Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0313

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708904/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 7 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een bedrijfswoning met agrarische bedrijfsruimte op het perceel aan de [locatie] te [plaats].


Uitspraak

200708904/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2274 van de rechtbank Arnhem van 3 december 2007 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal. 1. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) [appellant] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het herbouwen van een bedrijfswoning met agrarische bedrijfsruimte op het perceel aan de [locatie] te [plaats]. Bij besluit van 15 juli 2003 heeft het college het door de regionaal inspecteur VROM regio Oost daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bouwvergunning alsnog geweigerd. Bij besluit van 10 september 2003 heeft het college [appellant] gelast met onmiddellijke ingang de bouwwerkzaamheden op het perceel [locatie] te [plaats] te staken en gestaakt te houden. Bij brief van 16 september 2003 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 12 mei 2004 in zaak nr. 03/2010 heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] tegen het besluit van 15 juli 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Bij besluit van 28 september 2004 heeft het college het bezwaar van de regionaal inspecteur VROM regio Oost alsnog ongegrond verklaard. Bij brief van 6 oktober 2004 heeft het college [appellant] medegedeeld dat het op grond van het besluit van 28 september 2004 is toegestaan om de bouwwerkzaamheden te hervatten en dat het tegen de bouwstop gemaakte bezwaar niet verder in behandeling wordt genomen. Bij uitspraak van 3 december 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [appellant] bij brief van 6 juni 2007 ingestelde beroep tegen het niet tijdig door het college nemen van een besluit op bezwaar tegen het besluit van het college van 10 september 2003, niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2008. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door mr. D. van Tilborg, advocaat te Breda, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. 2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank tot het onjuiste oordeel is gekomen dat de brief van het college van 6 oktober 2004 moet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Dit betoog faalt. In de brief van 6 oktober 2004 is [appellant] bericht dat de bij besluit van 10 september 2003 opgelegde bouwstop vervalt en dat het door hem op 16 september 2003 tegen deze bouwstop gemaakte bezwaar dan ook niet verder in behandeling wordt genomen. Uit de brief van 6 oktober 2004 had [appellant] moeten begrijpen dat met deze brief voor zover noodzakelijk op zijn bezwaar tegen het besluit van het college van 10 september 2003 was beslist. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat hier sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen beroep bij de rechtbank openstond. Dat de brief niet is voorzien van een rechtsmiddelenclausule maakt dat niet anders en evenmin dat [appellant] de brief niet als een besluit heeft herkend. 2.3. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat, nu de behandeling van het bezwaar met het besluit van 6 oktober 2004 is geëindigd en het college om die reden ten tijde van het indienen van het beroep niet in gebreke was een besluit te nemen op het bezwaar van 16 september 2003, het beroep niet-ontvankelijk is. 2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Boot lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 202.