volgende heeft opgemerkt: “Zoals wij UPC ook al meerdere malen hebben verteld hebben wij alle diensten met betrekking tot de UPC in juni 2002 […] beëindigd.” 16. Bij brief van 29 augustus 2006 heeft de incassogemachtigde van UPC onder meer het volgende aan [gedaagde] medegedeeld: “UPC Nederland B.V. deelt ons mee dat zij geen opzegging van u heeft ontvangen.” 17. Bij brief van 7 september 2006 heeft [gedaagde] daarop onder meer het volgende geantwoord: “Mocht UPC Nederland nooit van ons een opzegging hebben ontvangen waarom zijn na 18 juni 2002 geen facturen meer gestuurd […] ?.” 18. Bij brief van 10 oktober 2006 heeft de incassogemachtigde van UPC hier onder meer het volgende op geantwoord: “[…] UPC […] geeft aan dat u inderdaad een abonnement […] heeft opgezegd. Dit betreft uw abonnement voor Digitale Televisie. Deze vordering heeft echter betrekking op uw abonnement voor Kabeltelevisie. Indien u van mening bent dat u dit abonnement ook heeft opgezegd, dient u hiervan een bewijs over te leggen. U krijgt namelijk bij het opzeggen in de UPC winkel altijd een bewijs van opzegging.” In conventie De vordering van UPC UPC vordert (samengevat) veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 130,10. UPC stelt daartoe het volgende. [gedaagde] heeft een bedrag van € 127,24 ter zake van abonnementskosten voor het Standaardpakket Radio/TV onbetaald gelaten. Op dit bedrag kan € 41,67 in mindering strekken in verband met de beëindiging van het abonnement. [gedaagde] dient dus nog een bedrag van € 85,57, zoals bij factuur van 9 februari 2006 aan hem in rekening gebracht, te voldoen. Omdat [gedaagde] met betaling in verzuim is gekomen, is hij tevens de wettelijke rente verschuldigd. Deze bedraagt, berekend tot 20 februari 2008, € 7,53. Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [gedaagde] UPC genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven. UPC heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 37,00. Deze kosten komen ingevolge de toepasselijke voorwaarden dan wel de wet voor rekening van [gedaagde]. Het verweer [gedaagde] betwist de vordering. Hij voert daartoe, voor zover van belang, het volgende aan. [gedaagde] heeft in december 2001 met UPC een overeenkomst gesloten voor de levering van digitale televisie. [gedaagde] heeft daarvan nooit gebruik kunnen maken, omdat de ontvangstapparatuur van meet af aan niet werkte, waardoor [gedaagde] geen beeld ontving. Dit was voor [gedaagde] aanleiding om de overeenkomst met UPC op te zeggen en de apparatuur bij de winkel van UPC in te leveren. UPC heeft die opzegging geaccepteerd en is in juli 2002 gestopt met de automatische incasso van het abonnementsgeld. [gedaagde] heeft met UPC geen nieuwe overeenkomst gesloten met betrekking tot de analoge ontvangst van het televisiesignaal. Hij heeft ook nimmer gebruik gemaakt van de diensten van eiseres voor de analoge ontvangst van de televisie, omdat hij reeds met KPN een overeenkomst had afgesloten en bovendien, na het opzeggen van de digitale televisie, een schotel heeft aangeschaft. Dat UPC vanaf januari 2003 weer bedragen is gaan incasseren, is aanvankelijk aan de aandacht van [gedaagde] ontsnapt. In september 2003 heeft [gedaagde] telefonisch aan UPC doorgegeven geen overeenkomst met UPC tot levering van welke dienst dan ook te hebben. Dit is door UPC bevestigd. Tot en met december 2003 zijn dan ook door UPC geen bedragen meer van de rekening van [gedaagde] afgeschreven. Ook heeft [gedaagde] geruime tijd niet bemerkt dat UPC in januari 2004 de incasso weer had hervat. [gedaagde] heeft in oktober en november 2005 ingegrepen door de geïncasseerde bedragen te laten storneren. Hij heeft toen weer telefonisch aan UPC doen weten dat hij geen gebruik maakte van de diensten van UPC. Omdat de overeenkomst waarop UPC haar vordering baseert niet bestaat, moet de vordering worden