Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0308

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200705533/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 12 juni 2007, kenmerk 1242942, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Helmond bij besluit van 7 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Brandevoort II".


Uitspraak

200705533/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], 2. [appellant sub 2 A], wonend te [woonplaats], en [appellant sub 2 B], gevestigd te [plaats], 3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats], 4. [appellant sub 4], wonend te [woonplaats], en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 juni 2007, kenmerk 1242942, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Helmond bij besluit van 7 november 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Brandevoort II". Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] (hierna: [appellanten sub 2]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2007, [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 augustus 2007, en [appellant sub 4] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 augustus 2007, beroep ingesteld. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben de raad van de gemeente Helmond en het college een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2008, waar [appellante sub 1] en [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 4], en [appellanten sub 2], vertegenwoordigd door mr. L.A. Pronk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, P. Smaal, J. Klomp en T.A.M. van den Berg, allen ambtenaar in dienst van de gemeente Helmond. 2. Overwegingen 2.1. [appellanten sub 2] hebben hun beroepsgrond dat zij ten onrechte niet zijn gehoord naar aanleiding van het overleg krachtens artikel 10:30, eerste lid, van de Awb, ter zitting ingetrokken. 2.2. [appellanten sub 2] hebben in hun zienswijze de bestemming van het plandeel dat hun agrarisch bedrijf betreft en de bestemming van het plandeel dat de geurhindercontour van hun agrarisch bedrijf betreft, bestreden. In beroep voeren [appellanten sub 2] aan dat het bestemmingsplan niet voldoet aan het Besluit luchtkwaliteit (2005). De Afdeling stelt vast dat [appellanten sub 2] in beroep aldus de goedkeuring van het gehele bestemmingsplan bestrijden. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 27 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan door een belanghebbende slechts beroep worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerpplan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, dan wel indien een belanghebbende redelijkerwijs kan worden verweten dat hij ter zake geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Omdat [appellanten sub 2] in hun zienswijze niet de aanvaardbaarheid van het gehele bestemmingsplan hebben bestreden, moet worden geoordeeld dat hetgeen zij over luchtkwaliteit betogen, niet zijn grondslag vindt in hun zienswijze. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. 2.2.1. [appellanten sub 2] hebben bedenkingen ingebracht tegen het bestemmingsplan, voor zover dat woningbouw in de geurhindercontour van hun agrarisch bedrijf mogelijk maakt. Het beroep van [appellanten sub 2], voor zover gericht tegen de goedkeuring van het plandeel dat betrekking heeft op het niet als zodanig bestemmen van hun agrarisch bedrijf, steunt derhalve niet op bij het college ingebrachte bedenkingen. Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, aanhef en onder d, en 56, eerste lid, van de WRO en artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college, voor zover dit beroep de goedkeuring van plandelen, voorschriften of aanduidingen betreft die de belanghebbende in een tegen het vastgestelde plan bij het college ingebrachte bedenking heeft bestreden. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij ter zake geen bedenkingen heeft ingebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellanten sub 2] is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk. 2.3. [appellant sub 4] voert aan dat het vastgestelde plan niet gedurende een periode van 6 weken ter inzage heeft gelegen, omdat de Stadswinkel op de laatste werkdag van de termijn was gesloten. Voorts betoogt [appellant sub 4] dat de termijn voor het mondeling indienen van bedenkingen door de sluiting van het provinciehuis van 25 december 2006 tot en met 1 januari 2007 feitelijk is bekort tot vijf weken. 