
Jurisprudentie
BF0282
Datum uitspraak2008-11-04
Datum gepubliceerd2008-11-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/00273 B
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2008-11-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers08/00273 B
Statusgepubliceerd
Indicatie
OM-cassatie. Beschikking afwijzing vordering gevangenhouding. Conclusie AG houdt o.m. in dat gelet op de aard van de materie en de beslissingsruimte van de rechter, niet te hoge eisen gesteld mogen worden aan een beschikking als i.c. en concludeert dat ’s Hofs oordeel i.c niet onbegrijpelijk is. HR: 81 RO.
Conclusie anoniem
Nr. 08/00273 B
Mr. Bleichrodt
Zitting 2 september 2008
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij beschikking van 21 november 2007 het beroep van de Officier van Justitie, gericht tegen de beschikking van de Rechtbank van 13 november 2007, waarbij de vordering tot gevangenhouding van [verdachte] was afgewezen, ongegrond verklaard.
2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft tegen die beschikking beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Verdachte is vanaf 24 augustus 1994 tot 4 oktober 1994 preventief gehecht geweest in verband met de verdenking dat hij betrokken was bij een in mei 1993 gepleegde dubbele moord in Antwerpen. Die zaak is wegens het ontbreken van voldoende bewijs geëindigd met een kennisgeving niet verdere vervolging.
3.2 Naar aanleiding van een vordering van de Officier van Justitie van 1 november 2007 heeft de Rechter-Commissaris op die datum ter zake van (de verdenking van) hetzelfde feit de bewaring van verdachte bevolen. Als gronden voor de preventieve hechtenis zijn in de beschikking kort gezegd genoemd het gevaar voor vlucht, de omstandigheid dat wegens het vermoedelijk begane feit een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer kan worden opgelegd en de rechtsorde door dat feit ernstig is geschokt en de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis in redelijkheid noodzakelijk is voor het anders dan door verklaringen van de verdachte aan de dag brengen van de waarheid. Verdachte was toen uit anderen hoofde gedetineerd en die detentie zou nog ongeveer anderhalf jaar duren.(1)
3.3 De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 13 november 2007 de vordering tot gevangenhouding afgewezen omdat geen sprake was van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Zowel bij de Rechter-Commissaris als bij de behandeling in raadkamer was het punt van discussie in het bijzonder of er gelet op recent verkregen bewijsmateriaal sprake was van nieuwe bezwaren (art. 255, eerste lid, Sv) die alles bijeen genomen van voldoende gewicht waren om preventieve hechtenis te rechtvaardigen; daarvoor moet het gaan om ernstige bezwaren (art. 67, derde lid, Sv).
3.4 De Officier van Justitie heeft tegen de beschikking van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In zijn appelmemorie is hij ingegaan op het bewijsmateriaal, heeft hij aangevoerd dat er sprake was van relevante nova en heeft hij het oordeel van de Rechtbank bestreden dat tegen betrokkene geen ernstige bezwaren bestonden.
3.5 Blijkens het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van het Hof heeft de Advocaat-Generaal zich aangesloten bij genoemde appelmemorie. Nadat de raadsman had gesteld dat de (nieuwe) verklaringen waarop een beroep was gedaan dateren van vóór de kennisgeving niet verdere vervolging, heeft de Advocaat-Generaal na ingewonnen inlichtingen nog medegedeeld dat vóór die kennisgeving geen kennis was genomen van bedoelde verklaringen (zoals die van [getuige 1] en [getuige 2]), omdat die zijn voortgekomen uit ander onderzoek.
4.1 Het middel richt zich tegen de motivering van 's Hofs beschikking, omdat daarbij niet is gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de Officier van Justitie in de appèlmemorie, terwijl die motivering ook overigens ontoereikend of onbegrijpelijk zou zijn.
4.2 Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:
"Het Hof acht het beroep van de Officier van Justitie ongegrond, reeds omdat de verdachte nog geruime tijd vanaf heden uit anderen hoofde gedetineerd is in Nederland."
