
Jurisprudentie
BF0332
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801570/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801570/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 13 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [eetcafé] een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Uitspraak
200801570/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/882 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 januari 2008 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam [eetcafé]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 13 januari 2006 heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [eetcafé] een boete van € 8.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
Bij besluit van 14 mei 2007 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de minister) het daartegen door [eetcafé] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 januari 2008, verzonden op 23 januari 2008, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij], handelend onder de naam [eetcafé], (hierna: [wederpartij]) ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2008. Deze brieven zijn aangehecht.
[eetcafé] heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 juli 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. J.A.H. Koning, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A.M. Vreeswijk, advocaat te Hilversum, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.
Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, voor zover thans van belang, wordt het niet naleven van artikel 2, eerste lid, als beboetbaar feit aangemerkt.
Ingevolge artikel 18a, eerste lid, kunnen beboetbare feiten worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.
Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, wordt voor de toepassing van het eerste lid met een rechtspersoon gelijkgesteld:
1˚. de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid.
Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de minister aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.
Ingevolge het tweede lid gelden de terzake van deze wet gestelde beboetbare feiten ten opzichte van elk persoon, met of ten aanzien van wie een beboetbaar feit is begaan.
Ingevolge artikel 19d, eerste lid, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door:
a. een natuurlijk persoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 11.250,00,
b. een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000,00.
Ingevolge het derde lid stelt de minister beleidsregels vast waarin de boetebedragen voor de beboetbare feiten worden vastgesteld.
Volgens artikel 1 van de Beleidsregels boeteoplegging Wav 2007 (hierna: de beleidsregels), wordt bij de berekening van een boete als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, van de Wav voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wav' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.
Volgens de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, op € 8.000,00 per persoon per beboetbaar feit gesteld.
2.2. [wederpartij] bestrijdt de ondertekeningsbevoegdheid van de indieners van het hoger-beroepschrift en betoogt dat het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk is.
2.2.1. A.H.M. Weeber (hierna: Weeber) heeft in het hoger-beroepschrift verklaard dat het hoger beroep wordt ingesteld namens de minister door het hoofd van de afdeling Juridische Zaken (hierna: het hoofd) en heeft het bij diens afwezigheid ondertekend. M.J.H. Grandiek (hierna: Grandiek) heeft bij afwezigheid van het hoofd namens de minister de gronden van het hoger beroep ingediend.
Uit het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit Arbeidsinspectie 2007 (Stcrt 2007, 113) volgt dat het hoofd bevoegd is namens de minister hoger beroep in te stellen. Bij afwezigheid of verhindering van het hoofd worden zijn taken en bevoegdheden, voor de duur van die afwezigheid of verhindering, geheel of gedeeltelijk waargenomen door een daartoe aan te wijzen plaatsvervanger. Aanwijzing en vaststelling van de omvang van de waarneming geschieden door de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie.
Bij brief van 3 juni 2008 heeft de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie, J.J.M. Uijlenbroek, in aanvulling op de eerder door hem overgelegde machtiging in algemene zin van 1 april 2008, betrekking hebbende op alle door Weeber en Grandiek ondertekende hoger-beroepschriften in de bij de Afdeling aanhangige zaken, bevestigd dat Weeber en Grandiek in hun hoedanigheid van senior juridisch-bestuurlijk medewerkers met coördinerende taken, als plaatsvervangers van het hoofd zijn aangewezen en bij afwezigheid of verhindering van het hoofd namens de minister onder meer bevoegd zijn tot het instellen van hoger beroep en het indienen van gronden in hoger-beroepsprocedures. Voor zover nodig heeft de algemeen directeur voor de onderhavige procedure alsnog de bevoegdheid tot het instellen van het hoger beroep en het indienen van de gronden daarvan door Weeber en Grandiek bekrachtigd.
Hiermee is de ondertekeningsbevoegdheid genoegzaam aangetoond en is het hoger beroep van de minister ontvankelijk.
2.3. In het op ambtsbelofte onderscheidenlijk ambtseed door inspecteurs van de Arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 14 oktober 2005 is onder meer vermeld dat uit het proces-verbaal van bevindingen van Van Kroonenburg en Oudejans van de regiopolitie Kennemerland van 21 juli 2005 (hierna: het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans) blijkt dat op 7 juli 2005 een vreemdeling van Egyptische nationaliteit is aangetroffen in [eetcafé] te [plaats], terwijl hij arbeid aan het verrichten was bestaande uit het snijden van vlees zonder dat daarvoor een tewerkstellingsvergunning was afgegeven.
