Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0319

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200801438/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning voor de woning [locatie] te [plaats] afgewezen.


Uitspraak

200801438/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2706 van de rechtbank Rotterdam van 21 januari 2008 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. 1. Procesverloop Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) een aanvraag van [appellant] om een huisvestingsvergunning voor de woning [locatie] te [plaats] afgewezen. Bij besluit van 14 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 januari 2008, verzonden op 23 januari 2008, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2008, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2008, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door H. Elmendorp, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Het college heeft aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing ten grondslag gelegd dat een aanvrager van een huisvestingsvergunning, die voorafgaand aan die aanvraag korter dan zes jaar in de stadsregio Rotterdam woont, dient te beschikken over een inkomen, zoals vermeld in artikel 2.6, tweede lid, van de Huisvestingsverordening Rotterdam 2003 en dat [appellant] daaraan niet voldoet, omdat hij een uitkering ontvangt als bedoeld in de Wet werk en bijstand. 2.2. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen belang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep omdat hij bij brief van 7 december 2007 heeft medegedeeld dat hij inmiddels andere woonruimte heeft aanvaard. 2.3. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder betoogt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door hem gestelde schade geen verband houdt met dan wel geen gevolg is van het bestreden besluit. In dat verband voert hij aan dat hij schade heeft geleden als gevolg van de noodzakelijke verhuizing onder druk van de hem aangezegde bestuursdwang. 2.4. Het betoog slaagt niet. [appellant] heeft de rechtbank hangende zijn beroep medegedeeld, dat hij inmiddels andere woonruimte heeft aanvaard. De rechtbank heeft zijn betoog dat hij schade heeft geleden door het handelen van het college terecht niet gevolgd. Bij besluit van 14 maart 2007 heeft het college de door [appellant] aangevraagde huisvestingsvergunning afgewezen en hem medegedeeld, dat hij, indien hij de desbetreffende woning toch betrekt of inmiddels heeft betrokken, het risico loopt dat een handhavingsprocedure zal worden gestart. Ingevolge artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek komt voor vergoeding slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend. [appellant] heeft door de woning alvast te betrekken en te stofferen, zonder in het bezit te zijn van een huisvestingsvergunning, het risico genomen dat hij deze alsnog zou moeten verlaten en in dat verband kosten zou moeten maken. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat gelet op bedoelde bepaling de gestelde schade niet kan worden toegerekend aan de weigering om hem bedoelde huisvestingsvergunning te verlenen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is dan ook geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. 2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. C.W. Mouton, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, ambtenaar van Staat. w.g. Mouton w.g. Graat lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 307.