2.3.1. Uit de publicaties blijkt dat het vastgestelde plan met ingang van maandag 20 november 2006 gedurende een periode van 6 weken ter inzage is gelegd. Deze periode eindigde op zondag 31 december 2006. Ingevolge de Algemene termijnenwet eindigt deze termijn echter niet op deze zondag, maar op de eerstvolgende dag die niet een algemeen erkende feestdag is. In dit geval was dat 2 januari 2007. Van de zijde van de gemeente Helmond is ter zitting verklaard dat de stukken tot en met 2 januari 2007 in de Stadswinkel ter inzage hebben gelegen. De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. Het bestemmingsplan kon derhalve ook op de laatste dag van de ingevolge de Algemene Termijnenwet verlengde termijn worden ingezien. Hoewel het Stadskantoor op vrijdag 29 december 2006 was gesloten, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet heeft voldaan aan wettelijke verplichtingen ter zake van de tervisielegging van het vastgestelde plan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de wetgever, gelet op de regeling neergelegd in de Algemene termijnenwet, aan de laatste dag van een wettelijke termijn belangrijke betekenis toekent. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 4] in zoverre heeft aangevoerd, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college het plan ten onrechte heeft goedgekeurd. 2.3.2. In de publicaties is vermeld dat gedurende de periode waarin het vastgestelde plan ter inzage ligt, mondelinge bedenkingen kunnen worden ingebracht van maandag tot en met donderdag. Door de sluiting van de kantoren van de provincie Noord-Brabant konden, anders dan in de publicaties vermeld, op woensdag 27 december 2006 en donderdag 28 december 2006 geen mondelinge bedenkingen worden ingediend. Voornoemde kantoren waren op dinsdag 2 januari 2007 weer geopend. Gesteld noch gebleken is dat daar toen geen mogelijkheid bestond mondelinge bedenkingen in te dienen. Nu ook op de laatste dag van de wettelijke termijn mondelinge bedenkingen konden worden ingebracht, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval geen sprake van schending van het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de WRO. Ook hier neemt de Afdeling in aanmerking dat de wetgever, gelet op de regeling neergelegd in de Algemene termijnenwet, aan de laatste dag van een wettelijke termijn belangrijke betekenis toekent. Het betoog van [appellant sub 4] faalt. 2.4. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht. 2.5. Het bestemmingsplan voorziet in de oprichting van een woonwijk met 3000 woningen en een bedrijventerrein met een omvang van 34 ha. 2.6. [appellante sub 1] en [appellante sub 3] voeren aan dat de bereikbaarheid van hun bedrijven verslechtert door de afsluiting van de Broekstraat en de Vaarleseweg. Daardoor zal verkeer naar en van hun bedrijven ongeveer zes kilometer moeten omrijden. Dit brengt extra kosten met zich. [appellant sub 4] betoogt dat de bereikbaarheid van zijn woning verslechtert door de afsluiting van de Broekstraat, de Vaarleseweg en de Stepekolk. 2.6.1. Het college heeft er op gewezen dat met het verdwijnen van de huidige doorgaande verbinding naar Helmond en naar Nuenen wordt beoogd niet wijkgebonden sluipverkeer uit de op te richten woonwijk te weren. 2.6.2. De Vaarleseweg, de Broekstraat en de Stepekolk zijn tevens op het grondgebied van twee naburige gemeenten gesitueerd. Ter zitting is gebleken dat deze gemeenten voornemens zijn door middel van een verkeersbesluit de doorgaande functie voor autoverkeer van deze wegen op te heffen. De Afdeling stelt vast dat deze voornemens in deze procedure niet ter beoordeling staan. Aan de plandelen die de Broekstraat en de Vaarleseweg betreffen, is, voor zover hier van belang, de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)" toegekend. Uit artikel 6, eerste lid, vijfde streepje, van de planvoorschriften volgt dat deze gronden onder meer bestemd zijn voor verkeersdoeleinden in de vorm van lanen, woonstraten, verkeersdoeleinden/woonomgeving, ontsluitingspaden, en voet- en fietspaden. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan er niet aan in de weg staat dat een uitwerkingsplan wordt vastgesteld waarin de Broekstraat en de Vaarleseweg hun functie als doorgaande verbinding behouden. Aan het plandeel dat de Stepekolk betreft, is de bestemming "Verkeersdoeleinden" toegekend. Het bestemmingsplan staat derhalve niet in de weg aan het behoud van de huidige functie van de Stepekolk. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 3], en [appellant sub 4] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarin wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellante sub 1] en [appellante sub 3], en [appellant sub 4] is mitsdien in zoverre ongegrond. 2.7. [appellante sub 1] en [appellante sub 3] stellen dat hun agrarisch bedrijf Heideschoor 2a ten onrechte niet in het geurhinderzoek is betrokken. Voorts stellen zij dat onvoldoende vaststaat dat er geen woningen gebouwd zullen worden in de stankcirkel die sedert 1 januari 2007 van toepassing is op hun bedrijven. 2.7.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op de plankaart een gebied is voorzien van de aanduiding "geurhindercontour". Deze contour heeft mede betrekking op de individuele en cumulatieve geurhinder vanwege de twee agrarische bedrijven van [appellante sub 1] en van [appellante sub 3]. In artikel 6, vierde lid, onder e, van de planvoorschriften is bepaald dat op de desbetreffende gronden geen woningen of andere geurgevoelige objecten gerealiseerd mogen worden. 2.7.2. Ter zitting is van de zijde van de gemeente Helmond bevestigd dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan de geurhinder die agrarische bedrijven in en nabij het plangebied veroorzaken, is bepaald aan de hand van de regels die ter zake voor 1 januari 2007 van toepassing waren. Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij inwerking getreden. Het bestreden besluit dateert van 12 juni 2007. De Afdeling stelt vast dat het college bij zijn besluit in het geheel niet heeft beoordeeld of de plandelen met de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)" zodanig verwezenlijkt kunnen worden, dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en derhalve van een situatie die niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 1] en [appellante sub 3] hebben aangevoerd, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", op de plankaart nader aangeduid als "[appellante sub 1]". 2.8. [appellant sub 4] heeft ter motivering van zijn bezwaren tegen het bestemmingsplan in zijn beroepschrift tevens verwezen naar een gedeelte van de inhoud van zijn zienswijze en bedenkingen. Zowel de raad van de gemeente Helmond als het college zijn in hun respectieve besluiten uitvoerig op deze punten ingegaan. [appellant sub 4] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze en bedenkingen onjuist zou zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding deze punten bij de beoordeling te betrekken. 2.9. [appellanten sub 2] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", voor zover dat betrekking heeft op de geurhindercontour van hun intensieve pluimveehouderij. Zij voeren aan dat het behoud van een onteigeningstitel en het behoud van het gevestigde voorkeursrecht niet aan de goedkeuring ten grondslag gelegd kunnen worden. Zij betogen tevens dat in het plan niet is vastgelegd dat er geen woningen in de geurcontour van hun bedrijf gebouwd mogen worden, zolang het bedrijf ter plaatse nog is gevestigd. Dit klemt te meer nu geen adequaat onderzoek is gedaan naar de omvang van de geurhindercontour en niet duidelijk is hoe de gemeente Helmond kan garanderen dat het aantal stankgehinderden ter plaatse niet zal toenemen. Tevens betogen zij dat goedkeuringsbesluit strijdt met het gelijkheidsbeginsel. Ook achten zij de financiële haalbaarheid onvoldoende onderbouwd, omdat geen rekening is gehouden met de kosten voor de verplaatsing van hun bedrijf. 2.9.1. Het college heeft het plandeel dat betrekking heeft op het bedrijf van [appellanten sub 2] goedgekeurd. Daarbij heeft het college een doorslaggevend gewicht toegekend aan het belang van de gemeente Helmond dat is gediend met het behoud van de mogelijkheid de gronden, indien dat noodzakelijk zou zijn, te onteigenen. Het college heeft daarbij in aanmerking genomen dat de raad van de gemeente Helmond stelt te kunnen garanderen dat het aantal stankgehinderden in het plangebied niet zal toenemen. Tevens heeft het college daarbij betrokken dat door het college goed te keuren uitwerkingsplannen aan dit aspect getoetst zullen worden. 