
Jurisprudentie
BF0291
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800336/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200800336/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de raad van de gemeente Helmond (hierna: de gemeenteraad) de Zuid Willemsvaart tussen de Houtse Parallelbrug en de industriehaven onttrokken aan het openbare scheepvaartverkeer.
Bij besluit van dezelfde datum heeft de raad de aan [appellante] verleende vergunning voor het behouden van een transportinrichting met steiger ingetrokken.
Uitspraak
200800336/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [plaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/234 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 november 2007 in het geding tussen voormelde rechtspersoon
en
de raad van de gemeente Helmond.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2006 heeft de raad van de gemeente Helmond (hierna: de gemeenteraad) de Zuid Willemsvaart tussen de Houtse Parallelbrug en de industriehaven onttrokken aan het openbare scheepvaartverkeer.
Bij besluit van dezelfde datum heeft de raad de aan [appellante] verleende vergunning voor het behouden van een transportinrichting met steiger ingetrokken.
Bij besluit van 4 december 2006 heeft de gemeenteraad de door [appellante] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 november 2007, verzonden op 4 december 2007, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover het betreft het intrekken van de vergunning, het besluit van 4 december 2006 in zoverre vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven en het beroep voor zover het betreft de onttrekking van de Zuid Willemsvaart aan het openbare scheepvaartverkeer ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 januari 2008, hoger beroep ingesteld.
De gemeenteraad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 juli 2008, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. J.W. de Rijk, advocaat te Helmond, en de gemeenteraad en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, werkzaam bij de gemeente Helmond, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De gemeenteraad heeft de Zuid Willemsvaart tussen de Houtse Parallelbrug en de industriehaven onttrokken aan het openbare scheepvaartverkeer in het kader van de ontwikkeling van de Suytkade en de aanleg van een nieuw kunstwerk in de vorm van een brug die de Suytkade verbindt met de Kanaaldijk Zuid-West. Voorts heeft de gemeenteraad vanwege deze onttrekking aan het openbare scheepvaartverkeer de aan [appellante] verleende vergunning voor het behouden van een transportinrichting met steiger ingetrokken.
2.2. De rechtbank heeft het beroep tegen de intrekking van de vergunning gegrond verklaard, omdat niet de gemeenteraad, maar het college van burgemeester en wethouders bevoegd is dat besluit te nemen. De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het beroep gericht tegen de onttrekking aan het openbare scheepvaartverkeer ongegrond verklaard.
2.3. [appellante] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, nu de gemeenteraad het besluit tot onttrekking aan het openbare scheepvaartverkeer niet aan gedeputeerde staten heeft medegedeeld, althans dat niet is komen vast te staan, en [appellante] in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen.
2.3.1. Anders dan [appellante] betoogt heeft de rechtbank de Wegenwet niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de onttrekking van wateren aan het openbare scheepvaartverkeer, maar heeft zij, gelijk de Afdeling bij uitspraak van 10 september 2003, in zaak nr. 200305311/1, heeft gedaan, overwogen dat ter zake van de bevoegdheid van de gemeenteraad aansluiting moet worden gezocht bij de artikelen 108, eerste lid, en 147, eerste lid, van de Gemeentewet, in samenhang met het in de Wegenwet neergelegde stelsel. Artikel 9 van de Wegenwet is dan ook niet van toepassing op de onttrekking van wateren aan het openbare scheepvaartverkeer, zodat geen verplichting bestond het besluit aan gedeputeerde staten mee te delen.
2.3.2. De gemeenteraad heeft [appellante] in strijd met artikel 4:8 van de Awb niet in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. Nu de gemeenteraad [appellante] naar aanleiding van het door hem ingediende bezwaar heeft gehoord, heeft hij daarmee het aan het primaire besluit klevende gebrek hersteld. Niet aannemelijk is geworden dat [appellante] aldus in zijn belangen is geschaad.
2.4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte tot de slotsom is gekomen dat de gemeenteraad in redelijkheid heeft kunnen komen tot de onttrekking van de Zuid Willemsvaart aan het openbare scheepvaartverkeer. Niet aannemelijk is geworden dat de brug tussen de Suytkade en de Kanaaldijk Zuid-West noodzakelijk is. De gemeenteraad heeft de stelling dat een hogere brug te hoge kosten met zich zou brengen niet onderbouwd. Voorts heeft de rechtbank het belang van [appellante] bij de mogelijkheid van transport van goederen over water niet of onvoldoende meegewogen.
2.4.1. De brug tussen het bouwproject "Suytkade" en de Kanaaldijk Zuid-West dient ter ontsluiting van dat bouwproject, dat onder meer woningen en kantoorruimte omvat. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt genoegzaam dat het bouwproject "Suytkade" onvoldoende kan worden ontsloten via de Engelse weg en ontsluiting behoeft via een brug over de Zuid Willemsvaart naar de doorgaande route Kanaaldijk Zuid-West. Derhalve is voldoende aannemelijk dat de brug tussen de Suytkade en de Kanaaldijk Zuid-West noodzakelijk is. De gemeenteraad heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat de aansluiting van een brug die zodanig geconstrueerd is dat doorvaart door vrachtschepen mogelijk blijft, op de Kanaaldijk Zuid-West niet goed inpasbaar is, dan wel onevenredig hoge kosten met zich brengt. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de gemeenteraad groot gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van het onttrekken van de Zuid Willemsvaart aan het openbare scheepvaartverkeer vanwege de ontsluiting van de Suytkade.
Tegenover het belang de Zuid Willemsvaart aan het openbare scheepvaartverkeer te onttrekken staat het belang van [appellante] om deze te kunnen gebruiken om goederen over water naar en van zijn transportinrichting te vervoeren. Niet in geschil is dat [appellante] sinds 1984 geen gebruik heeft gemaakt van de Zuid Willemsvaart voor het vervoer van goederen over water. [appellante] betoogt evenwel dat hij weer van de mogelijkheid van vervoer over water gebruik zal maken op het moment dat vervoer over water rendabel is. Vanwege de gestegen brandstofprijzen wordt vervoer over land duurder en zal vervoer over water weer rendabel worden.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Zuid Willemsvaart daadwerkelijk zal gaan gebruiken voor vervoer van goederen over water, nu hij voor die stelling geen enkele onderbouwing heeft overgelegd. De gemeenteraad heeft dan ook aan het belang van het onttrekken van de Zuid Willemsvaart aan het openbare scheepvaartverkeer ten behoeve van ontsluiting van de Suytkade meer gewicht mogen toekennen, dan aan het belang van [appellante] bij handhaving van de het openbare scheepvaartverkeer van de Zuid Willemsvaart.
2.4.2. Nu [appellante] in geval van onttrekking aan het openbare scheepvaartverkeer van de Zuid Willemsvaart geen zelfstandig belang heeft bij handhaving van de vergunning voor het behouden van een transportinrichting met steiger, bestaat geen grond voor het oordeel dat deze vergunning niet in redelijkheid kon worden ingetrokken.
2.5. [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 4 december 2006, voor zover vernietigd, in stand heeft gelaten. De rechtbank heeft het besluit vernietigd op de grond dat niet de gemeenteraad, maar het college bevoegd was tot intrekking van de vergunning. Gelet op hetgeen in 2.4.2 is overwogen is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de vergunning in redelijkheid kon worden ingetrokken. Nu voorts het bevoegde college zelf het voorstel tot dit besluit aan de gemeenteraad heeft gedaan, dat door de gemeenteraad integraal is overgenomen, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen met recht in stand gelaten.
2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van Staat.
w.g. Polak w.g. Poot
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
362.