4.3 Zoals het middel naar het mij voorkomt terecht opmerkt, bestaat er geen aanleiding te veronderstellen dat het Hof heeft bedoeld het oordeel van de Rechtbank over te nemen. Weliswaar draaide ook in hoger beroep de discussie over het al dan niet bestaan van nieuwe (ernstige) bezwaren, maar het Hof heeft die kwestie voor zover ik zie in het midden gelaten omdat naar zijn oordeel de vordering toch al moest worden afgewezen. In 's Hofs overweging ligt in die lezing als zijn oordeel besloten dat, ook indien wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van het Openbaar Ministerie betreffende de aanwezigheid van nieuwe bezwaren, die op zichzelf voldoende ernstig zijn om daarop een bevel tot voorlopige hechtenis te baseren, de vordering niet voor toewijzing vatbaar is.
4.4 Het voorgaande brengt mijns inziens mee dat de klacht dat niet op het uitdrukkelijk gemotiveerde standpunt van de Officier van Justitie is gereageerd, bij gebrek aan belang niet tot cassatie kan leiden. Het Hof heeft de juistheid van dat standpunt immers veronderstellenderwijs willen aannemen. (2)
4.5 Geklaagd wordt verder dat het Hof zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd. Aangevoerd wordt dat het Hof in de wettelijke context van de art. 67 en 67a Sv uiteenlopende kwesties op het oog gehad kan hebben, zoals het ontbreken van vluchtgevaar, van een geschokte rechtsorde of van recidivegevaar. Het Hof heeft, aldus het middel, zijn gedachtegang niet verder uitgelegd, zodat het gissen blijft.
4.6 Ik stel voorop dat de rechter indien aan de voorwaarden van de art. 67 en 67a Sv is voldaan, wel bevoegd maar niet verplicht is een bevel tot voorlopige hechtenis te geven. De rechter heeft bij het uitoefenen van die bevoegdheid een zekere vrijheid en zal in het kader daarvan beoordelen of voorlopige hechtenis niet alleen mogelijk, maar ook wenselijk is. Allerlei belangen zullen daarbij kunnen worden afgewogen. In verband daarmee merk ik op dat in het algemeen van de voor het Openbaar Ministerie openstaande mogelijkheid om in cassatie te gaan tegen een beschikking als de onderhavige niet te veel moeten worden verwacht.(3) Bij een zodanige beslissing zal de vaststelling en waardering van feitelijke omstandigheden een belangrijke rol spelen en daarin kan de Hoge Raad zich uiteraard niet begeven.
4.7 Vroeger stond de motiveringsverplichting van onder meer afwijzende beschikkingen in art. 79 Sv. Bij de Wet van 8 november 1993, Stb. 591, waarbij de raadkamerprocedure is herzien, is dat voorschrift geschrapt. De verplichting tot motivering vloeit thans voort uit art. 24, eerste lid, Sv.(4) Een wezenlijke verandering levert die wijziging dus niet op. Onder de werking van het oude art. 79 Sv heeft de Hoge Raad in zijn beschikking van 10 juni 1980 NJ 1980, 593 een door het Hof bevestigde beschikking van de Rechtbank, waarbij de vordering tot verlenging van de gevangenhouding was afgewezen, gesauveerd, hoewel de motivering daarvan niet meer inhield dan "dat er thans geen termen meer bestaan de vrijheidsbeneming te doen voortduren." Daarmee was, aldus de Hoge Raad, tot uitdrukking gebracht dat gronden die ingevolge het bepaalde bij art. 67a Sv voorlopige hechtenis kunnen wettigen, niet meer aanwezig waren. Verder was ook de klacht dat niet was gereageerd op wat de Procureur-Generaal bij het Hof en de Officier van Justitie in zijn memorie van grieven hadden aangevoerd, ongegrond, aangezien "dit aangevoerde in het evenoverwogene weerlegging heeft gevonden".
