Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0312

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708717/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 13 januari 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) aan de gemeente De Ronde Venen (hierna: de gemeente) een rijksbijdrage als bedoeld in de Wet rampen en zware ongevallen (hierna: de Wrzo) ten bedrage van € 24.421,92 toegekend.


Uitspraak

200708717/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de gemeente De Ronde Venen, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 november 2007 in zaak nr. 2007/293 in het geding tussen: de gemeente De Ronde Venen en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 1. Procesverloop Bij besluit van 13 januari 2006 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) aan de gemeente De Ronde Venen (hierna: de gemeente) een rijksbijdrage als bedoeld in de Wet rampen en zware ongevallen (hierna: de Wrzo) ten bedrage van € 24.421,92 toegekend. Bij besluit van 27 december 2006 heeft de minister het door de gemeente daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 november 2007, verzonden op 15 november 2007, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door de gemeente daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de gemeente bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2007, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2008, waar de gemeente, vertegenwoordigd door mr. P.L. Visser, advocaat te Amsterdam, en drs. M.A. Broeze en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. van Heukelom-Verhage, advocaat te Den Haag, en J.C.G. van Dam, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de Wrzo wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder een ramp of zwaar ongeval verstaan een gebeurtenis 1º. waardoor een ernstige verstoring van de openbare veiligheid is ontstaan, waarbij het leven en de gezondheid van vele personen, het milieu of grote materiële belangen in ernstige mate worden bedreigd of zijn geschaad, en 2º. waarbij een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Ingevolge artikel 11, eerste lid, heeft de burgemeester het opperbevel in geval van een ramp of een zwaar ongeval of van ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Degenen die aan de bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval deelnemen, staan onder zijn bevel. Hij doet zich bijstaan door een door hem samengestelde gemeentelijke rampenstaf. Ingevolge artikel 25, eerste lid, kan uit 's Rijks kas een bijdrage worden verleend in de kosten die voor de gemeenten voortvloeien uit de daadwerkelijke bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval en de gevolgen daarvan. 2.2. De gemeente heeft de minister bij brief van 24 augustus 2004 verzocht om een bijdrage als bedoeld in artikel 25 van de Wrzo van € 1.274.478,71 in verband met gemaakte kosten voor bestrijding van de dijkverschuiving die op 26 augustus 2003 te Wilnis heeft plaatsgevonden. Bij brief van 23 december 2004 heeft de gemeente dit verzoek aangevuld en vermeerderd met een bedrag van € 1.055.065,00. 2.3. Bij besluit van 13 januari 2006, gehandhaafd in bezwaar, heeft de minister de gemeente ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Wrzo een bijdrage ten bedrage van € 24.421,92 toegekend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd, voor zover thans van belang, dat vanaf 29 augustus 2003 10.00 uur een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties met gebruikmaking van bevoegdheden uit de Wrzo niet meer noodzakelijk was en derhalve vanaf dat moment geen sprake meer was van een ramp als bedoeld in artikel 1 van de Wrzo. 2.4. Niet in geschil is dat vanaf het moment dat de dijkverschuiving had plaatsgevonden tot 29 augustus 2003 10.00 uur sprake was van een ramp in de zin van artikel 1 van de Wrzo. 2.5. De gemeente betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de door de minister gegeven uitleg aan het begrip ramp als bedoeld in artikel 1 van de Wrzo te beperkt is en niet strookt met hetgeen blijkens de ontstaansgeschiedenis de strekking is van deze wet. Onder verwijzing naar Kamerstukken II 1984-1985, 16978, nr. 13 voert de gemeente hiertoe aan dat de Wrzo er onder meer toe strekt te voorkomen dat de kosten die in verband met een ramp zijn gemaakt vrijwel geheel voor rekening van de desbetreffende gemeente komen. Hieruit volgt volgens de gemeente dat niet, zoals de minister stelt, slechts de kosten van de bestrijding van de ramp en de kosten van de gevolgen van deze bestrijding, maar ook de kosten die zijn gemaakt in verband met de gevolgen van de ramp voor een bijdrage als bedoeld in artikel 25 van de Wrzo in aanmerking kunnen komen. 2.5.1. Uit artikel 1, aanhef, onder b en onder 2, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de Wrzo volgt dat, voor zover thans van belang, sprake is van een ramp in de zin van deze wet, indien onder meer een gecoördineerde inzet van diensten en organisaties van verschillende disciplines onder het opperbevel van de burgemeester is vereist om de dreiging weg te nemen of de schadelijke gevolgen te beperken. Uit de evaluatie van de dijkverschuiving blijkt dat vanaf 29 augustus 2003 10.00 uur weliswaar sprake was van een complex incident, coördinatiebehoefte bestond bij één of meer disciplines en een Coördinatie Team Plaats Incident werd opgestart doch dat de burgemeester nog slechts werd geïnformeerd. Nu de burgemeester vanaf 29 augustus 2003 10.00 uur derhalve niet meer het opperbevel had, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat vanaf dat moment geen sprake meer was van een ramp als bedoeld in de Wrzo. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2006 in zaak nr. 200503317/1) voorziet artikel 25, gelezen in samenhang met artikel 1, aanhef en onder b, van de Wrzo in het verlenen van een bijdrage voor gemeenten uit 's Rijks kas voor kosten van de gecoördineerde inzet van diensten en organisaties bij de daadwerkelijke bestrijding van een ramp of een zwaar ongeval, alsmede de kosten van de gevolgen van die daadwerkelijke bestrijding, waaronder kan worden begrepen de schade die is ontstaan door de bestrijding van de ramp. De kosten die zijn gemaakt in verband met de gevolgen van de ramp en niet in verband met de daadwerkelijke bestrijding ervan of de gevolgen van deze bestrijding, komen dan ook, anders dan de gemeente stelt, niet voor een bijdrage in de zin van artikel 25 van de Wrzo in aanmerking. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen. Het betoog faalt. 2.6. Voorts voert de gemeente aan dat de rechtbank, door de verschillende fasen van het coördinatiealarm Gecoördineerde Regionale Incidentenbestrijdingsprocedure (hierna: GRIP) bij haar oordeel te betrekken, heeft miskend dat ten tijde van de dijkverschuiving de GRIP-fasen landelijk niet op gelijke wijze werden gehanteerd. 2.6.1. Dit betoog faalt, reeds omdat de rechtbank bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit is uitgegaan van de door de gemeente gehanteerde omschrijvingen van de GRIP-fasen. 2.7. De gemeente betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte het Handboek Voorbereiding Rampenbestrijding (hierna: het handboek), dat bij de totstandkoming van de Wrzo geen enkele rol heeft gespeeld, bij haar oordeel heeft betrokken. Uit de aangevallen uitspraak blijkt dat de rechtbank voor de uitleg van het begrip ramp in de zin van de Wrzo aansluiting heeft gezocht bij de tekst van deze wet en de wetsgeschiedenis. Het handboek is, zoals de gemeente stelt, slechts een informatief hulpmiddel in het kader van rampbestrijding en is ook als zodanig door de rechtbank bij de beoordeling van het bij haar bestreden besluit betrokken. 2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. T.M.A. Claessens, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat. w.g. Vlasblom w.g. Groenendijk voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 164-506.