Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BF0296

Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708813/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 16 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Energie Productie BV (hierna: Essent) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het produceren van elektriciteit middels een gecombineerde gas- en stoomturbine aan de Centraleweg 16 te Geertruidenberg. Dit besluit is op 26 november 2007 ter inzage gelegd.


Uitspraak

200708813/1. Datum uitspraak: 10 september 2008 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de stichting Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht, appellante, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 16 november 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Essent Energie Productie BV (hierna: Essent) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het produceren van elektriciteit middels een gecombineerde gas- en stoomturbine aan de Centraleweg 16 te Geertruidenberg. Dit besluit is op 26 november 2007 ter inzage gelegd. Tegen dit besluit heeft de Stichting Natuur en Milieu (hierna: de Stichting) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 december 2007, beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2008, waar de Stichting, vertegenwoordigd door drs. ing. J.G. Vollenbroek, en het college, vertegenwoordigd door M. van Dam-Benders, werkzaam bij de provincie, en S. Montfoort, zijn verschenen. Voorts is Essent, vertegenwoordigd door R.G.P. Zelis en M.P.W.H. van Gemert, als partij gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Uit artikel 6:13 van de Awb vloeit voort dat in beroep slechts categorieën milieugevolgen als besluitonderdelen aan de orde kunnen worden gesteld waarover een zienswijze naar voren is gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze appellant redelijkerwijs niet kan worden verweten. De Stichting heeft zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot luchtverontreiniging. De beroepsgronden over het ontbreken van alternatieve opties in de vergunningaanvraag, het niet toepassen van het BREF Cross-Media effects, het ontbreken van een deugdelijke motivering met betrekking tot de kosteneffectiviteit en het ontbreken van een voorschrift ter beperking van het aantal uren dat de gasturbine in werking is, hebben eveneens betrekking op luchtverontreiniging. Anders dan het college stelt, is het beroep op deze punten ontvankelijk. 2.2. De Stichting betoogt dat er onvoldoende coördinatie tussen de vergunningverlening krachtens de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: de Wvo) is geweest. Hiertoe voert zij aan dat er ten onrechte geen gezamenlijke publicatie van de ontwerpbeschikkingen heeft plaatsgevonden. 2.2.1. Overeenkomstig artikel 8.30, eerste lid van de Wet milieubeheer is de aanvraag om een vergunning krachtens de Wet milieubeheer tegelijkertijd ingediend met de aanvraag om een vergunning krachtens de Wvo. Uit een brief van 11 juni 2007 van de minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) blijkt dat met de Landelijke Coördinatiecommissie Waterverdeling is afgesproken dat alle Wvo-vergunningen van grote warmtelozers voor de zomer van 2007 moeten zijn aangepast aan de nieuwe beoordelingssystematiek warmtelozingen. Daarom hebben de minister en het college besloten om de procedurele coördinatie los te laten. Nu de inhoudelijke coördinatie niet is losgelaten en de minister op 13 juni 2007 advies over de samenhang tussen de op grond van de Wvo en de Wet milieubeheer te nemen besluiten advies heeft uitgebracht, is er geen grond het bestreden besluit wegens strijd met artikel 14.3, tweede lid, van de Wet milieubeheer te vernietigen. De beroepsgrond faalt. 2.3. De Stichting voert aan dat alternatieven met betrekking tot de reductie van stikstofoxiden (NOx) onvoldoende in de aanvraag zijn beschreven, hetgeen zij in strijd acht met artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder m, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. 2.3.1. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder m, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer vermeldt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor het oprichten of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onder a en c van de Wet milieubeheer, voor zover het betreft inrichtingen waartoe gpbv-installaties behoren, een beknopte beschrijving van de belangrijkste door de aanvrager bestudeerde alternatieven, voor zover deze bestaan. 2.3.2. Niet in geschil is dat de inrichting een gpbv-installatie omvat, zodat artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder m, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit in dit geval van toepassing is. In de aanvraag zijn als belangrijkste alternatieven om de emissie van NOx bij bestaande gasturbines te reduceren het toepassen van een injectie met water en stoom en het installeren van een DeNOx installatie onderzocht. Daarnaast is het vervangen van de branders door zogenoemde dry low NOx-premix branders als alternatief bezien. Anders dan de Stichting aanvoert bevat de aanvraag een beknopte omschrijving van deze bestudeerde alternatieven, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag in zoverre voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. 2.4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt. Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe. 2.5. De Stichting voert aan dat de in de inrichting aanwezige gasturbine geen beste beschikbare techniek betreft, omdat de vergunde NOx-emissie van 102 g/GJ hoger is dan de in het BREF Grote stookinstallatie genoemde range van 45-81 g/GJ NOx voor bestaande gasturbines. Volgens haar heeft het college onvoldoende gemotiveerd waarom niet aan de in het BREF genoemde emissiewaarden kan worden voldaan. 