2.4. De minister klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het proces-verbaal van bevindingen van Van Leeuwen en Schaaij, aspiranten van politie, regio Kennemerland, van 7 juli 2005 (hierna: het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij) in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) eerst in beroep aan de processtukken is toegevoegd en dat de minister, gelet op de betekenis van dat proces-verbaal, niet op het bezwaar had mogen beslissen zonder daarvan kennis te nemen. Volgens de minister vormen de verklaring die [voormalig medevennoot] van [eetcafé] tijdens de controle op 7 juli 2005 heeft afgelegd, het rapport van horen van [voormalig medevennoot] van 12 september 2005 (hierna: het rapport van horen) en het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans een toereikende feitelijke grondslag voor de boeteoplegging en het besluit op bezwaar, nu hieruit blijkt dat de door Van Leeuwen en Schaaij aangehouden man kort daarvoor door hen was waargenomen in [eetcafé]. Het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij dient volgens de minister als ondersteunend bewijs. Aangezien de waarneming van Van Leeuwen en Schaaij is opgenomen in het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans, heeft [wederpartij] de waarneming kunnen beoordelen en daartegen argumenten kunnen aanvoeren. Van strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb en het fair play-beginsel is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgens de minister geen sprake.
2.4.1. In het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans is vermeld dat toen zij voor het eetcafé langsreden op zoek naar een parkeerplaats om het dienstvoertuig te parkeren, hun collega's Van Leeuwen en Schaaij vanuit het dienstvoertuig zagen dat in het eetcafé een man, gekleed in een wit shirt en een zwarte pantalon, vlees aan het snijden was. Bij het betreden van het pand zagen Van Kroonenburg en Oudejans dat twee personen in het keukengedeelte van het eetcafé bezig waren met het bereiden van pizza's. Van Kroonenburg en Oudejans vernamen van Van Leeuwen en Schaaij dat de eerder door hen werkend waargenomen persoon in het witte shirt en de zwarte pantalon niet meer in het eetcafé aanwezig was. Volgens dat proces-verbaal is door Van Leeuwen en Schaaij vervolgens een onderzoek ingesteld waarbij de desbetreffende persoon is staandegehouden.
Voorts heeft [voormalig medevennoot] blijkens het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans onder meer verklaard dat hij de staandegehouden man niet kent en dat het een kennis van hem is, maar dat hij niet weet hoe hij heet. Volgens [voormalig medevennoot] is het juist dat de desbetreffende man in de niet voor het publiek bestemde ruimte van zijn bedrijf was, maar was hij niet aan het werk. De man was bezig voor zichzelf koffie te zetten. Hij had daarvoor van [voormalig medevennoot] toestemming gekregen, hetgeen in [voormalig medevennoot] cultuur gebruikelijk is.
Blijkens het rapport van horen heeft [voormalig medevennoot] verklaard dat de persoon [vreemdeling], die door de politie tijdens de controle op 7 juli 2005 is meegenomen, niet achter de bar heeft gestaan. Volgens [voormalig medevennoot] was hij wel in de onderneming aanwezig maar als klant en is het gebruikelijk dat klanten zelf wat te drinken pakken van achter de bar. Het klopt niet dat [vreemdeling] in de onderneming vlees heeft gesneden, aldus [voormalig medevennoot].
2.4.2. Vast staat dat het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij niet heeft behoord tot de processtukken waarop het besluit op bezwaar is gebaseerd. De waarneming van Van Leeuwen en Schaaij is gedeeltelijk opgenomen in het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans. In het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij is naast de constatering dat zij [vreemdeling] achter de toonbank van [eetcafé] vlees zagen snijden, tevens vermeld dat [vreemdeling] daarbij achter, al dan niet tegen, het raam aan de voorzijde van het pand stond, hetgeen voor Van Leeuwen en Schaaij zeer goed zichtbaar was. Dit laatste is niet opgenomen in het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans.
[voormalig medevennoot] heeft bevestigd dat [vreemdeling] in de niet voor het publiek bestemde ruimte van [eetcafé] aanwezig was, maar hij heeft betwist dat [vreemdeling] vlees aan het snijden was.
Nu het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij ziet op de directe waarneming van het gestelde beboetbare feit, is de rechtbank, temeer omdat in het proces-verbaal van Van Kroonenburg en Oudejans is verwezen naar het eerstgenoemde proces-verbaal en de waarneming van de overtreding in bezwaar door [eetcafé] gemotiveerd is betwist, terecht tot het oordeel gekomen dat de minister niet op het bezwaar heeft mogen besluiten alleen op basis van de inhoud van het proces-verbaal van
Van Kroonenburg en Oudejans en heeft zij terecht geconcludeerd dat sprake is van strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde beginsel dat een besluit op een zorgvuldige wijze dient te worden voorbereid.
Het betoog faalt.
2.5. De minister betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat naar haar voorlopig oordeel ook met het proces-verbaal van Van Leeuwen en Schaaij een toereikende feitelijke grondslag voor de boeteoplegging ontbreekt.
Gelet op de bewoordingen van de bestreden overweging kan niet worden gezegd dat dit door de rechtbank gegeven voorlopig oordeel dragend is voor het dictum van de aangevallen uitspraak met betrekking tot de vernietiging van het besluit van 14 mei 2007. De overwegingen zijn door de rechtbank ten overvloede gegeven zonder dat daarmee een bindende uitspraak is gedaan.
Reeds hierom faalt het betoog.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [wederpartij], handelend onder de naam [eetcafé], in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) aan [wederpartij], handelend onder de naam [eetcafé], onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;
III. bepaalt dat van de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) een griffierecht van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
154-490.