Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0321

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800834/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om een ligplaatsvergunning voor het schip [naam schip] op de [locatie] te [plaats] afgewezen.


Uitspraak

200800834/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 06/1215 van de rechtbank Groningen van 12 december 2007 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. 1. Procesverloop Bij besluit van 1 februari 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om een ligplaatsvergunning voor het schip [naam schip] op de [locatie] te [plaats] afgewezen. Bij besluit van 13 juli 2006 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 12 december 2007, verzonden op 20 december 2007, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 31 januari 2008, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 12 maart 2008. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door N. Brouwer, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Groot, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 10, aanhef en onder m, van de Verordening openbaar vaarwater 2002 van de gemeente Groningen (hierna: de VOV 2002) wordt de vergunning of ontheffing geweigerd indien het innemen van de ligplaats met een bepaald type schip in strijd is met het bepaalde in artikel 20 (beschermd stadsgezicht). Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de VOV 2002 mogen in de kanaalvakken die vallen onder c.q. grenzen aan die gebieden die zijn aangewezen als beschermd stadsgezicht, enkel authentieke schepen ligplaats innemen. Ingevolge het tweede lid kunnen in de kanaalvakken als bedoeld in het eerste lid ook schepen ligplaats innemen die voor wat betreft hun uiterlijke verschijningsvorm in overwegende mate gelijkenis vertonen met de in het naar de Afdeling begrijpt: eerste lid bedoelde schepen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder p, van de VOV 2002 is een authentiek schip een schip dat: 1. voorheen is gebruikt ter uitoefening van een beroep zoals ten behoeve van de beroepsvaart of de visserij of als sleepboot; en 2. door het behoud van het oorspronkelijke casco-met-opbouw de oorspronkelijke contouren niet wezenlijk verloren heeft. 2.2. In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 februari 2006 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het schip de [naam schip] niet beschouwd kan worden als een authentiek schip omdat het een stalen motorsailer is die slechts voor vaarrecreatie wordt gebruikt. In het besluit van 13 juli 2006 heeft het college daaraan toegevoegd dat de [naam schip] geen authentiek schip is omdat het een pleziervaartuig is en niet bestemd is geweest voor de uitoefening van een beroep, hetgeen wordt bevestigd door [havenassistent] en [scheepsmakelaar] aldus het college. 2.3. De rechtbank heeft overwogen dat het schip de [naam schip] geen authentiek schip is als bedoeld in de VOV 2002, waarbij de rechtbank van belang heeft geacht dat het schip nooit is gebruikt voor de uitoefening van een beroep. Dat dat mogelijk wel de bedoeling is geweest, maakt dat niet anders, omdat doorslaggevend is of zodanig gebruik van de boot daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, aldus de rechtbank. 2.4. [appellante] betoogt dat de rechtbank door te overwegen dat doorslaggevend is dat het schip de [naam schip] nooit is gebruikt voor de uitoefening van een beroep voorbij is gegaan aan haar beroepsgrond dat de [naam schip] een schip is dat in overwegende mate gelijkenis vertoont met een authentiek schip. Beoordeeld had dienen te worden of de [naam schip] voldoende gelijkenis met een authentiek schip vertoont. Een dergelijk oordeel kan slechts door een onafhankelijke en deskundige commissie worden gegeven, aldus [appellante]. 2.5. In beroep heeft [appellante] betoogd dat het schip de [naam schip] in 1988 is gebouwd naar een ontwerp van een vissersboot uit 1920, namelijk de 'Marco Polo' ontworpen door Francis Herrishof. Daarmee heeft [appellante] beoogd te betogen dat de [naam schip] wat betreft de uiterlijke verschijningvorm in overwegende mate gelijkenis vertoont met een authentiek schip en dat derhalve artikel 20, tweede lid, van de VOV 2002 van toepassing is. De rechtbank heeft door te overwegen dat de [naam schip] geen authentiek schip is en in dat kader van belang te achten dat de [naam schip] nooit is gebruikt voor de uitoefening van een beroep slechts aan artikel 20, eerste lid, van de VOV 2002 getoetst en is daarmee voorbij gegaan aan het feit dat het beroep ook betrekking had op het tweede lid, van de VOV 2002. Het betoog slaagt. 2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende. 2.7. Het college heeft in het besluit van 13 juli 2006 overwogen dat de [naam schip] niet kan worden beschouwd als een authentiek schip, of voor wat betreft zijn uiterlijke verschijningsvorm in overwegende mate gelijkenis vertoont met een authentiek schip, en heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een havenassistent en een scheepsmakelaar hebben verklaard dat de [naam schip] niet bestemd is geweest om te worden gebruikt ter uitoefening van een beroep. De door het college ingeschakelde havenassistent en scheepsmakelaar hebben echter geen oordeel gegeven of het uiterlijk van de [naam schip] in overwegende mate gelijkenis vertoont met een authentiek schip. Gelet daarop berust het standpunt van het college dat de [naam schip] voor wat betreft zijn uiterlijke verschijningsvorm niet in overwegende mate gelijkenis vertoont met een authentiek schip niet op een deugdelijke motivering. Het inleidende beroep is gegrond. 2.8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 december 2007 in zaak nr. 06/1215; III. vernietigt het besluit van het college van 13 juli 2006; IV. veroordeelt het college tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door gemeente Groningen aan [appellante] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald; V. gelast dat de gemeente Groningen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 355,00 (zegge: driehonderdvijfenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat. w.g. Mouton w.g. Graat lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 307.