
Jurisprudentie
BF0290
Datum uitspraak2008-09-10
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708839/1
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200708839/1
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de aan wijlen [echtgenoot] toegekende huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 voor het adres [locatie] te [plaats] gewijzigd van € 1.038,60 in € 0,00 en de over dit tijdvak uitbetaalde subsidie van € 1.038,60 teruggevorderd.
Uitspraak
200708839/1.
Datum uitspraak: 10 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (lees: de minister voor Wonen, Wijken en Integratie),
appellant,
tegen de uitspraak in zaak nr. 07/2239 van de rechtbank Arnhem van 19 november 2007 in het geding tussen:
[wederpartij], wonend te [woonplaats],
en
de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2006 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de minister) de aan wijlen [echtgenoot] toegekende huursubsidie over het tijdvak 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005 voor het adres [locatie] te [plaats] gewijzigd van € 1.038,60 in € 0,00 en de over dit tijdvak uitbetaalde subsidie van € 1.038,60 teruggevorderd.
Bij besluit van 22 mei 2007 heeft de minister het door [wederpartij] als rechtsopvolger van [echtgenoot] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 november 2007, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 22 mei 2007 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 december 2007, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 16 januari 2008.
[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juni 2008, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. R.F. Thunnissen, avocaat te Den Haag, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. A.P. Bouw, zijn verschenen.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en schriftelijk een vraag gesteld aan de minister. De minister heeft hierop schriftelijk geantwoord, waarna [wederpartij] hierop een schriftelijke reactie heeft ingediend.
Met toestemming van partijen is afgezien van een nadere behandeling van de zaak ter zitting. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Bij de wet van 23 juni 2005 tot wijziging van een aantal wetten in verband met de invoering van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Aanpassingswet Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; Stb. 2005, 343) zijn onder meer de artikelen 4, 15 en 26 van de Huursubsidiewet (hierna: Hsw) komen te vervallen en is artikel 2 van de Hsw gewijzigd. De wijzigingswet is met ingang van 1 september 2005 van kracht geworden en geldt voor subsidietijdvakken, die aanvangen op of na 1 januari 2006. Nu het subsidietijdvak waarop voormeld besluit ziet vóór 1 januari 2006 is aangevangen, zijn de oude bepalingen van toepassing.
2.2. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van de Hsw wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder meerpersoonsouderen-huishouden verstaan: het huishouden van een huurder die samen met een of meer medebewoners een woning bewoont, als het aandeel in het rekeninkomen, afkomstig van personen die op 1 januari van het peiljaar 65 jaar of ouder waren, meer dan de helft bedraagt.
Ingevolge artikel 4, eerste lid, wordt in deze wet en de bepalingen die daarop berusten onder rekenvermogen verstaan: het gezamenlijk vermogen van de huurder en de medebewoners in het peiljaar.
Ingevolge het derde lid wordt onder vermogen verstaan: de gemiddelde rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001), met dien verstande dat die grondslag wordt bepaald zonder rekening te houden met de vrijstelling kapitaalverzekeringen voor kinderen, bedoeld in artikel 5.12 van die wet, de vrijstelling maatschappelijke beleggingen, bedoeld in afdeling 5.3 van die wet en de vrijstelling beleggingen in durfkapitaal, bedoeld in afdeling 5.3a van die wet.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, wordt geen huursubsidie toegekend als het rekenvermogen meer bedraagt dan € 48.625,00 bij een meerpersoonshuishouden of een meerpersoonsouderen-huishouden, als de huurder of een medebewoner op de laatste dag van het subsidiejaar 65 jaar of ouder is.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, kan de minister ambtshalve of op verzoek van de huurder, als in een bepaald geval de onverkorte toepassing van de desbetreffende bepalingen, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, bij de toepassing van de artikelen 3, derde lid, of 4, derde lid, bepaalde inkomsten of vermogensbestanddelen geheel of gedeeltelijk buiten beschouwing laten.
Ingevolge artikel 5.2 van de Wet IB 2001 wordt het voordeel uit sparen en beleggen gesteld op 4% (forfaitair rendement) van het gemiddelde van de rendementsgrondslag aan het begin van het kalenderjaar (begindatum) en de rendementsgrondslag aan het einde van het kalenderjaar (einddatum), voor zover het gemiddelde meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.
2.3. De minister voert het beleid om aan artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw slechts toepassing te geven door het buiten beschouwing laten van vermogensbestanddelen, indien sprake is van (een deel van het) vermogen:
- van (minderjarige) kinderen waarover feitelijk niet kan worden beschikt;
- dat bestaat uit de Rijksbijdrage ten behoeve van de groep hemofiliepatiënten;
- dat bestaat uit smartengeld (vergoeding van immateriële schade);
- dat bestaat uit uitkeringen betreffende tegoeden uit de Tweede Wereldoorlog (van de Stichting Maror, de Sjoastichtingen en de Stichting Het Gebaar).