4.8 Hoewel een dergelijke overweging van het Hof in dit tijdsgewricht, waarin de "tegensprekelijkheid" hoog in het vaandel staat, wellicht met meer reserve zou worden bezien, mogen mijns inziens gelet op de aard van de materie en de beslissingsruimte van de rechter, niet te hoge eisen worden gesteld aan een beschikking als de onderhavige. Ik merk in dat verband op dat de verdachte, wiens vrijheid in het geding is, in het geheel geen mogelijkheid heeft om (de motivering van) een beschikking tot voorlopige hechtenis in cassatie te doen toetsen. En die beschikkingen plegen in de praktijk ook niet overvloedig te worden gemotiveerd.
4.9 Terug naar de bestreden beschikking. In zijn overweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat gelet op de nog geruime tijd voortdurende detentie van verdachte uit anderen hoofde een toewijzing van de vordering niet aangewezen is. Het Hof heeft mijns inziens niet miskend dat die detentie op zichzelf niet aan een bevel tot gevangenhouding in de weg stond. Het middel stelt dat ook niet met zoveel woorden, maar daarin wordt wel opgemerkt dat de vordering tot gevangenhouding op haar eigen merites moet worden beoordeeld. Dat het Hof dat niet zou hebben gedaan, blijkt echter niet. Verder doet het middel een beroep op een aantal verschillen, dat bestaat tussen de detentie op grond van de tenuitvoerlegging van een vrijheidstraf en de preventieve hechtenis, zoals de in laatstgenoemd geval bestaande mogelijkheid om aan de verdachte beperkingen op te leggen. Op het belang van een en ander kan echter niet voor het eerst in cassatie een beroep worden gedaan.
4.10 Ik meen dat 's Hofs oordeel in het licht van de stukken van het geding en ook gelet op wat is aangevoerd, niet onbegrijpelijk is. Dat, gegeven de detentie uit anderen hoofde, niet van gevaar voor vlucht kan worden gesproken, is evident. Wat de gestelde geschokte rechtsorde betreft, verdient opmerking dat het feit veertien jaar geleden zou zijn begaan, maar vooral dat als gevolg van genoemde detentie niet de situatie ontstaat dat de verdachte ondanks de gestelde tegen hem bestaande ernstige bezwaren op vrije voeten komt. Die detentie beperkt ook het collusiegevaar. In ieder geval is in feitelijke aanleg niets specifieks aangevoerd, waaruit zou kunnen volgen dat het onderzoek bij een vrijheidsbeneming uit anderen hoofde niet naar behoren zou kunnen worden voortgezet.
4.11 Het middel faalt. Het kan naar het mij voorkomt met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering worden afgedaan.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Het gaat om de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke uitspraak waarbij de verdachte wegens Opiumwetdelicten tot vier jaar gevangenisstraf was veroordeeld. In de cassatieschriftuur wordt gesteld dat de einddatum van die detentie 14 mei 2009 is.
2 Terzijde merk ik op dat de steller van het middel onderkent dat art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv hier niet van toepassing is, maar niettemin van oordeel is dat de beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep op de conclusie van de A-G voor HR NJ 2007, 472 gaat evenwel niet op omdat de bedoelde passage van die conclusie betrekking heeft op een voor de uitkomst van de zaak relevant verweer of standpunt.
3 Zie ook Th. W van Veen en J.P. Balkema, Voorarrest, strafprocessuele en sociaalrechtelijke aspecten 1982, blz. 104. Wedzinga, Voorarrest, 1999, blz. 92. De toedeling van rechtsmiddelen aan het O.M. in zaken betreffende de voorlopige hechtenis maakt overigens in het algemeen een niet erg evenwichtige indruk.
4 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 584, nr. 3 blz. 9,10 over het uitgangspunt van het wetsvoorstel, de harmonisatie van de raadkamerprocedure.
Uitspraak
4 november 2008
Strafkamer
nr. S 08/00273
BKD/RR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 november 2007, nummer 13/529067-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Amsterdam, locatie Het Schouw" te Amsterdam.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2008.