
Jurisprudentie
BF0288
Datum uitspraak2008-09-03
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805391/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Datum gepubliceerd2008-09-10
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200805391/1
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter
Indicatie
Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd aan [vergunninghouder] wegens het binnen de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] in strijd met artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking zijn van een warmtekrachtinstallatie.
Uitspraak
200805391/1.
Datum uitspraak: 3 september 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Westland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) een last onder dwangsom opgelegd aan [vergunninghouder] wegens het binnen de inrichting gelegen aan de [locatie] te [plaats] in strijd met artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking zijn van een warmtekrachtinstallatie.
Bij brief van 27 mei 2008 heeft [verzoeker] een reactie gegeven op dit besluit.
Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 augustus 2008, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 augustus 2008, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. J.P.G. Bouwman, advocaat te 's-Gravensande, en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Magnin, J.B. Martin en ing. T. Nijsen, allen ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De aan [vergunninghouder] opgelegde last houdt in dat deze de geurhinder ter plaatse van de woning van [verzoeker] dient te beëindigen op verbeurte van een dwangsom van € 800,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 4.000,00. Inmiddels is de dwangsom geheel verbeurd. Het college heeft de inning van de dwangsom opgeschort tot 6 weken nadat op het door [vergunninghouder] gemaakte bezwaar is beslist.
2.2. Het college betoogt dat de brief van [verzoeker] van 27 mei 2008 niet kan worden aangemerkt als een bezwaarschrift. Volgens het college zou het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu door [verzoeker] tegen het besluit waar tegen voorlopige voorziening wordt gemaakt geen bezwaar is gemaakt.
2.2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, voor zover hier van belang, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de Afdeling, bezwaar is gemaakt, de voorzitter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge het derde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de Afdeling bezwaar is gemaakt een verzoek om voorlopige voorziening worden gedaan door de indiener van het bezwaarschrift.
2.2.2. In de brief van 27 mei 2008 heeft [verzoeker] gronden van zijn bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2008 kenbaar gemaakt, waaronder de grond dat met de hoogte van de dwangsom, naar hij betoogt, niet het beoogde effect kan worden gesorteerd. Naar het oordeel van de voorzitter is voldaan aan de eis gesteld in artikel 6.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht en dient deze brief te worden aangemerkt als een bezwaarschrift.
Nu voorafgaand aan het verzoek om voorlopige voorziening een ontvankelijk bezwaar is ingediend, is aan het vereiste van connexiteit, als bedoeld in artikel 8:81, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht voldaan. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek om voorlopige voorziening bestaat geen grond.
2.3. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder g, van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer wordt overtreden, zodat het college bevoegd was ter zake handhavend op te treden.
2.4. Voor zover [verzoeker] betoogt dat het college ten onrechte voorlopig niet tot inning van de verbeurde dwangsommen overgaat, overweegt de voorzitter dat dit aspect niet in deze procedure kan worden beoordeeld. Niet de bestuursrechter maar de burgerlijke rechter is bevoegd kennis te nemen van geschillen omtrent invordering van verbeurde dwangsommen.
2.5. De voorzitter begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij van mening is dat het college ten onrechte geen bestuursdwang heeft toegepast.
2.5.1. Artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht biedt het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het toepassen van bestuursdwang de mogelijkheid in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Voor het alternatief van de dwangsom mag niet worden gekozen als, gezien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, dit belang zich daartegen verzet. Dit laatste is hier, gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, niet het geval, nu niet valt in te zien dat de belangen die worden beschermd aan de oplegging van een last onder dwangsom in de weg staan. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd, ziet de voorzitter geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het instrument van de last onder dwangsom in dit geval een geschikter middel is dan het instrument van bestuursdwang.
2.6. [verzoeker] betoogt dat de hoogte van de dwangsom zich niet verhoudt tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Het te verbeuren bedrag is niet hoog genoeg, aldus [verzoeker].
2.6.1. Het college heeft in de considerans van het bestreden besluit naar voren gebracht dat de dwangsom een prikkel moet zijn om de overtreding te beëindigen. Bij de bepaling van de hoogte heeft het college bij het nemen van het bestreden besluit in aanmerking genomen dat het treffen van de nodige maatregelen om de overtreding ongedaan te maken economisch aantrekkelijker moet zijn dan het laten voortduren van deze overtreding. De voorzitter ziet in het betoog van [verzoeker], mede gezien de stukken en het verhandelde ter zitting, geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college destijds zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen de stellen dat de hoogte van het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
2.7. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Drouen
voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2008
375-539.