
Jurisprudentie
BF0327
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708865/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708865/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 30 oktober 2007, kenmerk 00719939, heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 25 september 2007 vastgestelde wijzigingsplan "De Wâl 81d Veenwouden" (hierna: het plan).
Uitspraak
200708865/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellanten], wonend te [woonplaats],
en
het college van gedeputeerde staten van Fryslân,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2007, kenmerk 00719939, heeft het college van gedeputeerde staten van Fryslân (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college van burgemeester en wethouders) bij besluit van 25 september 2007 vastgestelde wijzigingsplan "De Wâl 81d Veenwouden" (hierna: het plan).
Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2007, beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben het college van burgemeester en wethouders en [belanghebbenden] (hierna: [belanghebbenden]) schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
[appellant] en [belanghebbenden] hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door
R. de Boer, ambtenaar van de gemeente, en [belanghebbenden], in persoon, als partij zijn gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het plan kan worden gewijzigd binnen bij het plan te bepalen grenzen. Bij het besluit omtrent goedkeuring van het wijzigingsplan dient het college te toetsen of aan de bij het bestemmingsplan gegeven wijzigingsvoorwaarden is voldaan. Ingevolge artikel 11, vierde lid, van de WRO gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust daarnaast op het college de taak te onderzoeken of het plan binnen de bij het bestemmingsplan bepaalde grenzen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Tevens heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
2.2. [appellant] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan.
In dit verband voert [appellant] aan dat het plan in procedure is gebracht en opgesteld ten behoeve van iemand die destijds nog geen eigenaar was van de gronden waarop het plan ziet.
2.2.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 januari 2008 in zaak nr. 200707162/2; aangehecht), kan een wijzigingsplan niet worden aangemerkt als een besluit op aanvraag. Daarbij is in aanmerking genomen dat de uit een bestemmingsplan voortvloeiende bevoegdheid tot het opstellen van wijzigingsplan niet afhankelijk is van een verzoek om gebruik te maken van die bevoegdheid en dat overigens het college van burgemeester en wethouders bij de concrete uitoefening van die bevoegdheid niet is gebonden aan hetgeen waarom is verzocht.
Gelet hierop is niet van belang wie om toepassing van de wijzigingsbevoegdheid heeft verzocht. Het betoog faalt.
2.3. Het plan voorziet in de bestemming "Wonen" voor een deel van het perceel tussen De Wâl 81C en De Wâl 83 (hierna: de projectlocatie) en maakt daar de bouw van één woning met bijgebouwen mogelijk.
2.3.1. De projectlocatie is gelegen binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan). De bestemming van de projectlocatie kan ingevolge de "wijzigingsgrens t.b.v. wonen", zoals die op de bij het bestemmingsplan behorende plankaart is aangegeven, en ingevolge het bepaalde in artikel 21, vijfde lid, van de bestemmingsplanvoorschriften gewijzigd worden in de bestemming "Wonen".
2.3.2. Met het bestaan van de door het college goedgekeurde wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant] dat woningbouw op de projectlocatie in het algemeen niet zou moeten worden toegestaan.
2.4. [appellant] stelt dat het uitzicht vanaf het perceel De Wâl 81C met het plan ernstig wordt aangetast. In dit verband voert [appellant] aan dat het bouwvlak voor bijgebouwen in het plan onjuist is gesitueerd en een te grote omvang heeft. Voorts stelt [appellant] dat het in het plan aangegeven bouwvlak dichter bij de straat ligt dan de bebouwing aan De Wâl 81C.
2.4.1. Onbestreden is dat tussen de projectlocatie en de woning van [appellant] een strook met beplanting aanwezig is en dat zich in het verlengde daarvan een boomwal bevindt. Daardoor wordt het vrije uitzicht over de landerijen thans reeds tot op zekere hoogte belemmerd. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uitzicht over de landerijen slechts in beperkte mate wordt aangetast. Voor het oordeel dat in het plan meer specifiek had moeten worden vastgelegd waar de bijgebouwen achter de woning mogen worden gebouwd en dat het plandeel met de aanduiding "bijgebouw" te groot is, bestaat dan ook geen aanleiding.
Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat de bebouwing aan de straatzijde van De Wâl in de directe omgeving ongeveer twee tot drie meter ten opzichte van elkaar verspringt. Ook het bouwvlak in het plan verspringt ongeveer drie meter ten opzichte van de woning van [appellant], zodat een woning op de projectlocatie dichter bij de straatzijde komt te liggen dan de woning van [appellant]. Het college heeft in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan behoud van het straatbeeld dan aan de eventuele beperkte aantasting van het uitzicht van [appellant] aan de voorzijde van de woning die daarvan het gevolg is.
2.5. [appellant] betoogt ook dat met het plan afbreuk wordt gedaan aan ecologische waarden, aan de landschapsinrichting en aan het karakter van het buurtschap. [appellant] heeft dit betoog niet nader onderbouwd. Gelet hierop heeft het college hieraan geen groot gewicht hoeven toekennen.
2.6. [appellant] verzet zich er voorts tegen dat de projectlocatie aan de noordzijde een rooilijn kent die niet evenwijdig loopt met de vergelijkbare rooilijnen van de percelen De Wâl 81A, 81B en 81C. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom het college hier niet mee had kunnen instemmen. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college het plan op dit punt in strijd met een goede ruimtelijke ordening had moeten achten.
2.7. [appellant] betoogt voorts dat ten onrechte geen nader onderzoek naar archeologische waarden heeft plaatsgevonden.
2.7.1. Noch de WRO noch artikel 21, vijfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan verplicht tot het instellen van een archeologisch onderzoek in het onderhavige geval.
In de op 3 november 2003 door de provinciale staten van Fryslân vastgestelde nota "Nota Erfgoed - Deelnota Archeologie 2004-2007" (hierna: de nota) is het provinciale archeologiebeleid vastgelegd. Hierin is de "Friese Archeologische Monumentenkaart Extra" (hierna: FAMKE) opgenomen. Uit deze kaart en de daarbij behorende gegevens blijkt dat in dit geval eerst onderzoek zoals door [appellant] bedoeld aan de orde is bij een ingreep met een oppervlakte van meer dan 500 m2, waarbij onder de oppervlakte van een ingreep verstaan wordt de oppervlakte waarvan de bodem door bestemmingswijziging verstoord kan worden.
Nu vast staat dat het plan voorziet in een bij rechte te bebouwen oppervlakte van maximaal 170 m2, heeft het college van burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt gesteld dat ook de nota in dit geval niet verplicht tot een archeologisch onderzoek, nog er van afgezien dat FAMKE slechts een adviserend karakter heeft.
Het betoog faalt.
2.8. [appellant] betoogt voorts dat het college van burgemeester en wethouders met de vaststelling van het plan in strijd met de door de raad van de gemeente Dantumadeel op 4 juli 2006 vastgestelde beleidsnotitie "Invulling open gaten" (hierna: de notitie) hebben gehandeld.
2.8.1. Daargelaten het antwoord op de vraag of deze notitie thans van toepassing is en daarbij in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is gemaakt dat inderdaad sprake is van strijd met de notitie, omdat, anders dan [appellant] stelt, geen sprake is van mogelijke woningbouw op een erf behorend bij een karakteristiek pand, bestaat geen wettelijke bepaling op grond waarvan het college van burgemeester en wethouders gebonden is aan het beleid van de gemeenteraad.
Het betoog faalt.
2.9. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
Het beroep is ongegrond.
2.10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van Staat.
w.g. Hoekstra w.g. Bošnjaković
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
410-583.