2.5.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling aanwijzing BBT-documenten worden als documenten waarmee het bevoegd gezag bij de bepaling van de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken rekening houdt, aangewezen de documenten vermeld in de tabellen 1 en 2 , die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage. Bij de beoordeling van de vraag of de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast heeft het college het voor de onderhavige inrichting in tabel 1 genoemde BREF Grote Stookinstallaties betrokken. 2.5.2. In het BREF Grote Stookinstallaties is vermeld dat in het algemeen reductie van stikstofoxiden (NOx) in aanmerking wordt genomen als beste beschikbare techniek. Bij de in het BREF Grote Stookinstallaties vermelde beste beschikbare technieken zijn voor NOx emissiewaarden vermeld. In het BREF Grote Stookinstallaties wordt vermeld dat ervan wordt uitgegaan dat die emissiewaarden haalbaar zijn wanneer de desbetreffende beste beschikbare technieken worden toegepast en de desbetreffende installatie onder normale omstandigheden in werking is. Tevens is in het BREF Grote Stookinstallaties uitdrukkelijk vermeld dat de daarin opgenomen emissiewaarden geen grenswaarden zijn en ook niet als grenswaarden dienen te worden gehanteerd. Volgens het BREF Grote Stookinstallaties moet in aanmerking worden genomen dat tijdens piekbelastingen en bij het opstarten of uitschakelen, ondanks het toepassen van een beste beschikbare techniek, hogere waarden kunnen optreden dan de in het BREF Grote Stookinstallaties genoemde emissiewaarden. 2.5.3. De bij het bestreden besluit vergunde bestaande gasturbine installatie is uitgerust met water en stoominjectie. In het BREF Grote Stookinstallaties is de reductie van NOx door middel van de injectie van water en stoom bij bestaande gasturbines als beste beschikbare techniek aangemerkt. In het BREF Grote Stookinstallaties wordt ervan uitgegaan dat bij een bestaande gasturbine waarbij een water en stoominjectie wordt toegepast, onder normale omstandigheden een NOx-emissie van 50-90 mg/Nm3, hetgeen overeenkomt met de door de Stichting genoemde 45-81 g/GJ, haalbaar is. 2.5.4. Ingevolge voorschrift 2.1 bij de vergunning mag de emissie naar lucht van NOx vanuit de gasturbine de daggemiddelde emissiewaarde van 102 g/GJ niet overschrijden. De emissie naar de lucht van NOx bedraagt derhalve meer dan de in het BREF Grote Stookinstallaties genoemde emissiewaarde voor bestaande gasturbines met injectie van water en stoom. Blijkens de aanvraag kan met emissiebeperkende maatregelen de emissie van NOx worden beperkt tot 102 g/GJ. De onderhavige inrichting wordt gebruikt als pieklasteenheid in een start-stopbedrijf en is maximaal 2.000 vollasturen per jaar in werking. Dit betekent dat de installatie korte tijd in bedrijf is en elektrisch vermogen levert om leveringspieken van elektriciteit snel te kunnen op vangen. Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit overeenkomstig hetgeen dienaangaande in het BREF Grote Stookinstallaties is vermeld, met deze omstandigheden rekening gehouden en heeft een emissiewaarde opgelegd die kan worden behaald bij het treffen van de mogelijke maatregelen. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat met toepassing van de in het BREF Grote Stookinstallaties als beste beschikbare techniek aangemerkte injectie met water en stoom, bij de gegeven werking van de inrichting als pieklasteenheid in een start-stopbedrijf, een verdergaande reductie van de uitstoot van NOx kan worden bereikt. Gelet op het vorenstaande heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de gasturbine met injectie van water en stoom als beste beschikbare techniek kan worden aangemerkt. Voor zover de Stichting heeft aangevoerd dat het in het belang van de bescherming van het milieu nodig is strengere emissiegrenswaarden voor NOx aan de vergunning te verbinden overweegt de Afdeling dat de Stichting die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is verdergaande eisen te stellen. 2.5.5. Ten aanzien van de stelling van de Stichting dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het BREF Cross-media and economics, overweegt de Afdeling dat in tabel 1 van de bijlage bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten is bepaald dat met het BREF Cross-media and economics alleen rekening moet worden gehouden voor zover dat in individuele gevallen relevant is. Omdat de onderhavige gasturbine met injectie van water en stoom in het BREF Grote Stookinstallaties als beste beschikbare techniek is aangemerkt, heeft het college het BREF Cross-media niet relevant kunnen achten. 2.6. De Stichting betoogt dat er ten onrechte geen voorschrift aan de vergunning is verbonden waarin het aantal uren dat de gasturbine in werking mag zijn, is beperkt. 2.6.1. In de aanvulling op de aanvraag 16 mei 2007 is vermeld dat de gasturbine maximaal 2000 vollasturen per jaar in werking zal zijn. In het dictum van het bestreden besluit is vermeld dat de aanvullende informatie behorende bij de gewaarmerkte aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. Gelet hierop is voldoende duidelijk bepaald dat de inrichting maximaal 2.000 vollasturen per jaar in werking mag zijn. De door de Stichting gestelde vrees dat de inrichting in feite langer in werking zal zijn dan 2.000 vollasturen, heeft geen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit en kan reeds daarom niet slagen. De beroepsgrond faalt. 2.7. Het beroep is ongegrond. 2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat. w.g. Van Kreveld w.g. Klap voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008 325-517.