afgewezen, inclusief de rente en kosten. Voorts zijn de incassokosten niet toewijsbaar, nu UPC zich bij gebreke van een tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, niet op de toepasselijke voorwaarden kan beroepen, dan wel omdat de werkzaamheden waarvan UPC betaling vordert, slechts betrekking hebben op de voorbereiding van de procedure en niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. De vordering dient bovendien reeds op een tweetal formele, in de dagvaarding gelegen gronden, af te stuiten. In de eerste plaats heeft UPC haar vordering niet onderbouwd. Zij stelt weliswaar dat sprake is van een door [gedaagde] ondertekende overeenkomst, maar laat na deze overeenkomst over te leggen. Daarnaast voldoet UPC niet aan de ingevolge artikel 111 lid 3 Rv op haar rustende substantiëringsplicht, door in de inleidende dagvaarding niet het aan haar bekende verweer van [gedaagde] te vermelden. De beoordeling van het geschil Als eerste zal hetgeen [gedaagde] heeft aangevoerd met betrekking tot de op UPC rustende stel- en substantiëringsplicht aan de orde komen. Artikel 111 vermeldt de eisen waaraan de dagvaarding dient te voldoen. Ingevolge lid 1 sub e van dit artikel dient de dagvaarding de eis en de gronden daarvan te vermelden op straffe van nietigheid. In het verweer van [gedaagde] leest de kantonrechter een beroep op de nietigheid van de dagvaarding. Mede gelet op hetgeen [gedaagde] bij conclusie van antwoord tegen de vordering heeft aangevoerd, is [gedaagde] naar het oordeel van de kantonrechter niet onredelijk in zijn belangen geschaad, zodat de nietigheid is gedekt. Voor zover UPC bij dagvaarding niet aan de in artikel 111 lid 3 Rv vermelde verplichting heeft voldaan om de door [gedaagde] tegen de eis aangevoerde verweren te vermelden, kan dit op grond van artikel 120 lid 4 Rv niet tot nietigheid van de dagvaarding leiden. Het voorgaande leidt ertoe dat het door [gedaagde] ter zake van de inhoud van de dagvaarding gevoerde verweer wordt verworpen. [gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek in conventie aangevoerd dat hij met UPC slechts één overeenkomst heeft gesloten, namelijk voor de levering van digitale televisie. Van twee (afzonderlijke) overeenkomsten, een voor digitale en een voor analoge televisie, zoals UPC volgens [gedaagde] stelt, is geen sprake. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn betoog, nu uit de inleidende dagvaarding noch de conclusie van repliek in conventie kan worden afgeleid dat UPC het standpunt inneemt dat sprake is van twee overeenkomsten. De vraag waarin de kern van het onderhavige geschil besloten ligt, laat zich, kort samengevat, als volgt beschrijven: Ziet de in december 2001 tot stand gekomen overeenkomst uitsluitend op de levering van digitale televisie (het standpunt van [gedaagde]) of op de levering van radio- en televisie-programma’s in het algemeen, waarbij de abonnee kiest voor analoge en/of digitale ontvangst van het televisiesignaal (het standpunt van UPC)? Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Als niet door [gedaagde] betwist zijn op de overeenkomst tussen partijen de UPC Digital TV Voorwaarden van toepassing. Daarvan maken ingevolge artikel 1 de Algemene Voorwaarden CAI (hierna: de algemene voorwaarden) integraal onderdeel uit. Laatst genoemde voorwaarden hebben, eveneens ingevolge artikel 1 van de UPC Digital TV Voorwaarden, betrekking op “een individueel abonnement op de levering van signalen via een centrale antenne-inrichting van UPC”. Ingevolge artikel 1 van de algemene voorwaarden zijn de algemene voorwaarden “van toepassing op alle aanvragen en overeenkomsten betreffende de levering van signalen via de centrale antenne inrichting”. Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de kantonrechter genoegzaam gebleken dat de tussen partijen in december 2001 tot stand gekomen overeenkomst betrekking heeft op de levering aan [gedaagde] van signalen via de centrale antenne-inrichting in het algemeen en niet op uitsluitend de levering van digitale televisie. In hetgeen [gedaagde] voorts tegen de vordering van UPC heeft aangevoerd leest de kantonrechter een beroep op het gerechtvaardigd vertrouwen van artikel 3:35 BW. [gedaagde] stelt dat hij ervan uit mocht gaan dat met de opzegging van de digitale televisie de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst was beëindigd, aangezien UPC vanaf juni 2002 gestopt is met het incasseren van abonnementskosten. UPC heeft als reactie hierop gesteld, dat zij de abonnementstermijnen vanaf medio 2002 tot eind 2002 tegen een bedrag van € 0,00 heeft gefactureerd, ofwel omdat het eerste jaar gratis is ofwel omdat [gedaagde] problemen met de digitale televisie had ondervonden. [gedaagde] heeft dit als ongeloofwaardig en niet door UPC onderbouwd van de hand gewezen. Van UPC had mogen worden verwacht dat zij concreet had aangegeven of en zo ja, op welke wijze zij [gedaagde] destijds heeft doen weten dat hij tot eind 2002 geen abonnements-kosten behoefde te betalen en waarom niet. Nu zij dit niet heeft gedaan, is niet komen vast te staan dat [gedaagde] op de hoogte was of had kunnen zijn van de (thans door UPC aangevoerde) reden dat hem vanaf juni 2002 geen abonnementskosten meer in rekening werden gebracht. Mede in aanmerking genomen het feit dat UPC de opzegging door [gedaagde] destijds heeft geaccepteerd en gesteld noch gebleken is dat zij [gedaagde] er toen op heeft gewezen dat die opzegging niet de beëindiging van het gehele contract tot gevolg zou hebben, terwijl ook de toepasselijke voorwaarden hieromtrent geen enkele duidelijkheid verschaffen, leidt het voorgaande tot de conclusie dat [gedaagde] uit het feit dat UPC de opzegging ongeclausuleerd accepteerde en vanaf juni 2002 geen bedragen meer incasseerde zonder daarvoor enige verklaring te geven, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft mogen afleiden dat vanaf het moment van opzegging tussen hem en UPC geen contractuele verbintenis meer bestond. In zoverre slaagt het verweer van [gedaagde]. Dit brengt mee aan UPC geen vorderingsrecht uit hoofde van de tussen haar en [gedaagde] bestaande overeenkomst toekomt. De vordering in conventie zal derhalve worden afgewezen. UPC zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. In reconventie De vordering van [gedaagde] [gedaagde] vordert (samengevat) veroordeling van UPC tot betaling van € 405,57 ter zake van ten onrechte door UPC geïncasseerde bedragen en een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat UPC zonder uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke overeenkomst met [gedaagde] een bank- of girorekening van [gedaagde] debiteert. [gedaagde] stelt daartoe het volgende. De overeenkomst tot levering van digitale televisie is in juni 2002 geëindigd. Tussen partijen is geen overeenkomst tot stand gekomen ter zake van de levering van analoge televisie. Op [gedaagde] rust dan ook vanaf juni 2002 geen betalingsverplichting meer jegens UPC. UPC heeft [gedaagde] bestolen van een bedrag van € 405,57 ter zake van ten onrechte door UPC geïncasseerde bedragen. UPC heeft er herhaaldelijk blijk van gegeven niet op de verzoeken van [gedaagde] te willen reageren. Zij is blijven doorgaan met het incasseren van bedragen waarop zij geen recht had. Om herhaling van de gedragingen van UPC te voorkomen, is de gevorderde dwangsom op zijn plaats. Het verweer UPC betwist de vordering. Zij voert daartoe het volgende aan. Ingevolge de tussen partijen in december 2001 tot stand gekomen overeenkomst heeft [gedaagde] het recht verworven op de ontvangst van radio- en televisiezenders, die behoren bij het Standaardpakket Radio/TV gemeente Haarlem. [gedaagde] heeft daarbij in eerste instantie gekozen