2.9.2. De Afdeling is van oordeel dat het behoud van een onteigeningstitel niet kan dienen als argument voor het standpunt van het college dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De uitwerkingsregels sluiten niet uit dat, zolang het bedrijf ter plaatse is gevestigd, op basis van een uitwerkingsplan woningen worden gebouwd in de geurhindercontour van het agrarisch bedrijf. Vaststaat dat [appellanten sub 2] de intensieve pluimveehouderij ter plaatse nog steeds exploiteren, dat ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit geen zicht was op overeenstemming met de gemeente Helmond over verwerving van de gronden langs minnelijke weg en dat een onteigeningsprocedure niet uitgesloten moet worden geacht. Aan het belang van het bedrijf bij een eventuele voortzetting van de exploitatie ter plaatse gedurende enige jaren had het college niet voorbij kunnen gaan. Het standpunt van het college dat het aspect stankhinder bij de goedkeuring van uitwerkingsplannen zal worden betrokken, kan niet toereikend worden geacht, nu het college zich er reeds bij de goedkeuring van het bestemmingsplan van dient te vergewissen dat de plandelen met een uit te werken bestemming zodanig verwezenlijkt kunnen worden, dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en derhalve van een situatie die niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening. Het betoog in zoverre van [appellanten sub 2] slaagt. 2.9.2.1. Gelet op hetgeen [appellanten sub 2] ter zake hebben betoogd, wordt geoordeeld dat het college er in redelijkheid van mocht uitgaan, dat het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende onderzoek naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet tot de conclusie behoeft te leiden dat hetgeen met het plan wordt beoogd, om financiële redenen niet kan worden verwezenlijkt. Dat het exploitatiesaldo van het bestemmingsplan een nadelig saldo vertoont van 33,6 miljoen euro, leidt niet tot een ander oordeel, ook niet nu daarin niet het bedrag is begrepen voor de aankoop van het agrarisch bedrijf van [appellanten sub 2]. Daarbij neem de Afdeling in aanmerking dat het grondbedrijf van de gemeente Helmond, blijkens hetgeen ter zitting is verklaard, dit tekort voor zijn rekening neemt. Gesteld noch gebleken is dat daarvan niet kan worden uitgegaan. Het enkele feit dat de gemeente Helmond overeenstemming heeft bereikt over de minnelijke verwerving van drie andere intensieve veehouderijen, maar nog niet over de verwerving van het intensieve pluimveebedrijf van [appellanten sub 2], behoefde voor verweerder geen aanleiding te zijn het plan niet aanvaardbaar te achten. Het betoog faalt. 2.9.3. De conclusie is dat hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, ten dele aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep van [appellanten sub 2] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", op de plankaart nader aangeduid als "Liverdonk" en het plandeel met de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", op de plankaart nader aangeduid als "Kranendonk". 2.10. Het college dient op na te melden wijzen in de proceskosten van [appellanten sub 2] te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 1] en ten aanzien van [appellante sub 3] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] niet-ontvankelijk voor zover dat betrekking heeft op luchtkwaliteit en op het plandeel dat hun agrarisch bedrijf betreft; II. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], voor zover ontvankelijk, geheel, en het beroep van Varkensbedrijf [appellante sub 1], en het beroep van [appellante sub 3], gedeeltelijk gegrond; III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 12 juni 2007, kenmerk 1242942, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan de plandelen met de bestemming "Woongebied II (uit te werken ex artikel 11 van de WRO)", op de plankaart nader aangeduid als "[appellante sub 1]", "Liverdonk" en "Kranenbroek"; IV. verklaart het beroep van [appellante sub 1] en het beroep van [appellante sub 3] voor het overige, en het beroep van [appellant sub 4] geheel ongegrond; V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van totaal € 644,00 € (zegge: zeshonderdvierenveertig euro); welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Noord-Brabant onder vermelding van het zaaknummer aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] te worden betaald; VI. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], aan Varkensbedrijf [appellante sub 1], en aan [appellante sub 3], het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 285,00 (zegge: tweehonderdvijfentachtig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J.C. van Geel, ambtenaar van Staat. w.g. Van Dijk w.g. Van Geel voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 381.