
Jurisprudentie
BF0322
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800805/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800805/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [appellant] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.
Uitspraak
200800805/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/607 van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 december 2007 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft de minister van Justitie (hierna: de minister) de afgifte van de door [appellant] verzochte Verklaring Omtrent het Gedrag (hierna: VOG) geweigerd.
Bij besluit van 2 maart 2007 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2007, verzonden op 27 december 2007, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2008, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar [appellant] in persoon en bijgestaan door mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. [appellant] heeft om afgifte van een VOG verzocht ten behoeve van een aanvraag om een ondernemersvergunning bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat om als taxi-ondernemer werkzaam te zijn.
2.2. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (hierna: Wjsg) is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de verklaring omtrent het gedrag wordt gevraagd, in de weg zal staan.
2.3. Bij de beoordeling van het risico voor de samenleving past de minister de Beleidsregels 2004 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de circulaire), vastgesteld bij besluit van de minister van 15 maart 2004 (Stcrt. 2004, 63), toe.
Volgens de circulaire kan de afgifte van de VOG worden geweigerd, indien de aanvrager in de vier jaar voorafgaand aan het moment van toetsing in de justitiële documentatie voorkomt en de aangetroffen antecedenten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering kunnen vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of opdracht waarvoor de verklaring wordt gevraagd.
Om vast te stellen of de aangetroffen antecedenten een belemmering vormen voor de afgifte van de VOG zijn in bijlage A bij de circulaire een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen neergelegd, aan de hand waarvan het risico voor de samenleving wordt bepaald.
Volgens het screeningsprofiel, neergelegd in bijlage A, van de circulaire stuurt een taxiondernemer vanuit zijn functie mensen, de voor hem werkzame taxichauffeur(s) en/of een organisatie, aan, beslist hij over offertes, het voeren van onderhandelingen en het afsluiten van contracten, verschaft hij, schaft hij aan en heeft hij het beheer over goederen en producten waaronder het wagenpark. Daarnaast gaat hij om met contante en girale waarden.
Bij het omgaan met gelden bestaat er het gevaar van diefstal of verduistering, en het witwassen van gelden. Door bijvoorbeeld het slecht beheren van het wagenpark bestaat het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Ook bestaat het gevaar van vervalsing, onder andere van de ondernemingsvergunning. Doordat de ondernemer vanuit zijn functie mensen aanstuurt, bestaat het gevaar van machtsmisbruik, afpersing en afdreiging.
2.4. De minister heeft aan de weigering een VOG af te geven ten grondslag gelegd dat [appellant] op 30 september 2003 door de rechtbank Zwolle is veroordeeld wegens overtreding van de Algemene wet inzake rijksbelastingen meermalen gepleegd (art. 68, eerste lid, aanhef en onder a en art. 69, tweede lid) en valsheid in geschrifte meermalen gepleegd (art. 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht) tot 10 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en op 21 juni 2004 is veroordeeld wegens het opzettelijk niet voldoen aan een vordering gedaan door een opsporingsambtenaar (art. 26 Wet op de economische delicten) tot een geldboete van € 750,00 subsidiair 15 dagen hechtenis. In het besluit van 2 maart 2007 heeft de minister daaraan toegevoegd dat [appellant] door deze strafbare feiten te plegen heeft aangetoond niet over de eigenschappen te beschikken die van een integer taxiondernemer mogen worden verwacht. In hoger beroep is de straf wegens overtreding van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en valsheid in geschrifte, als hiervoor bedoeld, door het gerechtshof Arnhem verhoogd tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd en dat de minister na afweging van alle belangen niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.
2.6. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde VOG, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden, diende te worden geweigerd.
De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten waarvoor [appellant] is veroordeeld, tot uitdrukking komend in de hoogte van de opgelegde straf, de minister een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het maatschappelijk belang dat is gediend met het niet afgeven van een VOG.
De rechtbank heeft in de gevolgen van de weigering evenmin grond hoeven vinden voor een ander oordeel. Het niet kunnen uitoefenen van het beroep van taxi-ondernemer is een voorzienbaar gevolg van de besluitvorming en dan ook geen bijzondere omstandigheid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat de werkgelegenheid van de werknemers niet op andere wijze kan worden gewaarborgd en evenmin is gebleken dat [appellant] niet op andere wijze in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat.
w.g. Mouton w.g. Graat
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
307.