2.4. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft de minister de huursubsidie gewijzigd en teruggevorderd, omdat het rekenvermogen van [wederpartij] en haar overleden echtgenoot te hoog is om huursubsidie te kunnen krijgen. Daarbij is hij uitgegaan van het door de Belastingdienst vastgestelde vermogen. Voorts heeft hij zich op het standpunt gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het vermogen of een deel daarvan in afwijking van het gevoerde beleid buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.
2.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de hardheidsclausule uit artikel 26, eerste lid, van de Hsw in dit geval niet van toepassing is, omdat volgens de rechtbank niet valt in te zien waarom de situatie van [wederpartij] afwijkt van het in het beleid genoemde voorbeeld van de situatie waarin sprake is van vermogen van (minderjarige) kinderen waarover niet kan worden beschikt.
2.6. De minister bestrijdt dit oordeel en voert hiertoe aan dat het verkrijgen van een uitkering uit een kapitaal of vermogen betekent dat daarover kan worden beschikt. Er wordt immers van het vermogen geprofiteerd, wat niet zo is in de situatie van ouders met vermogende kinderen waarbij de ouders niet over het vermogen kunnen beschikken.
2.7. Vaststaat dat op 1 juli 2005, de peildatum voor het subsidietijdvak 1 juli 2005 tot en met 31 december 2005, door [wederpartij] en haar inmiddels overleden echtgenoot een meerpersoonsouderenhuishouden werd gevoerd. Verder staat vast dat [wederpartij] en haar overleden echtgenoot aan de Belastingdienst als gemiddelde waarde van de bezittingen in box 3 als bedoeld in artikel 5.2. van de Wet IB 2001 € 70.200,00 hebben opgegeven, welk bedrag door de Belastingdienst als omvang van het vermogen is vastgesteld. Bij deze vaststelling van het vermogen is rekening gehouden met een periodieke uitkering aan [wederpartij] van € 90,00 per week, welke uitkering door een derde aan haar is gelegateerd. Om deze uitkering te effectueren en de nalatenschap te kunnen afwikkelen, is door de executeur-testamentair van deze derde het legaat via een actuariële berekening gekapitaliseerd en omgezet in een levenslange lijfrenteverzekering ten gunste van [wederpartij].
2.8. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat het beleid van de minister bij de toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Hsw er niet toe kan strekken die toepassing te beperken tot de daarin omschreven gevallen. De Afdeling gaat er dan ook van uit dat beoogd is in de beleidsregels aan de hand van voorbeelden aan te geven in welk soort gevallen de hardheidsclausule zal worden toegepast. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat dit beleid, aldus opgevat, niet kennelijk onredelijk is.
Anders dan de rechtbank is de Afdeling echter van oordeel dat de situatie van [wederpartij] niet vergelijkbaar is met de in het beleid genoemde gevallen waarin niet kan worden beschikt over het vermogen van (minderjarige) kinderen. In die situaties hebben ouders immers geen profijt van een aan hun kinderen toekomend kapitaal, waarover deze kinderen pas bij hun meerderjarigheid kunnen beschikken, zodat het onredelijk zou zijn om dit vermogen te betrekken bij het vermogen dat bepalend is voor het recht van het huishouden op huursubsidie. [wederpartij] ontvangt maandelijks een uitkering en heeft daarmee profijt van het gekapitaliseerde vermogen. De minister heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de onverkorte toepassing van artikel 4, eerste en derde lid, van de Hsw, in samenhang met artikel 5.2 van de Wet IB 2001, gelet op het belang dat de Hsw beoogt te beschermen, in de situatie van [wederpartij], niet tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt. De Afdeling deelt niet het standpunt van [wederpartij] dat meetellen van het vermogen bij de vaststelling of zij recht heeft op huursubsidie zou betekenen dat het haar bij testament toegekende bedrag voor de derde maal belast zou worden. Door het legaat heeft zij een ruimere financiële armslag gekregen, die haar onder meer in staat stelt om de huur van haar woning te betalen. Het is in overeenstemming met het doel van de Hsw dat zij dan niet meer in aanmerking komt voor een subsidie. Het verlies van aanspraak op huursubsidie kan niet worden gelijkgesteld aan het opleggen van een belasting.
2.9. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen de minister overigens aanvoert, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het tegen het besluit van 22 mei 2007 ingestelde beroep beoordelen.
2.10. Gelet op hetgeen onder 2.8 is overwogen, slaagt de beroepsgrond dat niet is gemotiveerd waarom de situatie van [wederpartij] niet vergelijkbaar is met het in het beleid genoemde voorbeeld van ouders die niet kunnen beschikken over het vermogen van hun kinderen, niet.
Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgrond dat de situatie van [wederpartij] vergelijkbaar is met andere in het beleid genoemde voorbeelden, komt de Afdeling niet toe. Hierover is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.
Het beroep is ongegrond.
2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 november 2007 in zaak nr. 07/2239;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. W.D.M. van Diepenbeek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Vlasblom w.g. Van Hardeveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2008
350.