
Jurisprudentie
BF0300
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200709047/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200709047/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij afzonderlijke besluiten van 3 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan Directoraat Generaal Rijkswaterstaat (hierna: Rijkswaterstaat) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van bouwvergunningplichtige werkzaamheden (kunstwerken 41, 42, 43, 44, 46 en 47) betreffende de reconstructie van de A50-A58 op de percelen kadastraal bekend gemeente Son en Breugel sectie B, nummers 2639, 2675, 2677, 2678 en 2679.
Uitspraak
200709047/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Donjon Woonburcht B.V., gevestigd te Son,
appellanten,
tegen de uitspraak in zaak nrs. 07/67 en 07/2598, 07/147 en 07/2600, 07/150 en 07/2602, 07/153 en 07/2603, 07/155 en 07/2604, 07/157 en 07/2605 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 november 2007 in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Donjon Woonburcht B.V.
en
het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel.
1. Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 3 oktober 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Son en Breugel (hierna: het college) aan Directoraat Generaal Rijkswaterstaat (hierna: Rijkswaterstaat) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het realiseren van bouwvergunningplichtige werkzaamheden (kunstwerken 41, 42, 43, 44, 46 en 47) betreffende de reconstructie van de A50-A58 op de percelen kadastraal bekend gemeente Son en Breugel sectie B, nummers 2639, 2675, 2677, 2678 en 2679.
Bij besluit van 26 juni 2007 heeft het college het door de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Donjon Woonburcht B.V. (hierna: de Donjon) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 15 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het door de Donjon daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, en de Donjon bij brief, eveneens bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2007, hoger beroep ingesteld. Het college heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 29 januari 2008.
Het college en de Donjon hebben nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Donjon heeft een nader stuk ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2008, waar het college, vertegenwoordigd door mr. H.A. Samuels Brusse-van der Linden, advocaat te Utrecht, en E.A.J. de Bruin, ambtenaar in dienst van de gemeente, en de Donjon, vertegenwoordigd door [directeur], zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord Rijkswaterstaat, vertegenwoordigd door mr. F.J.L. Geboers en ir. F.M.W. Fieman.
2. Overwegingen
Ten aanzien van het hoger beroep van het college
2.1. Het college betoogt dat de rechtbank de door de Donjon in beroep aangevoerde grond, dat de door haar gewenste afslag zal leiden tot minder milieubelasting en dat de realisatie van het knooppunt in strijd is met de milieunormen, niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Het college voert hiertoe aan dat deze grond niet eerder in de procedure door de Donjon aan de orde is gesteld.
2.1.1. Dit betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 oktober 2006 in zaak nr. 200600059/1, vloeit ten aanzien van de bezwaarschriftprocedure uit de wet, noch uit enig rechtsbeginsel voort dat de gronden die niet in de bezwaarschriftfase zijn aangevoerd vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Derhalve heeft de rechtbank voormelde grond terecht niet buiten beschouwing gelaten.
Ten aanzien van het hoger beroep van de Donjon
2.2. Het bouwplan ziet op de realisatie van kunstwerken, waaronder begrepen viaducten en een grondkerende wand langs de A50-A58. Deze bouwwerken dienen ten behoeve van de reconstructie van de A50-A58.
De kunstwerken zijn in strijd met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Industrieterrein Ekkersrijt", "Ekkersrijt West", "A50, omlegging Son" en "A50, omlegging Son herziening 1999". Teneinde realisering van de kunstwerken mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.
2.3. In de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2008 in zaak nr. 200704437/1 heeft de Afdeling een oordeel gegeven over de vraag of de rechtbank het besluit waarbij door het college vrijstelling is verleend ten behoeve van de reconstructie van de A50-A58, voor zover het de niet-bouwvergunningplichtige activiteiten betreft, terecht niet in strijd met het recht heeft geoordeeld. Daarin is de Afdeling tot het oordeel gekomen dat het college bevoegd was toepassing te geven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO en dat het college in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
2.4. De Donjon betoogt allereerst tevergeefs dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de door haar gewenste afslag minder belasting voor het milieu tot gevolg zal hebben dan realisatie van het thans voorliggende bouwplan. Ten behoeve van het bouwplan is een rapport opgesteld waaruit blijkt dat de reconstructie van de A50-58 niet in strijd is met de geldende milieunormen. In het door de Donjon - niet nader onderbouwde - standpunt is geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college ervan kon uitgaan dat is voldaan aan de eisen die op grond van het Besluit luchtkwaliteit 2005 zijn gesteld. Voor zover de Donjon verwijst naar de Wet Luchtkwaliteit stelt de Afdeling vast dat deze ten tijde van het besluit van 26 juni 2007 nog niet in werking was getreden. Derhalve kon hierin geen grond zijn gelegen de gevraagde vrijstelling te weigeren.
2.5. De Donjon voert met betrekking tot het besluit van 26 juni 2007 verder dezelfde gronden aan als tegen het besluit waarbij door het college vrijstelling is verleend voor de niet-bouwvergunningplichtige activiteiten ten behoeve van de reconstructie van de A50-A58. De Afdeling ziet, nu de kunstwerken dienen ten behoeve van de reconstructie van de A50-A58, zoals beoordeeld in de uitspraak van 5 maart 2008, geen aanleiding thans anders te oordelen dan in die uitspraak. De voorzieningenrechter heeft derhalve terecht overwogen dat aan de formele eisen voor het volgen van de vrijstellingsprocedure ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO is voldaan en dat het college in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen verlenen, zodat het, gelet op het dwingend bepaalde in artikel 44 van de Woningwet, de bouwvergunning niet heeft kunnen weigeren.
2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. bepaalt dat van de gemeente Son en Breugel griffierecht ten bedrage van € 428,00 (zegge: vierhonderdenachtentwintig euro) wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
163-552.