voor digitale televisie. Bij digitale televisie wordt het analoge signaal aangevuld met een digitaal signaal. Daardoor wordt een hogere kwaliteit van beeld en geluid bereikt. [gedaagde] heeft de overeenkomst gedeeltelijk beëindigd door opzegging van het digitale signaal. De overeenkomst is blijven voortbestaan met betrekking tot het analoge signaal. UPC is vanaf het moment dat het digitale signaal is beëindigd, het analoge signaal aan [gedaagde] blijven verstrekken. [gedaagde] dient zijn betalingsverplichtingen uit de overeenkomst na te komen en heeft geen recht op terugbetaling van het door UPC geïncasseerde abonnementsgeld. Op de brieven van [gedaagde] heeft UPC steeds inhoudelijk gereageerd. Zij heeft op 20 en 21 maart 2006 telefonisch uitleg aan [gedaagde] gegeven. Haar gemachtigde heeft schriftelijk op de brieven van [gedaagde] gereageerd. Er zijn geen gronden voor de gevorderde dwangsom. De beoordeling van het geschil In hetgeen [gedaagde] in reconventie heeft betoogd leest de kantonrechter een beroep op onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW. Voor de primair gestelde grondslag, te weten dat UPC [gedaagde] zou hebben ‘bestolen’ is onvoldoende gesteld. Van opzet of kwade trouw bij UPC is immers niet gebleken. UPC heeft gemotiveerd betwist dat [gedaagde] in september 2003 en november 2005 telefonisch tegen de incasso heeft geprotesteerd en dat UPC bij het telefoongesprek in september 2003 zou hebben erkend dat tussen partijen geen overeenkomst meer bestond. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om, als reactie op het verweer van UPC, zijn stellingen nader te onderbouwen, door concreet aan te geven wanneer hij telefonisch contact met UPC heeft opgenomen en met wie hij toen heeft gesproken. Nu [gedaagde] in het geheel niet meer op dit punt is ingegaan, is niet komen vast te staan dat [gedaagde] met bekwame spoed heeft gereageerd op de zijns inziens onterechte inning door UPC van de abonnementskosten. Op grond van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] voor het eerst op 6 januari 2006 bezwaar heeft gemaakt tegen de inning van een bedrag van € 64,27 door UPC, terwijl hij bij brief van 13 maart 2006 voor het eerst melding maakt van zijn voornemen om betalingen vanaf juni 2002 terug te vorderen. Gegeven de omstandigheid dat [gedaagde] zich gedurende meerdere jaren achtereen niet heeft verzet tegen inning van abonnementsbedragen en gezien voorts de omstandigheid dat hij niet heeft bestreden dat hij gedurende die jaren over een analoog signaal heeft kunnen beschikken, komt een vordering tot terugbetaling naar het oordeel van de kantonrechter in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid. Onder die omstandigheden moet er vanuit worden gegaan dat [gedaagde] zijn recht heeft verwerkt om terugbetaling te vorderen. [gedaagde] was immers bekend met de betalingen en heeft daarop niet tijdig en adequaat gereageerd. Nu in rechte tussen partijen vaststaat dat er geen sprake is van een thans lopende overeenkomst, is er voor de vrees dat UPC zal doorgaan met de incasso van abonnements-kosten onvoldoende grond. Ook voor dat onderdeel van de vordering en de daarop gevorderde dwangsom, is daarom geen plaats. Bovenstaande moet leiden tot afwijzing van de reconventionele vorderingen. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Beslissing De kantonrechter: In conventie - wijst de vordering af; - veroordeelt UPC tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot en met vandaag worden begroot op € 60,00 aan salaris van de gemachtigde. In reconventie - wijst de vordering af. - veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van UPC tot en met vandaag worden begroot op € 60,00 aan salaris van de gemachtigde. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Udo de Haes en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.